Dowling residence, England, 7 years before The Apocalypse

“Angel, staar je enkel naar me terwijl ik praat?”
      Aziraphale weigerde om hier antwoord op te geven. Hij probeerde ook heel hard om niet te laten merken hoe waar de beschuldiging van de ander was. De laatste paar jaar had de Engel elke seconden die ze bij elkaar waren gespendeerd met het staren naar Crowley. Hij had zichzelf wijsgemaakt dat het was omdat ze met elkaar werkten om de Apocalypse te stoppen en hij een oogje op zijn vriend moest houden, voor het geval de Demon toch besloot om hem tegen te werken. Het was zeker niet omdat hij probeerde om elk detail van de ander in zijn herinneringen te imprinten.
      Hij herinnerde zich de conversatie nog, waarin ze besproken hoe ze een oogje in het zeil hielden op Warlock de Antichrist en hem ondertussen konden beïnvloeden. Een van hen zou de rol van een nanny op zich nemen en Aziraphale had gelijk laten weten dat hij dat wel zou doen.
      “Wie zegt dat jij gaat?” vroeg Crowley.
      “Ik nam het gewoon aan. Ik denk niet dat jij een goede nanny voor Warlock zou zijn. Kan je koken?”
      “Kan jij koken?” kaatste Crowley terug met een opgetrokken wenkbrauw.
      Aziraphale sputterde en probeerde een excuses te bedenken dat niet inhield dat hij een Demon was, want dat zou oneerlijk zijn. Crowley gedroeg zich nooit als een echte Demon.
      “Ik kan me gewoon niet voorstellen dat jij iemand verzorgt,” besloot hij en hij wist dat het een leugen was.
      “Ik zorg voor jou, toch?” Crowley wist ook dat het een leugen was.
      Het was zielig hoe een simpele zin ervoor kon zorgen dat een duizend vlinder met hun vleugels begonnen te flappen in zijn buik. Hij opende zijn mond om ertegenin te gaan, maar sloot deze wijs weer. En zo was het besloten dat Crowley als nanny naar de Dowling residence ging en Aziraphale als tuinman.
      De Dowlings waren de hele dag weggeweest en bleven weg tot de volgende dag, wat ervoor zorgden dat Crowley en Aziraphale een vrije dag hadden. Ze hadden besloten om zich niet langer in hun passende vermommingen te blijven en Aziraphale had zijn best gedaan om hen beiden af te leiden. Ze hadden al vaak genoeg zitten kniezen over de aankomende Apocalypse de laatste tijd en hij wilde eens wat anders doen, hij wilde de Demon zich zien vermaken. Aziraphale had geprobeerd om bartender te spelen en cocktails te maken voor de Demon, die het snel over had genomen omdat hij er niks van bakte. Daarna waren ze uit eten geweest en nu waren ze terug en liepen ze langs het meertje op het terrein van de Dowlings.
Het was een warme zomeravond, de zon was aan het ondergaan en ze hadden beiden hun schoenen uitgedaan. Het leek het perfecte einde van een perfecte dag. Crowley’s hand was zo dichtbij die van hem, ze waren beiden zo relaxt dat ze geen meter apart hielden. Aziraphale voelde een sterke drang om zijn hand vast te pakken en hij deed het gewoon. Hij had het gevoel dat ze een andere versie waren van henzelf, de versie die hier woonden en die ze achter zouden laten als ze weggingen. Deze versies van hen konden dit doen.
      “Doe je dit expres?”
      De Demon draaide zich om naar Aziraphale om naar hem te kijken. De ondergaande zon scheen van achteren op hem en gaf hem een rode halo. Aziraphale grinnikte enkel en kneep zachtjes in zijn hand. Ze waren zo speels en relaxt geweest vandaag dat de Engel geen reden zag dat zijn vriend geïrriteerd zou zijn. Toch trok Crowley zijn hand terug met een grom.
      “Ik meen het, Aziraphale. Waarom doe je dit? Is dit soms een vreemd soort straf voor iets dat ik heb gedaan?”
      Hij zag het vuur in de gele ogen van Crowley, die zijn zonnebril in zijn borstzak weggestopt had, en hij voelde zich koud onder zijn blik.
      “Ik weet… Ik begrijp het niet echt,” stamelde de Engel en hij deed een stap achteruit.
      Alles ging zo goed, ze hadden gelachen en raakten elkaar aan Crowley leek meer relaxed en gelukkig dan hij hem in de laatste paar jaren gezien had. Aziraphale voelden tranen in zijn ogen prikken. Natuurlijk had de ander geen lol gehad, hij had het gewoon gedaan omdat Aziraphale het wilde, zoals hij altijd deed. Crowley’s schouders zakten naar beneden alsof hij het opgaf en hij zuchtte diep.
      “Natuurlijk niet,” zei hij en het klonk niet als een beschuldiging, maar vol spijt. De Demon stapte naar voren legde zijn handen op Aziraphale’s schouders, die moest vechten tegen de neiging om zijn handen te ontsnappen. “Natuurlijk niet. Het spijt me, oké? Ik sta gewoon erg onder druk en ik dacht dat je… Ik had niet tegen je moeten schreeuwen.”
      De Engel blijf als bevroren staan, hij staarde met shock naar Crowley en probeerde wanhopig niet te denken aan de handen op zijn schouders.
      “Laten we iets leuks doen, hm?” smeekte Crowley bijna.
      Aziraphale vond eindelijk zijn stem terug, ook al klonk die een octaaf hoger dan normaal. “We kunnen hier blijven en naar de sterren kijken?” stelde hij voor.
      “Wat je maar wilt, Angel.”
      Dat was niet waar. Zeker niet wat hij maar wilde, maar hij ging er niet over discussiëren. In plaats daarvan ging hij zitten op het zwarte kleed dat Crowley tevoorschijn getoverd had zitten en probeerde hij richting het lichaam naast zich te leunen. Samen keken ze hoe de zon verder onderging en de sterren tevoorschijn kwamen. De stilte rondom hen omhelsde Aziraphale comfortabel. Het gevoel herinnerde hem aan hoe hij kon zinken in de omarming van de Demon, aan de zeldzame nachten waarop hij zichzelf had toegestaan om hem iets langer te omhelzen dan nodig was, een beetje dichterbij. Aziraphale hield van hem, al vijf millennia lang.
      Hij kon het echter niet zeggen, niet opnieuw. Hij kon het niet riskeren dat de Demon met hem spotte en insinueerde dat hij liever iets anders nam dan zijn liefde, alweer. Nee, maar deze Aziraphale kon dat wel en misschien kon deze Crowley naar hem lachen, warm en gelukkig, en hem kussen. De Engel probeerde het opnieuw en liet zijn grace zachtjes porren op zoek naar een verandering bij de Demon. Er was een verandering, de kleinste ooit, maar het was er en voor Aziraphale was het genoeg.
      “Crowley, ik…”
      “Daar zo,” onderbrak Crowley hem en hij wees met een slanke vinger naar een cluster sterren. “Dat is Alpha Centauri. Ik heb geholpen met het creëren van sommige sterren daar.” Crowley draaide zich naar Aziraphale met een onleesbare blik op zijn gezicht, die ene die hij nooit kon ontcijferen, hoe hard hij het ook probeerde. Het was verdrietig, maar toch ook weer niet. “Als de Apocalypse voorbij is, laat ik het je zien.”
      De Apocalypse. Aziraphale was het vergeten en eerlijk gezegd maakte het hem zo weinig uit dat hij zichzelf er ook niet aan herinnerd had. Crowley’s woorden waren als een emmer met ijs die over hem heen gegooid werd en bracht alle gevoelens boven die hij zo zorgvuldig opgesloten had. De angst, de pijn, het feit dat hij het lot van de wereld niet kon riskeren voor een kans op egoïstisch geluk.
      “Dat is een belofte,” knikte Aziraphale.
      Crowley’s hand vond de zijne en de Engel verstrengelde hun vingers. Hij kon het zichzelf toestaan om nog iets langer in deze fantasie te leven.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen