Foto bij Scar 120

Het laatste stuk van het vorige hoofdstuk:
Ze laat haar hand in de mijne glijden en verstrengelt onze vingers. Haar handen zijn eeltig van al het harde werk dat ze verricht heeft, maar toch wel zacht en klein in vergelijking met de mijne. Die hand heeft klappen afgeweerd, klappen uitgedeeld, pistolen vastgehouden en koffers meegesleurd van Rusland naar Frankrijk naar de VS. En nu houdt het de mijne vast.
Ze schudt ontevreden haar hoofd en laat een schamper lachje horen. Beledigd herhaalt ze: 'IJskonijn. Wat een flauwekul.'

De volgende dag ga ik na werk even in mijn eentje naar Benjamin om wat met hem te bespreken. Ik wil gewoon even een op een met hem praten over hoe het gaat. Ik heb met Paige afgesproken om haar daarna in haar eigen appartement te ontmoeten, want ze wilde daar even naartoe om alle zaken qua administratie en dergelijke op een rijtje te zetten.
Het gaat goed met hem. Ik was bang dat ik het nooit zou kunnen zeggen, maar het gaat oprecht goed met hem. Hij is nog steeds clean, wordt niet meer lastiggevallen door kennissen uit het verleden en heeft relatieve vastigheid gevonden in zijn baan. Bijna al zijn vrije tijd brengt hij door bij Johanna, die meestal wel weet wie hij is. Aarzelend geeft hij toe dat hij het heel eng vindt wanneer ze dusdanig ver heen is dat ze haar eigen zoon niet herkent. Hij heeft haar nodig om te weten wie hij is zodat hij langzamerhand zelf kan uitvinden wie hij is, zegt hij. Ik weet uit eigen ervaring hoe erg dat is, en hoe slopend het kan zijn, maar zijn huis ziet er een stuk schoner uit dan voorheen en het ziet ernaar uit dat hij goed eet, dus al te veel zorgen maak ik me niet.
De zorgen komen pas wanneer ik bij Paige thuis aankom. Zodra ik haar in haar woonkamer zie staan, weet ik het al. Ik zie het aan de gespannen, ineengedoken houding; de bleke, trillende lippen; de gejaagde ademhaling. Ze blijft heen en weer ijsberen, op het randje van tranen. Ik weet niet of ze doorheeft dat ik er ben.
Ik loop richting de woonkamer en blijf in de deurpost naar de gang staan.
‘Paige?’ vraag ik, en ze kijkt op. Ze houdt haar adem in, alsof ze vergeten is dat het alleen maar vóélt alsof de tijd stilstaat. Aangezien ik al denk te weten wat er ongeveer aan de hand is, vraag ik: ‘Frankrijk of Rusland?’
Ze pakt de bankleuning vast om zich staande te houden. Ze knijpt er zo hard in dat haar knokkels wit zien.
‘Frankrijk,’ weet ze uit te brengen.
Dat maakt het al iets moeilijker. Als het herinneringen aan haar vader zijn die haar teisteren, kan ik haar in mijn armen houden en beloven dat ik haar veilig zal houden, dat hij duizenden kilometers verderop is. Maar als het om de verkrachting gaat, weet ik nooit wat ik moet doen. Ik wil haar wel vasthouden, maar ben te bang dat dat nare herinneringen naar boven brengt. Ik loop naar haar toe en ze lijkt zich bijna tegen me af te schermen, ineengedoken en met stokkende adem.
‘Ga anders even zitten,’ zeg ik en ik steek een hand naar haar uit om haar te kunnen begeleiden, maar ze deinst weg.
‘I-Ik wil niet dat je me aanraakt.’
Het is absurd dat het zo als een afwijzing voelt en ik vervloek mezelf dat mijn gezicht betrekt. Waar Paige nu helemaal geen baat bij zal hebben, is als ik op mijn tenen getrapt ga zijn.
‘Ik zal je niet aanraken, maar ga gewoon even zitten, oké? Probeer te ontspannen.’ Ik heb geen idee wat ik doe. ‘Wil je dat ik blijf?’
Ze knikt zachtjes, waar ik erg blij mee ben, want ik had niet geweten waar ik heen had moeten gaan als ze me wel echt had weggestuurd. Ik pak voorzichtig een stoel en draai die haar kant op.
‘Ga even zitten. Misschien helpt dat,’ probeer ik.
‘Nee… Ik… Nee,’ weet ze uit te brengen en ze begint weer heen en weer te lopen, alsof ze een gekooide tijger is, of alsof ze naar een uitweg zoekt. Ik weet genoeg van PTSS om te weten dat je momenten kan hebben waarop je lichaam er volledig van overtuigd is dat je weer in die situatie zit, ook als je brein je vertelt dat het niet zo is. Ik weet ook dat dat Paige nu waarschijnlijk overkomt. Wat ik niet weet, echter, is hoe ik het in godsnaam beter moet maken.
Al lopende houdt ze een trillende hand voor haar mond in de hoop de snikken binnen te houden. Er lopen tranen over haar wangen en ik voel me zo machteloos. Ze veegt ze weg en ik hoor hoe ze wanhopig haar best doet om haar ademhaling onder controle te krijgen.
Ze loopt naar de eettafel toe en gaat toch op een van de stoelen zitten. Ze buigt voorover over de tafel en huilt verder met haar gezicht in haar armen begraven. Ze maakt geen geluid meer, maar aan het schokken van haar schouders zie ik dat ze nog steeds aan het huilen is. Ze wiegt zichzelf zachtjes heen en weer, alsof ze zichzelf zo troost wil bieden.
Hopend dat ik tóch iets voor haar kan doen, pak ik een glas water voor haar en zet ik het zo zachtjes mogelijk bij haar op het tafelblad.
Ze staat weer op, gealarmeerd door het geluid en duidelijk nog steeds hyperventilerend. Haar ademhaling is oppervlakkig en onregelmatig en ik ben bang dat ze elk moment van haar stokje kan gaan. Ze begint weer heen en weer te lopen, zoekend naar een uitweg voor iets waar ze niet aan kan ontsnappen.
‘Het doet pijn,’ snikt ze en ze drukt een hand tegen haar borst. ‘Ik weet niet wat voor pijn. Ik weet er geen woord voor. Maar het doet pijn. Is het wel pijn als er geen woord voor is?’ Ze begint weer te huilen. ‘Nathan. Het-Het is normaal niet zo erg. Ik weet niet waarom ik nu zo... Ik kan dit niet. Niet nog een keer. Het is… Nathan, alles doet zoveel pijn.’
Ze moet moeite doen om te blijven ademen, om genoeg lucht binnen te krijgen, en het lijkt zelfs erger dan eerst.
‘Ik heb er geen last van als ik bij jou ben. Het... Het is zoveel minder geworden sinds we samen zijn en ik... ik kan niet... Het maakte me allemaal minder bang toen ik bij jou was en toen was ik weer alleen en ik kan niet... Ik wil je niet wegduwen en ik...’
De rest van haar zin gaat verloren in een nieuwe sessie onvaste, haperende happen naar adem. Ze slaat verkrampt haar armen om zichzelf heen en ik zie dat ze zichzelf per ongeluk krabt. Het is mijn eerste reactie om naar haar toe te lopen, haar polsen vast te pakken en haar handen van haar armen te trekken, maar ik realiseer me dat dat het absoluut niet beter gaat maken, dus ik probeer een zachtere aanpak.
‘Paige.’ Ik zet een stapje naar haar toe. ‘Paige, probeer dat niet te doen. Je verwondt jezelf nog.’
Ik weet niet of ze me hoort. Ze reageert in ieder geval niet.
‘Paige,’ zeg ik, mijn stem zo zacht en kalm mogelijk. ‘Je hebt een paniekaanval. En ik zal je niet aanraken, want je zegt dat je dat niet wilt. Ik zal dat dus ook echt niet doen. Maar ik wil je wel helpen, oké? Probeer even wat te drinken en dan loop ik even naar het raam en dan doe ik die open. Dan komt er weer lucht binnen. Het komt allemaal goed, oké? Je moet er even doorheen.’
‘Ik kan het niet. Ik kan geen adem meer halen. Ik-Ik kan niet meer-‘
‘Jawel. Je kunt het wel,’ druk ik haar op het hart en ik doe het raam open. De frisse lucht komt binnen en ik voel de wind langs mijn gezicht.
Wanneer ik weer naar haar toeloop, staat Paige bij de tafel. Haar knieën knikken en ze duwt haar trillende handen tegen het tafelblad in de hoop ze stil te kunnen houden, wat niet lukt. Haar haar hangt iets voor haar gezicht en wappert heen en weer met haar beverige ademhaling. Ze brengt haar linkerhand omhoog en omvat daarmee haar keel, alsof die brandt.
‘Ik weet niet meer hoe ik adem moet halen. Ik... Ik weet niet... Normaal is het niet zo erg… En ik... Ik kan niet... Het voelt alsof ik doodga en... Mijn borstkas voelt te klein en ik kan niet...’
Ze zakt door haar benen en schuift weg van de tafel, tot haar rug de achterkant van de bank vindt en ze daar met opgetrokken benen blijft zitten. Haar handen trillen, maar het zijn haar knieën waar ze totaal de controle over heeft verloren. Het lijkt haast wel alsof ze een epileptische aanval heeft gekregen. Als kind kwam ik erachter dat als ik mijn been in een bepaalde hoek neerzette, mijn knie oncontroleerbaar begon te schokken. Dit doet me er enorm aan denken. Toentertijd vond ik het grappig, maar nu ik dit gezien heb vat ik de uitdrukking “knikkende knieën” ineens heel anders op.
Ik kniel bij haar neer en zeg aarzelend haar naam om haar aandacht te krijgen. Ze kijkt me met paniekerige ogen aan en ik zie dat ze ook aan het klappertanden is.
‘Ik bel een ambulance,’ zeg ik. Het kan me niet schelen als het onnodig blijkt te zijn. Dit kan ik niet meer aan. Het ziet er serieus uit alsof ze elk moment buiten westen kan raken of een beroerte kan krijgen.
Ze schudt haar hoofd en komt weer overeind.
‘Waar ga je heen?’ vraag ik, maar ze antwoordt niet en vlucht naar de badkamer. Even ben ik bang dat ze zichzelf op gaat sluiten en daarna vermoed ik dat ze over gaat geven, maar wanneer ik haar volg, zie ik dat ze geen van beide doet. Ze is met bevende handen twee pilletjes uit een verpakking aan het duwen en ik zie dat het oxazepam is; een kalmeringsmiddel. Ze slaat het zonder water achterover en laat zich weer rillend op de grond zakken. Ik weet dat oxazepam pas na ongeveer een kwartier werkt, maar alleen al door het idee dat de verlossing eraan zit te komen lijkt ze meer te ontspannen en met elke ademhaling lijkt ze wat minder verkrampt te zitten.
Niet precies wetende hoe ik de situatie aan moet pakken, ga ik naast haar zitten, maar met genoeg ruimte tussen ons in om haar niet te verstikken.
‘Denk je dat ik een ambulance moet bellen?’ vraag ik voorzichtig.
‘Nee,’ zegt ze zachtjes.
Ik pak de bijsluiter van de oxazepam en controleer of ze geen overdosis in heeft genomen. Wanneer dat niet zo blijkt te zijn, besluit ik maar niet te bellen, want ik vermoed dat als ik dat wel doe zonder directe aanleiding dat ze dood ligt te gaan, ze er alleen maar meer van in paniek zal raken.
‘Weet je waardoor je paniekaanval getriggered is?’ vraag ik.
‘Ja,’ mompelt ze. Ze zegt niet wat en ik vraag er niet naar. Dat is een gesprek voor later.
Net leek ze klam en verhit, maar nu de ergste paniek wegebt is, lijkt ze het juist koud te krijgen. Ze krijgt kippenvel op haar armen en lijkt zich nog kleiner te maken.
‘Ik ben zo terug,’ zeg ik en ik sta op. Ik loop naar haar slaapkamer en haal een fleecedeken uit de kast. Ik loop terug de badkamer in en ze kijkt met betraande ogen als schoteltjes naar me op. In een poging zo passief mogelijk over te komen, laat ik me weer naast haar neerzakken en ik steek de deken naar haar uit zodat ze die zelf om kan slaan. In plaats van de deken aan te pakken, kruipt ze naar me toe en klimt ze op mijn schoot, alsof ze weg wil kruipen achter mijn ribben.
Ik laat voorzichtig mijn armen om haar heen glijden en vraag zachtjes: ‘Is dit oké?’
Ze knikt met haar gezicht in mijn hals. Ze huilt nog steeds nachtjes na, met kleine snikjes die van zo diep lijken te komen dat het niet anders kan dan dat het pijn doet.
Ik voel me zelf automatisch ook een stuk geruster nu ik weet dat ik actief iets kan doen om haar zich beter te laten voelen en ik haar weer vast kan houden. Ik neem me voor om me te verdiepen in paniekaanvallen, want ik weet dat dit niet de eerste keer is. En waarschijnlijk ook niet de laatste. Misschien is dat wel het ergste: dit overkomt haar vaker. Ze zei dan wel “normaal is het niet zo erg”, maar dat betekent wel dat het wel eens zo erg is geweest. En hoewel ik het naïef en egocentrisch vind om te geloven dat ik het beter kan maken, vind ik het idee dat ze toen helemaal alleen was ondraaglijk.
Ik wikkel haar voorzichtig in de deken en til haar op. Ik draag haar naar de bank en leg haar daar voorzichtig neer.
‘Niet weggaan,’ smeekt ze me, waardoor ik me aarzelend naast haar laat zakken en haar weer tegen me aan hou.
Ik strijk zachtjes over haar haar en zeg na een tijdje: ‘Als ik iets verkeerd doe moet je het zeggen, oké?’
Wanneer ik geen reactie krijg draai ik mijn hoofd om haar aan te kunnen kijken en ik zie dat ze in slaap is gevallen. Ik heb wel eens ergens gelezen hoe uitputtend paniekaanvallen kunnen zijn en de oxazepam helpt waarschijnlijk ook niet. Ze ziet er bleek uit, waardoor de blos op haar wangen van het huilen nog meer opvalt.
Heel lang blijven we liggen en ik durf me niet te bewegen, bang om haar te wekken en een nieuwe paniekaanval te beginnen. Ik kan er alleen maar blijven liggen, met haar in mijn armen, denkend aan hoe verschrikkelijk het was. Ze had zoveel pijn. En ze was zo bang. En ik kon er niets aan doen. Ik kon er helemaal niets aan doen.
Ik herinner me ineens weer dat ze zichzelf per ongeluk gekrabd heeft en ondanks dat ze waarschijnlijk volledig onder zeil ligt, ben ik heel voorzichtig wanneer ik haar armen onder de deken vandaan haal. Er zitten inderdaad wat krassen op haar onderarmen, maar ze zijn niet diep genoeg om echt te bloeden. Toch denk ik dat ze het wel hard genoeg gedaan heeft om ervoor te zorgen dat het wel een tijdje zichtbaar zal blijven. Ik voel een knoop in mijn maag terwijl ik ernaar kijk.
Ik dek haar uiterst voorzichtig weer toe en strijk zo zachtjes als ik kan de laatste tranen van haar gezicht. Hoewel het ernaar uitziet dat ze vrij diep slaapt, straalt de ellende nog steeds van haar af, alsof het vast zit geworteld in elke cel van haar lichaam. Haar hartslag, die net nog genadeloos snel tekeer ging, lijkt nu wat meer gekalmeerd te zijn.
Er is hier iets misgegaan, vandaag. Er is iets enorm misgegaan. Ik weet alleen niet wat. Ik kan me niets indenken. Misschien is het gewoon toeval. Misschien moest ze er gewoon aan denken en werd het haar teveel. Maar ze zei dat ze wist wat de paniekaanval ontlokt had, dus er moet wel iets zijn. Ze vertelde me alleen niet wat dat iets nou inhoudt.
Ik kijk naar haar slapende gezicht, nog altijd krijtwit van angst. Ja, er is zeker iets misgegaan. De vraag is alleen wat.

Reacties (3)

  • BethGoes

    Leeft Paiges moeder nog? Zo ja: wedden dat daar iets mee aan de hand is!

    1 jaar geleden
  • CrazyUnicornLuf

    heftig hoofdstuk!
    hoop maar dat alles goed komt met Paige (en Nathan)

    1 jaar geleden
  • Sunnyrainbow

    Awh arme Paige!

    1 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen