. . .


Hij had niet willen verhuizen. Zelfs al praatten mensen achter zijn rug om, zelfs al noemden ze hem zombiejongen, zelfs al was hij een paar keer héél dicht bij de dood geweest – Hawkins was zijn thuis geweest. Soms voelde het alsof hij van zijn vrienden was vervreemd omdat er twee jaar van zijn leven waren weggerukt, maar op de momenten dat ze elkaar nodig hadden waren ze er voor elkaar. Onvoorwaardelijk.
      Toch had hij niet geprotesteerd toen zijn moeder had willen verhuizen. Na zo lang alleen te zijn geweest had ze eindelijk opnieuw een vriend gehad. Bob. En hoewel Bob aanvankelijk als een indringer had gevoeld, had Will uiteindelijk wel met hem kunnen opschieten. Maar toen ging Bob dood. Zijn moeders hart brak, nog steeds zag hij haar pijn iedere dag in haar ogen, in de nieuwe rimpels op haar gezicht. Zij had een nieuwe start nodig gehad, weg van de plaats waar ze haar kind bijna was kwijtgeraakt, waar ze haar geliefde door een monster verscheurd had zien worden.
      Dan ging hij toch niet klagen over een gebrek aan vrienden? Hij had geknikt toen zijn moeder gezegd had dat er ook leuke mensen op zijn nieuwe school zouden zitten, zelfs al geloofde hij daar niet in. Hij was raar. Dat had men ook al gevonden voordat hij voor dood werd verklaard en daarna terugkwam uit de dood. Hier zou het vast niet anders zijn.
      Maar hij sloeg zich er wel doorheen. Dat moest. Voor haar.
      Gelukkig was ze niet meer alleen. Nu was ze samen met Jim Hopper, sinds een paar weken. Na het gevecht met de Mindflayer was er niet veel van zijn huis overgebleven, en hoewel het vroeg was, was hij samen met El bij hen ingetrokken.
      El – die nu zijn stiefzusje was geworden. Hij mocht El graag, en het was fijn om iemand bij zich te hebben die wist wat hij had meegemaakt. Toch vond hij het lastig dat ze nu altijd in de buurt was, zelfs al gingen ze ieder hun eigen weg.
      Met zijn vijven in een huis wonen – het was gewoon wennen. En na alles wat er gebeurd was, kreeg hij snel hoofdpijn en voelde hij zich verstikt. Al in zijn eerste week hier had hij een favoriet plekje gevonden in het bos dat Willowdale omringde. Het was een stenen ruïne waarvan nog twee muren overeind stonden. Er zaten boogvormige gaten in de wanden, waardoor het hem aan een kasteel deed denken. Een met mos overgroeide trap liep naar boven, en vanaf daar kon hij op de bovenkant van de muur klimmen zodat hij zo’n vier meter boven de grond zat. Daar zat hij het liefst, met zijn tekenblok in zijn schoot. Urenlang kon hij schetsen. De ruïnes vervormden zich dan tot een stevige vesting, paarden galoppeerden over het plaveisel en aanvoerders riepen hun mannen bijeen omdat de vijand in aantocht was. Een rode gloed in de verte kondigde de komst van de Urg’pits aan, vuurorks die alles om zich heen in brand staken.
      Hij miste het bedenken van D&D-campagnes. Hoewel hij besloten had dat hij er te oud voor was, bleven de beelden vaak door zijn hoofd spoken. Op de een of andere manieren moesten ze eruit. Schetsen was een manier, al had hij vaak ook papier bij zich om zijn ideeën op te zetten. Misschien kon hij ooit wel een boek schrijven.
      Hij pakte een groen potlood en begon woudtrollen te tekenen die door de goede partij waren ingelijfd. Anders zou het een ongelijke strijd worden. Bijtend op zijn lip werkte hij verder aan de scène, even vergat hij alles. Het feit dat hij morgen voor het eerst naar zijn nieuwe school moest, de drukte thuis, de nachtmerries die hem uitputten…
      Een tak knapte. Een nare prikkeling gleed langs zijn nek.
      Met een ruk keek hij om. Door de wilde beweging verloor hij zijn evenwicht. Even ving hij een blik op van een in zwart gekleed figuur, daarna graaide hij met zijn vingers naar houvast. Zijn schetsboek gleed van zijn schoot, zijn potlood rolde ervan af en viel naar beneden.
      Met een kreet van angst probeerde hij zijn balans te hervinden, maar het muurtje waarop hij zat was maar smal. Zijn hart klapte pijnlijk in zijn borst toen hij viel. Zijn handen klauwden naar de bovenkant van de muur, zijn nagels schraapten over het ruwe gesteente. Op de een of andere manier slaagde hij erin om zijn benen naar beneden te slingeren zodat hij niet op zijn hoofd zou vallen.
      Even goed was de klap zo hard dat hij direct door zijn benen zakte. Een gruwelijke pijn flitste door zijn enkel en hij schreeuwde het uit. Ook de rest van zijn lijf bonkte tegen de bosgrond. Kermend bleef hij liggen. Sterren flitsten voor zijn ogen, zijn adem zat hoog in zijn keel door de paniek die zich omhoog worstelde. De pijn – oh de pijn!
      Door een waas van tranen zag hij dat er iemand naast hem neerknielde. Degene van wie hij was geschrokken! Zijn tranen van zijn wangen vegend ging hij rechtop zitten, al bleef hij zachtjes snikken.
      ‘Waar heb je pijn?’ vroeg een jongensstem. Heel even raakte de ander zijn knie aan.
      Will wreef in zijn ogen en haalde een paar keer diep adem. Toen keek hij op, recht in de meest ijsblauwe ogen die hij ooit had gezien. Ze behoorden bij een jongen die een paar jaar ouder was dan hij, waarschijnlijk rond de leeftijd van zijn broer. Zijn gezicht was gaaf, zijn huid aan de bleke kant en zijn gitzwarte haar viel stijl naar beneden tot halverwege zijn kaak, waarbij zijn pony rechts opzij was gekamd. In zijn oren droeg hij zwarte knopen. Hij zag er niet bepaald uit als een doorsnee tiener en met zijn zwarte leren jas en donkere spijkerbroek oogde hij eerder als iemand uit een rockband.
      ‘Mijn – mijn enkel,’ hakkelde hij.
      ‘Laat me eens kijken.’
      Will was een beetje verbijsterd dat hier iemand was opgedoken, laat staan dat diegene zo behulpzaam was. De jongen stroopte zijn broekspijp op en begon zijn schoen los te maken. Zijn vingers voelden ijskoud toen hij voorzichtig Wills enkel aftastte.
      ‘Ik denk dat het verstuikt is. Kun je staan?’
      Will probeerde overeind te komen, maar zodra hij zich af probeerde te zetten schoot de pijn door zijn hele been. Tranen brandden in zijn ogen. Hij schaamde zich voor zijn val en staarde naar zijn knieën. ‘Het lukt niet,’ fluisterde hij.
      Wat nu? Moest de jongen een ambulance halen? Moest hij gewoon doorbijten? De jongen liep van hem weg. Even dacht hij dat hij hem aan zijn lot zou overlaten, toen zag Will vanuit zijn ooghoeken dat hij zijn tekeningen bij elkaar raapte.
      Will slikte. Nerveus plukte hij aan een scheurtje aan de zijkant van zijn broek. De jongen reikte hem zijn tas en zijn tekening en schetsblok aan.
      ‘Je kan mooi tekenen.’
      Schichtig keek Will op, bang dat de jongen het spottend bedoelde. Een blos verscheen op zijn wangen toen de ander geen aanstalten maakte om hem uit te lachen. ‘Dank je,’ murmelde hij.
      ‘Ik ben Onyx.’
      Onyx… Het was een vreemde naam, maar het paste op de een of andere manier bij deze jongen die er zo anders en stoer uitzag.
      ‘Will,’ antwoordde hij zacht. Hij pakte de spullen van de jongen aan en deed ze in zijn tas.
      ‘Oké Will.’ Onyx zakte op zijn hurken naast hem neer. Hij legde een hand op zijn schouder en gaf een bemoedigend kneepje. ‘Zullen we nog een keer proberen op te staan?’
      Will haalde even diep adem en knikte toen, wetend dat hij hier niet altijd kon blijven zitten.
      ‘Leun maar op mijn schouder.’
      Het leer van zijn jack plakte tegen Wills klamme hand toen hij zijn schouder vastgreep en probeerde te gaan staan. Zijn gewonde voet ontlastte hij, maar zodra zijn teen de grond lichtjes raakte vlamde de pijn weer op. Hij jammerde zachtjes. Zelfs hinken zou zeer doen. Moedeloos liet hij zich weer naar de grond zakken.
      ‘Het lukt niet. Misschien – misschien trekt het straks weg. Ik – ik wacht wel. Je hoeft niet te blijven.’
      ‘Het wordt bijna donker. Ik laat je hier niet zitten.’ Onyx pakte Wills rugtas en hing die over zijn schouders. ‘Ik til je naar mijn motor.’
      Voor Will kon protesteren, schoof de jongen een arm onder zijn knieën door, klemde de ander om zijn rug en tilde hem op. Will voelde zijn wangen gloeien van schaamte. Om niet weg te glijden sloeg hij een arm om Onyx’ nek.
      Onyx was lang en had een smalle bouw, toch leek het hem geen enkele moeite te kosten om Will te dragen. Hij durfde niet omhoog te kijken en tuurde in plaats daarvan naar zijn knieën.
      ‘Kom je hier uit de buurt?’ vroeg Onyx.
      Takjes kraakten en bladeren verschoven onder zijn voeten. De manier waarop Onyx hem op zijn gemak probeerde te stellen, zorgde dat hij zich veilig bij deze vreemdeling voelde.       Na alles wat hij had meegemaakt had hij vaak naar beschermende armen verlangd.
      Weer voelde hij zijn wangen warm worden. Wat een rare gedachte, hij was Hopper niet. Onyx was maar een paar jaar ouder dan hij.
      ‘Ik ben hier pas naartoe verhuisd,’ antwoordde hij stilletjes, vooral om zichzelf af te leiden van de warboel in zijn hoofd. Zijn wang rustte even tegen Onyx’ schouder, maar zodra hij zich daarvan bewust werd trok hij zijn hoofd vlug een stukje opzij.
      Bijna vertelde hij de ander dat hij uit Hawkins kwam, maar hij zag er op tijd van af. De laatste tijd was zijn geboorteplaats vaak genoeg in het nieuws gekomen, hij wilde liever niet dat iemand hem in verband bracht met de gebeurtenissen die daar hadden plaatsgevonden.
      Hij hief zijn hoofd iets op. Tot zijn opluchting zag hij dat ze de weg naderden. Er stond een glimmende zwarte motor te wachten. Voorzichtig zette Onyx hem neer, Will greep zich meteen aan het voertuig vast. Nu zijn voet naar beneden hing deed het weer meer pijn, maar hij was vastbesloten om zich niet meer te laten kennen.
      De jongen reikte de helm die aan het stuur hing naar hem uit. Met zijn voet nog steeds van de grond stelde zijn balans niet veel voor en toen hij de motor losliet om de helm op te kunnen zetten viel hij bijna om.
      ‘Hier, laat mij maar.’ Onyx pakte de helm weer en zette hem op zijn hoofd. Behendig stelde hij de riempjes af en klikte die onder Wills kin elkaar. Zijn koude handen raakten lichtjes zijn huid en Will voelde een rare kriebel in zijn buik.
      Onyx gaf Will zijn tas terug, gebaarde toen dat Will iets naar achteren moest stappen en zwaaide zijn been toen over de motor.
      ‘Heb je weleens motor gereden?’
      Hij schudde zijn hoofd. Hij vond het zo spannend dat de pijn een beetje wegebde. Moeizaam klom hij achter op de motor. Hij zette zijn ene voet stevig neer op de voetsteun, de ander een stuk voorzichtiger.
      ‘Zolang je rechtop blijft zitten gebeurt er niks. Oké?’
      Will knikte aarzelend toen de jongen hem onderzoekend aankeek.
      Een vlugge grijns gleed over Onyx’ gezicht. ‘Oké dan. Moet ik je naar huis brengen of naar de Eerste Hulp.’
      ‘Doe maar naar huis,’ zei hij zacht. Als de pijn bleef aanhouden kon hij altijd nog naar de dokter. Hij noemde zijn adres op.
      ‘Oké dan.’ Onyx gaf een klopje op zijn knie. ‘Here we go.’
      Hij had de woorden nog niet uitgesproken of de motor begon te brullen. Hij legde zijn handen losjes in Onyx’ zijden en hield gespannen zijn adem in.
      Na een paar minuten ontspande hij iets. Hij durfde wat meer om zich heen te kijken en moest toegeven dat dit toch wel heel gaaf was. Adrenaline schoot door zijn lijf en pas toen de motor voor zijn huis stilstond, dacht hij weer aan zijn verstuikte of gekneusde enkel.
      Voorzichtig liet hij zich van de motor afglijden. Het was maar een paar stappen naar de deur toe, dat redde hij wel. Een beetje opgelaten keek hij Onyx aan.
      ‘Bedankt,’ zei hij uiteindelijk zacht. Zijn blik schoot even naar de ijsblauwe ogen van de jongen. Will wist niet of het door de pijn of de rit kwam, maar plotseling voelde hij zich een beetje misselijk.
      ‘Het was het minste wat ik kon doen. Ik was het tenslotte die je liet schrikken.’
      Juist. Wat had hij daar eigenlijk gedaan?
      Voor hij de vraag hardop kon stellen – aangenomen dat hij dat gedurfd had – laaide het lawaai van de motor weer op. Will hinkte naar achteren.
      Onyx stak zijn hand op, daarna gaf hij gas en reed de straat uit. Will staarde hem na met een mengeling van verwarring en bewondering. Pas toen hij de hoek om was geslagen, draaide hij zich naar de deur toe en hinkte het stukje ernaartoe, zich afvragend of hij Onyx nog eens zou zien.


Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen