Er was iets dat zwaar zou moeten wegen op Aziraphale’s schouders. Het probleem was dat wat het precies was hem totaal ontgaan was ergens na de tweede fles wijn. De Engel zuchtte en leunde tegen de vinger die zachtjes door zijn haar gingen. Een andere hand lag op zijn buik en rees op en neer elke keer als hij ademde. Hij voelde de warmte ervan en het verwarmde iets diep in hem.
      Aziraphale lag, of beter gezegd, was neergelegd, op de schoot van de Demon. Hij was zacht op de bank gelegd, zijn hoofd op de warme schoot als een warm kussen, toen de alcohol hem plezierig gewichtloos liet voelen. De Engel was te vermoeid geweest om te doen alsof hij niet al eeuwen droomde om in deze positie te liggen. Instinctief was hij dichter naar de strakke buik toe gedraaid en duwde zijn neus in de zwarte stof om de geur ervan in te ademen. Aziraphale was vergeten hoe goed het voelde om zo in de schoot van de Demon te liggen, overgelaten aan de genade van diens behendige vingers. Hij had geprobeerd om het te herinneren, af en toe als de duisternis te zwaar werd voor hem, maar elke keer als hij eraan dacht leek de herinnering iets te vervagen, alsof het een droom was en nooit echt was gebeurd.
      Er klonk een scherpe inademing van boven hem, de spieren waar Aziraphale zijn gezicht in had gedrukt, spanden samen. Aziraphale was te ver heen om het hem iets uit te laten maken. Hij kon het excuus gebruikt hebben dat hij zo dronken was, maar dat was het niet. In feite was hij behoorlijk ontnuchterd op het moment dat de zachte handen zich om zijn schouders hadden gekruld en hem naar beneden op de bank geduwd hadden. Het was gewoon… Hij was Crowley waarschijnlijk voor altijd kwijt nu, sinds hij hem opzet pijn had gedaan. Hij zag de emotieloze gele ogen nog steeds zo koud naar hem kijken. Het was waarschijnlijk zijn eigen schuld na wat hij gedaan had in die schoonmaakkast, maar de realisatie deed zoveel pijn.
      Oh.
      Dat was het dan, datgene waar hij de hele avond vermijd had om aan te denken. Zijn ogen schoten omhoog, versuft maar doordringend, zoekend om de gelaatstrekken te vinden en te herinneren voor de laatste keer. Crowley keek naar hem zonder te knipperen en er lag zoveel spijt en pijn in zijn blik. Aziraphale strekte zijn hand uit en legde deze op de wang van Crowley, die lichtelijk in zijn hand leunde, nog altijd zonder te knippen. Alsof hij bang was dat de Engel zou verdwijnen als hij knipperde.
      “Weet je, ik hou toch zoveel van je, dear boy,” dacht hij, gehypnotiseerd door de goudkleurige ogen boven hem.
      Aziraphale glimlachte teder, maar de glimlach vulde zich plots met zoveel droefheid toen hij dacht aan eerder deze avond. Crowley was hem wel komen zoeken en vond de Engel tegen de tijd dat hij in zijn eentje al een hele fles wijn leeg had gedronken en was hem woordeloos bij hem gevoegd voor meer wijn. Hij zag de spijt in zijn blik en had er ook niks van gezegd omdat het best eens hun laatste nacht samen zou kunnen zijn. Nu zag hij Crowley tenminste op een manier waarop hij hiervoor alleen maar gedroomd had en het voelde als een heel bos naast de bloemen van zijn verbeelding. Het duurde langer dan hij bereid was toe te geven tot hij doorhad dat hij de woorden ook echt gezegd had.
      Demons, als een regel, bidden niet. Niemand luisterde en daarbij was het vernederend om de hulp te zoeken van iemand die hen niet vergaf en nooit meer van hen zou houden. Demons boden ook nooit hun excuses aan en ze deden niet aan liefde. Crowley had er al heel lang geleden vrede mee gesloten dat hij elke geschreven of ongeschreven regel zou overtreden als dit zou betekenen dat zijn Engel veilig zou zijn. En toen zei Aziraphale dat hij van hem hield. Aziraphale, die de avond ontzettend dronken geworden was, die hij zo ontzettend veel pijn gedaan had. Zijn Engel, zijn gepijnigde Engel, en toch probeerde hij Crowley troosten. Er zat iets vast in zijn keel, een snik die hij zo wanhopig terug probeerde te dringen. Zijn ogen brandde net als zijn vingertoppen die nog steeds in de krullen van de Engel verstrengeld zaten.
      “Ik hou ook van jou, Angel,” fluisterde hij uiteindelijk.
      Het was niet echt een bekentenis. Zijn toon, licht en plagerig, was hetzelfde als hij dingen zei als ‘het dessert menu alsjeblieft’ en ‘nog een glas, angel?’ en zelfs ‘ik heb tickets voor de opera’. Op een manier betekende ze allemaal hetzelfde. Maar Aziraphale schudde met zijn hoofd, zijn lippen stevig op elkaar geperst in een dunne lijn. De Engel was zo ver gekomen en had niks meer te verliezen. Nu de woorden er eenmaal uit waren leek het alsof ze niet meer terug in zijn hoofd paste, hij wilde dat ook helemaal niet. Hij kneep zijn ogen dicht omdat hij de afwijzing niet nogmaals wilde zien.
      “Ik bedoel dat ik wanhopig en hopeloos van je hou. Al sinds een eeuwigheid, lijkt het wel.”
      De woorden vulden de ruimte tussen hen, dikker dan lucht, en Crowley voelde alsof hij erin verdronk. Hij probeerde elk mogelijk manier te bedenken waarop de Engel dit gemeend had, behalve de meest voor de hand liggende, en kon niks bedenken. Maar Aziraphale kon dat niet, perfecte, prachtige, zijn Aziraphale kon dat niet. Hoop groeide in zijn borstkas en hij stompte erop. Nog niet. Het zou zo vreselijk veel pijn doen als hij het fout had.
      “Aziraphale,” zei hij streng, maar hij vertrok pijnlijk toen hij zag hoe de ander hard op zijn lip beet. “Aziraphale, wordt alsjeblieft nuchter.”
      De ogen van de Engel vlogen open en Crowley realiseerde zich dat deze glommen. Niet door zijn dronkenschap, maar met tranen, die nu in twee banen langs zijn wangen naar beneden begonnen te stromen.
      “Het spijt me,” piepte Aziraphale.
      Hij sprong op van de bank, weg van Crowley’s schoot. Hij stond te trillen op zijn onvaste benen, een trilling die door zijn hele lichaam ging en zelfs voelde in zijn ziel. Hij had het opnieuw geprobeerd en was opnieuw afgewezen en hij haalde er bijna een troost uit om opnieuw hierdoor heen te gaan. De vertrouwdheid ervan, omdat hij dit exacte scenario als duizenden keren beleefd had voelde als een wollen deken om hem heen die hem tegenhield om te breken hier voor de Demon. Niet voor lang, de Engel voelde de verslagenheid als een vloedgolf inslaan.
      “Het spijt me,” zei hij opnieuw en hij meende het. “Ik weet dat jij het niet zo voelt en dat is goed. Ik moet gewoon… Ik moet gewoon weg. Nu.”
      Zijn stem brak terwijl hij naar de voordeur liep. Het was zijn flat, maar het voelde alsof hij hier weg moest. Crowley was ook opgestaan van de bank en stond voor hem, plotseling bevroren door de woorden die Aziraphale net gesproken had. Hij zag eruit als een Viper, versuft, maar klaar om toe te slaan. Aziraphale wist dat hij weg moest gaan voordat dat gebeurde. Afwijzing was vreselijk, maar de Demon die hem probeerde te troosten en het beter probeerde te maken, dat was nog veel erger.
      “Wat bedoel je dat ik me niet zo voel?” Crowley’s stem klonk alsof het van veraf kwam, maar hij stond bij de Engel en had zijn polsen vastgegrepen. Aziraphale probeerde zich los te wurmen, maar Crowley was te sterk. Soms vergat hij wel eens dat hij een Demon was. “Waarom zou ik niet van jou kunnen houden?” gromde hij, zijn grip verstevigend voor een seconde, tot een huivering ervoor zorgde dat zijn grip instinctief verslapte. “Omdat ik een Demon ben?”
      Het deed pijn. Crowley had dat al zo vaak tegen zichzelf gezegd dat hij verwacht had dat hij er ondertussen wel immuun voor zou zijn. Op de een of andere manier deed het zelfs nog meer pijn als het kwam van de lippen waarvan hij al millennia droomde om ze te kussen. Het brandde en hij hield van branden, zou het niet erg vinden om zichzelf pijn te doen om zichzelf eraan te herinneren wat zijn plek was. Maar deze woorden branden als holy water.
      De vraag zorgde ervoor dat Aziraphale stopte om zichzelf los proberen te wrikken uit Crowley’s grip omdat het zo belachelijk was. Hij had de ander een echte Demon beschouwd voor zo’n korte tijd dat in de lange tijd dat ze elkaar kenden, het leek alsof het een vluchtige gedachte geweest was. Om hier te staan en ervan beschuldigd te worden, terwijl hij het liefst in een hoopje in elkaar wilde zakken en wilde huilen, zorgde ervoor dat hij de woede op zijn tong kon proeven.
      “Nee!” kwam het grauwend uit zijn mond en Crowley’s ogen werden groter terwijl de vingers nu dringend aan de polsen trokken. “Je kent me beter dan iets te veronderstellen. Maar ik ben een Engel Crowley, ik had het moeten kunnen voelen als jij… En ik heb het geprobeerd, ik heb geprobeerd om ook maar de kleinste verandering verandering te voelen, ook maar iets dat had laten zien dat het mogelijk was.”
      Crowley stommelde naar achteren, zijn gezicht zo wit dat het bijna transparant leek. “Dat kan niet,” zei hij en hij schudde zijn hoofd.
      De Engel moest het wel fout hebben. De Demon hield van hem, meer dan hij ooit van iets gehouden had, zelfs meer dan toen hij een Engel was en vermogen had om van alles zo makkelijk te houden als ademen. Crowley had Aziraphale losgelaten en hij kon nu weg, er was niks om hem tegen te houden, behalve millennia van pijn en verlangen.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen