“Denk je niet dat ik het niet probeerde? Sinds de Tuin heb je zelfs niet eens voor een seconde verandert wat je voor me voelt.”
      Zijn stem was hoog en overgoten met woede, maar de laatste woorden waren niets dan een fluistering. Hij had dit nog nooit toegegeven, zelfs niet aan zichzelf. De Engel wist niet welk spelletje Crowley aan het spelen was, dat hij hem dit allemaal liet onthullen, alsof de Demon het niet wist, maar het deed pijn. Hij kon zijn hart in een miljoen stukjes voelen breken en elk stukje deed pijn. Plotseling zakte Crowley’s schouder en zijn gezicht had een verslagen uitdrukking. Hij zette een stap naar achteren tot hij tegen een muur stond om hem overeind te houden. De realisatie maakte hem duizelig. Aziraphale hield van hem. Het meest goddelijke wezen in de hele schepping had ervoor gekozen om zelfs het kleinste beetje liefde aan hem te geven, iets waar hij zo lang naar gesmacht had.
      “Je basssseert dit op de Tuin?” siste hij, zijn stem hees en rauw. Hij wilde hem overtuigen dat hij hetzelfde voelde en dan zou hij hem eindelijk hebben. Dan kon hij hem aanraken en kussen.
      “Natuurlijk,” antwoordde de Engel verontwaardigd. Het was zijn taak om andermans gevoelens aan te voelen, hij was niet incompetent. Hij voelde zich nerveus en oncomfortabel. Het gesprek ging een onbekende kant op en Aziraphale voelde zich verloren alsof hij zich plotseling op glad ijs begaf, voorzichtig voor barsten en niet zeker hoe hij daar gekomen was. “Ik heb een basis nodig.”
      “Dat heb je nooit nodig met mensen,” probeerde Crowley hem zachtjes aan te sporen om uit te vinden waar alles zo compleet fout gegaan was. Hij kon zijn aanraking en woorden gebruiken om de Engel van zijn liefde te verzekeren, maar hij verlangde ernaar om het goed te doen, om hem te laten zien hoe diep zijn gevoelens waren, hoe oud zijn liefde was.
      “Je bent niet menselijk, toch?” zei Aziraphale geïrriteerd. Hij had het idee dat ze in cirkels gingen nu, maar er was iets vreemds kalmerends aan de manier waarop Crowley naar hem keek, zo open en eerlijk en de Engel wist dat ze dat nodig hadden, ze moesten erover praten, ook al zouden ze elkaar daarna nooit meer zien.
      “En als ik dat wel was?” ging Crowley erop in en hij probeerde het ongeduld uit zijn stem te houden.
      Aziraphale sloeg zijn armen over elkaar en hij wist niet zeker of dat was uit zelfbescherming of omdat hij geïrriteerd raakte. Waar hij wel zeker van was, was dat zijn hart zo luid in zijn borstkas klopte dat Crowley het wel moest horen. Een seconde lang had hij het idee dat de ander hem aan het martelen was, maar dat zou hij niet doen. Hij zou toch niet opnieuw zo wreed zijn? Er was vast een punt dat de Demon probeerde te maken en de Engel gaf toe, alleen omdat het alternatief niet veel beter was. Dan zou Crowley weggaan en hij zou hem nooit meer zien.
      “Dat is dwaas! Mensen zijn anders,” wees hij Crowley terecht. Niemand zei echter dat het nodig was dat hij het leuk vond om toe te geven en deel te nemen aan dit gesprek.
      “Dus hoe voelde ik al die millennia geleden? In de Tuin?”
      Aziraphale werd rood. “Ik… Ik heb niet gekeken. We hadden elkaar net ontmoet, dat zou onbeleefd zijn geweest.”
      Crowley probeerde de neiging om aan zijn haar trekken en te grommen te onderdrukken, wetend hoe dat eruit zou moeten zien voor de Engel. De ander was zo dichtbij de deur, een stap terug en hij was weg en Crowley wilde dat absoluut niet. Hij wilde niks anders dan de Engel in zijn armen houden en zich ervan verzekeren dat dit geen droom was, want het voelde als een droom, surrealistisch en vaag.
      “Dus je hebt een mooi muurtje eromheen gebouwd en hebt deze bewaakt. Nooit de moeite genomen om het te controleren?”
      Crowley was er zo op gefocust om niet te vloeken dat hij niet doorhad hoe koud en snijdend zijn stem eruit kwam. Zijn handen waren tegen de muur aangedrukt en lieten verschroeide handpalmen achter. Hij hield zichzelf tegen met al zijn wilskracht want het enige wat hij wilde was de paar stappen tussen hen overbruggen. Maar Crowley’s woorden sneden wel, als ijs dat door zijn bloed stroomde en hij nam een stuk terug terwijl hij naar de deurkruk reikte. Hij snapte niet waarom de Demon zo deed en hem beschuldigde van zoiets. Verweet hem dat hij van Crowley hield, omdat hij iets van de ander vroeg dat deze nooit kon geven, dat verdiende Aziraphale. Hij had de last allang geaccepteerd. Maar beschuldig hem niet van dit, wat dit ook was, wat Crowley ook probeerde te zeggen.
      “We kenden elkaar pas vijf minuten. Er was niks, my de-Crowley,” jammerde hij zacht, meer tegen zichzelf dan iemand anders.
      Er was niks en er was nooit wat geweest en pas toen hij dat zei besefte hij wat de ander aan het doen was. De Demon probeerde hem iets te vertellen en leidde hem naar de vragen die hij zou moeten stellen. Misschien was dit gewoon om te laten zien dat hij niet van Aziraphale hield en dit nooit zou doen en dit zijn manier was zonder dat direct te zeggen. Zijn idee van genade.
      “Probeer het.”
      Crowley klonk wanhopig, zijn blik stond een beetje wild. Aziraphale schudde zijn hoofd en kneep zijn ogen dicht, hij kon niet langer naar de Demon voor zich kijken. Welk spelletje hij ook speelde, hij vond het niet leuk en met elke seconde leek zijn lichaam zwakker te worden, alsof hij al zijn energie erop focuste om niet te breken voor zijn vriend.
      “Alsjeblieft,” smeekte de Demon.
      De Engel kon geen nee meer zeggen, niet als Crowley zo klonk. Hij reikte uit met zijn grace zoals hij al een miljoen keer gedaan had. Net als de eerste keer, 527 jaar en 3 dagen na Noah’s ark, de eerste keer nadat hij zichzelf had toegestaan om Crowley te ontmoeten nadat dat gevoel wortel had geschoten in zijn borst. Net als de eerste keer voelde hij absoluut niks. Er was pijn, sterk en bloedend, de hele essentie van trilde in één onafgebroken, martelende schreeuw. Het deed pijn, maar het was beter dan vroeger herinnerde hij zich, het gejank enkel een fluistering van wat het ooit was, hoewel het luider klonk dan de laatste keer. Er was hoop, weggestopt in een hoekje en niet in staat om iets te bereiken. Behalve dat was niks anders dan een kaalte die zich uitstrekte en het deed pijn.
      Aziraphale voelde de muur, de lijn in het zand die hij getrokken had om wat Crowley gevoeld had in de Tuin. Hij duwde ertegen, eerst zachtjes, daarna krachtig, maar het bleef hetzelfde, het stond op wacht over de gevoelens van zo lang geleden, dicht als een neutronenster. Waarschijnlijk omdat er gewoon niks was. De Engel wilde het opgeven en terug komen met tranen op zijn wangen en met een nieuwe pijn in zijn hart, maar Crowley had hem gesmeekt. Crowley dacht dat dit het waard was. Hij kneep zijn ogen nog verder dicht en beeldde zich een deur in, in plaats van een muur. Zonder er teveel over na te denken, zag hij zichzelf over de drempel stappen.
      Aziraphale was al zo lang een Engel en had enkele mogelijke vorm van liefde op Aarde gevoeld. De Grieken zeiden dat er zeven waren. Zwevend tussen het licht wist hij beter. Hij voelde met elke golf die over hem heen spoelde een nieuwe sensatie. Er was een gerommel van oude liefde, teder en constant, een rivier die zijn weg eeuwen geleden gevonden had. De onzekerheid van nieuwe liefde, meer pijnlijk dan plezierig, maar stevig en hoopvol. De Engel moest een scherpe ademhaling onderdrukken toen hij lust voelde, de manier waarop Crowley hem nodig had en voelde zo geïntegreerd in zijn ziel als de noodzaak om te leven maar toch afgezonderd van alles. Lust was lust, vond Aziraphale, maar deze was anders op de een of andere manier. De Demons verlangen om hem uit elkaar te scheuren en van zijn lichaam te drinken was brandend en overheersend, maar hetzelfde gold voor de noodzaak die Crowley voelde om hem te zien lachen, hem dichtbij te houden en te beschermen met zijn vleugels. Het viel allemaal samen, zo onschuldig en toch ook weer niet, maar allemaal opgesloten.
      Er was zoveel meer, liefde die geen sterveling ooit kon ervaren, liefde die Aziraphale alleen in zijn eigen hart gevoeld had. Het omhulde hem, zong voor hem, aanbad hem. Aziraphale besefte dat hij zo diep gegraven had dat hij voorbij Crowley’s aura gegaan was verder dan de futiliteit van gevoelens. Geen wonder dat hij dit nog nooit eerder wist te bereiken. Het was de Demons essentie en het verwelkomde Aziraphale alsof hij deel van hemzelf was. Hij vroeg zich af of dit hetzelfde was als dat Zij (de Almachtige) voelde en de plotselinge gedachte zorgde ervoor dat hij terugkwam in de realiteit. Hij zat op zijn knieën op de vloer, zijn handen trilden terwijl ze zijn korte krullen vasthielden en tranen stroomden over zijn gezicht. Crowley zat naast hem en wreef over zijn rug.
      “Alsjeblieft, Angel, niet huilen, alsjeblieft,” smeekte de Demon, zijn stem sloeg over alsof hij zichzelf bij elkaar probeerde te houden. “Ik doe alles, maar stop alsjeblieft met huilen. Het spijt me, het spijt me zo erg. Ik ga weg, wat dan ook, alsjeblieft.”
      Zijn woorden hielp niet, Aziraphale’s gesnik werd enkel luider en hij voelde het door zijn hele lichaam. Crowley voelde zijn hart in stukjes breken. De Demon was een fucking idioot, hij was Aziraphale kwijt geraakt voordat hij hem kon hebben. De Engel had gezegd dat hij van hem hield en daar was hij dan, ontblootte al zijn gevoelens, behoeftes en verlangens die niemand ooit zou moeten dragen met zijn stomme, lelijke ziel. Crowley had hem opnieuw weggejaagd en hij wilde Aziraphale vertellen dat hij niet hetzelfde hoefde te voelen, hij zou genoegen nemen met alles dat de Engel hem wel wilde geven. Maar hij had het idee dat hij het recht om iets te willen verloren had. Dus bleef hij over Aziraphale’s rug wrijven terwijl hij wachtte tot hij kalmeerde.
      “Het spijt me zo erg, my dear,” zei de Engel een paar minuten later. “Het ziet ernaar uit dat ik er een behoorlijke puinhoop van gemaakt heb.”
      Aziraphale keek naar hem, zijn blauwe ogen nu helder en doorweven met liefde. De kracht van zijn blik zorgde ervoor dat Crowley bijna omver geblazen werd. Het voelde als een vermoeide fantasie toen de Engel naar hem uitreikte en hem dichterbij trok. Er waren nog steeds tranen die glinsterde op zijn wangen. Crowley kuste ze zachtjes weg en hij verwachtte dat Aziraphale hem zou stoppen.
      “Noah’s ark,” fluisterde Aziraphale.
      Crowley voelde de woorden als een warme adem op zijn huid en maakte een ontwijkend geluid. Hij stal meer kussen op de wangen van Aziraphale die ondertussen droog was. De ander huiverde tegen hem aan. Het was zo’n bekend gezicht, maar Crowley had er nooit van kunnen genieten.
      “Dat is wanneer ik… Jij was daar en je was bezorgd en ik weet nog dat ik dacht ‘ik hou van hem’ en het brandde en deed pijn. Ik had nog nooit liefde gevoeld zoals dat en ik was bang. Het duurde een paar eeuwen voordat ik het begreep maar…” Aziraphale keek hem bijna verlegen aan. “toen werd ik verliefd op je.”
      Crowley staarde naar hem. Hij voelde zich opnieuw alsof hij niet kon ademen terwijl het universum zichzelf opvouwde en het licht zwakker werd. De Demon lachte en het was geen mooi lach. Zijn benen trilden niet toen hij opstond. Daar was later tijd voor, net als voor huilen, zei hij tegen zichzelf toen hij zijn ogen voelde branden.
      “Crowley?” vroeg het ding dat eruit zag als Aziraphale met een aarzeling in zijn stem. De Demon voelde bijna medelijden. Bijna.
      Crowley kon wel geloven dat de Engel van hem hield. Ze waren zo lang samen op Aarde geweest, het enige constante in elkaars leven. Aziraphale voelde zich soms eenzaam en dan was hij daar, dat was de realiteit. Maar dat de Engel al 5000 jaar van hem hield? Nee, zelfs Crowley kon dat zichzelf niet laten geloven, ook al wilde hij dat zo graag, zijn hele lichaam schreeuwde erom en bijna had hij gezegd ‘fuck dit’ en was hij erin meegegaan. Bijna, want wat dit ding ook was, het zag er hetzelfde uit, smaakte hetzelfde. Niemand zou hem kunnen verwijten dat hij eraan wilde toegeven, ook al was het maar een klein beetje. Hij zou ok zijn met de marteling die daarna zou volgen, hij zou er zelfs graag mee doorgaan als dat zou betekenen dat hij Aziraphale nog één keer kon vasthouden. Tot hij besefte dat als hij in Hel was, ze zeker weten de Engel ook ergens moesten hebben en ze zouden zeker weten niet zo aardig zijn met hun marteling als de Demon voor hem was.
      “Ik moet het toegeven,” begon hij, bijna vrolijk. “Dat was een geweldig toneelspel. Je had hem perfect. Overdreef het liefdes gedeelte echter.” Crowley knipoogde, vooral zodat de tranen niet uit zijn ogen zouden lopen. “Nu, als je het niet erg vind wil ik graag weg.”
      “Ik… ik weet niet,” stamelde Aziraphale terwijl hij overeind kwam en zichzelf tussen Crowley en de deur zette. “Cro-”
      De Demon liet hem zijn naam niet zeggen en sloeg hem in plaats daarvan hard tegen de deur aan, zijn vingers om zijn kraag van zijn jas gekruld en tilde hem een stukje van de vloer. Zijn nagels waren donker, lang en scherp en zo dichtbij zijn nek dat ze de huid konden doorboren.
      “Luisssster naar me,” gromde Crowley in een stem die hij nog nooit tegen Aziraphale gebruikt had.
Het klonk onheilspellend en verachtelijk met een vreemde echo in de kamer die plots ijskoud aanvoelde. Zijn stem ging recht door de Engel heen, recht naar het kleine stukje in zijn brein dat hem verlamde met angst. Hij kon niks anders doen dan naar de Demon staren. Iets onder zijn huid bewoog, draaiend, voordat het iridescent werd. Crowley duwde hem harder tegen de deur aan en verder omhoog, de nagels prikte in zijn nek. Nog iets meer druk en het zou pijn gaan doen.
      “Ik weet niet wie ze hebben gezegd die je zou gaan martelen, mijn vriend, maar de enige reden dat je nog niet in een miljoen stukjesssss gescheurd bent, is omdat je de huid van een goede vriend van me draagt. Als je niet ssssnel opzij gaat, vermoord ik je me met mijn ogen dicht. Dus zeg het maar.”
      De Demon bewoog zich zo dichtbij dat hun neuzen elkaar raakten, zijn gevorkte tong schoot zijn mond uit tussen zijn scherpe tanden vandaan, over de wang van de ander. Aziraphale probeerde zichzelf eraan te herinneren dat het nog steeds Crowley was, goede oude, domme Crowley die soms vergat te ontnuchteren en dan de hele dag er over zeurde, die extreem koud werd tijdens de winter en de Engel moest hem alsnog ervan overtuigen om tenminste iets aan te trekken dat zijn borst bedekte. Crowley, die schijnbaar dacht dat hij zijn hele wereld was.
      Hij kuste hem. Wat kon hij anders doen? Het was hard en straffend, de tong van Demon dwong zijn lippen open, net als dat zijn benen zijn heupen open duwden. Aziraphale smolt nog steeds in de kus. Toen Crowley zich terug trok, wist de Engel dat hij maar een enkel moment had om iets te doen. De kus was niet genoeg geweest om de ander te overtuigen, natuurlijk niet. De Demon duwde de Engel weer hard tegen de deur aan, zijn pupillen vernauwend.
      “Voel het,” smeekte Aziraphale. “Je was ooit een Engel.”
      Het was genoeg om de ander te overrompelen. De Demon liet de Engel los en sprong zowat achteruit, uit het bereik van de ander en zijn vingers gebald in een vuist.
      “Dat was een hele lange tijd geleden,” zei hij verslagen.
      “Alsjeblieft,” smeekte de ander.
      Misschien was het de Engel helemaal niet, maar Crowley kon toch geen nee zeggen tegen die stem. Hij voelde zich bespottelijk terwijl hij probeerde om een grace te gebruiken die hij niet langer bezat, om iets te doen wat hij al millennia lang niet meer gedaan had. Hij wist niet eens of hij het wel goed deed. Zelfs als het werkte, realiseerde hij zich grimmig, dan zou het niet hetzelfde zijn. Hij miste de capaciteit om liefde te voelen zoals Engelen dat konden, het meeste dat hij kon voelen was een vlekje van licht, de flikkering van een vuurvliegje, zelfs als de ander echt van hem hield.
      Crowley zag de sterren. Toen hij ze maakte had hij altijd genoten van het gevoel van atomen in zijn handen, de zachte warmte die ze af gaven. Elke had zijn eigen intensiteit, zo klein in de handen van een wezen die ouder was dan het universum maar met de mogelijkheid om zoveel leven ondersteunen. Het voelde nu hetzelfde, Aziraphale’s liefde voor hem was als heelal, elke ster een supernova, brandend met de liefde die hij voelde voor de Demon. Hij voelde het kloppend door zijn hele lichaam en snapte nu waarom de Engel eerder huilde.
      “Aziraphale?” vroeg hij voorzichtig, hun ogen ontmoetten elkaar. “Je houdt van me?”
      Zijn adem raakte ergens tussen zijn longen en zijn mond verdwaald. Hij wilde vragen waarom en waar hij dit aan verdiend had, maar hield wijselijk zijn mond. Hij had het idee dat de Engel dit niet erg zou waarderen. De Engel glimlachte nu naar hem en Crowley besefte dat hij nu naar hem mocht kijken, misschien hem zelfs aanraken. Hij stapte dichterbij en liet zijn hand door het zachte haar van de Engel gaan terwijl hij hun blik niet verbrak.
      “Kus me, gekke oude serpent,” zuchtte Aziraphale.
      Ze kusten. Ze hadden al vaker gekust, maar dit was anders. Het was bijna alsof hun zielen naar elkaar reikten en uit hun lichaam probeerden te ontsnappen en zich met elkaar vermengden tot ze niet meer wisten wat van wie was. Crowley’s handen duwden tegen kleding, volgden de rondingen waarvan hij al zolang droomde. Zijn vingers branden met het verlangen om de knopen eraf te trekken en de warme huid aan te raken, maar hij kon het niet.       Hij kon niet weer te snel gaan, dit was te belangrijk.
      “Nee,” gromde de Engel tegen zijn lippen.
      Crowley rilde van de vibratie die zijn gegrom door zijn lichaam liet gaan voordat hij doorhad wat de ander gezegd had. Zijn ogen schoten ogen en hij trok zijn handen terug alsof hij ze verbrand had. Aziraphale’s blik verzachtte gelijk en een vinger kwam omhoog om de lijn van Crowley’s kaak te volgen voordat hij ook maar de kans had om te bedenken wat er mis gegaan was, of hij het weer verpest had. Voordat hij kon smeken om nog eens kans.
      “Niks van dit nu, alsjeblieft,” klonk het ademloos van de ander en Crowley wilde hem weer kussen, hem tegen de muur duwen en hem nemen zoals hij zichzelf nooit toegestaan had. In plaats daarvan wachtte hij geduldig en Aziraphale zuchtte. “My love, hou jezelf alsjeblieft niet terug voor mij. Ik wil alles van je voelen.”
      Crowley rilde opnieuw. Hij was niet zeker of dat kwam vanwege zijn woorden, het koosnaampje dat van de lippen van de Engel vielen alsof ze daar hoorden of misschien vanwege de anders vingertoppen die net onder het slangen teken rustten, een waarschuwing voor iedereen om weg te blijven, maar Aziraphale was er nooit goed geweest in bevelen opvolgen. Hij leunde naar voren om hun lippen nogmaals op elkaar te duwen, maar een hand wikkelde zich in de rode lokken van de Demon en hielden hem tegen, de Engel hield zijn blik op de mond van hem gericht.
      Het duurde even voordat Crowley besefte wat de ander van hem vroeg en hij deed het, bijna verlegen. Hij wilde niet de ander afschrikken of herinneren aan zijn ware zelf, niet nu, niet minuten nadat hij de Engel hard tegen de deur had aangeduwt en full Demon op hem gegaan was. Maar bij het zien van zijn gevorkte tong, die uit zichzelf tussen zijn lippen vandaan kwam en de lucht tussen hen proefde, de hitte tussen hun lichamen, zuchtte Aziraphale tevreden en trok hem dichterbij.
      “Je weet toch wel dat ik zoveel van je hou, my dear Demon.”
      De Engel had geen recht om zo fatsoenlijk te klinken, zo eerbiedig, terwijl hij daar zo stond, zijn vest weg, zijn vlinderdas scheef en zijn shirt half geopend. Crowley herinnerde zich niet dat hij de Engel half uitgekleed had, maar hij had het zeker weten gedaan want in de zijkant van zijn shirt zat een scheur. Morgen zou Aziraphale hem daar zeker voor laten betalen.
De Demon wist wat er van hem verwacht werd. Hij had de liefde gevoeld en het verborgen in een duister hoekje van zijn ziel en was er niet zeker van of hij ooit zou stoppen met dat voelen. Maar hij had millennia lang doorgebracht met het idee dat hij nooit geliefd zou zijn, dat hij dat niet kon, dat zelfs Aziraphale niet zo vergevend kon zijn. Sommige oude gewoontes waren moeilijk om af te leren. Hij lachte, al klonk het meer als een snik, en drukte hun voorhoofden tegen elkaar.
      “Nee. Nee, ik weet het echt niet. De enige reden waarom ik geloof dat ik niet meer in Hel ben, is omdat niemand van die idioten genoeg voorstellingsvermogen heeft om van een Demon te vragen wat jij me vroeg, proberen te voelen zoals alleen een Engel kan.”
      Voor nu deed niks ertoe. Niks anders dan de manier waarop hun lichamen zo goed samen pasten, eindelijk compleet.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen