Crowley and Aziraphale waren snel teruggekeerd naar Londen, waar ze zich beiden thuis voelden. Voor de verandering waren ze bij Crowley in plaats van de boekenwinkel, Aziraphale had erop gestaan dat ze daar heen gingen Ze waren nog niet zo lang geleden in zijn flat in Mayfair aangekomen en zijn Engel had zijn bed al in beslag genomen na een lange dag reizen. Normaal gesproken sliep hij niet veel, maar af en toe maakte hij een uitzondering.
      Crowley was zijn tanden aan het poetsen. Ook dit hoefde hij eigenlijk niet te doen, maar er was iets geruststellends aan dit menselijke concept. Hij liep ook heen en weer tussen de badkamer en de slaapkamer. Hij had tegen zichzelf gezegd dat dat was omdat hij bang was dat de Hemel misschien terug kon komen voor zijn Engel. Zijn Engel die nu diep sliep, om een van Crowley’s kussens gekruld, zijn pyjamashirt over zijn zachte bovenbenen getrokken, niet dat de Demon daarnaar aan het staren was. Ja, hij maakte zich zorgen. Dat was het.
      Het was zeker niet, hij kon aan zichzelf toegeven dat het totaal irrationeel was, hij verwachtte dat de Engel plotseling bij zinnen zou komen en weggaan na alles wat er gebeurd was, wat Crowley hem aangedaan had. Het was dom en idioot, hij had de liefde gevoeld, hij kon het zien als hij Aziraphale aankeek. Maar de Demon voelde nog steeds alsof het een truck was op de een of andere manier. Hij weigerde nog steeds om over de laatste 6000 jaar te praten alsof dat alles zou veranderen.
      Het was tijdens een van deze angst gerelateerde trips naar de slaapkamer dat zijn ogen op een beeld van een vogel, met zijn vleugels wijd open, bleven hangen. Hij staarde. Het was al even geleden dat hij naar de ingestorte kerk geslopen was en het had gestolen en hij was alweer bijna vergeten waarom hij dat gedaan had. Waarom hij hem had. Die dag was vreselijk geweest, alle dagen waren vreselijk geweest toen zijn Engel zo lang sliep, en aangedreven door alcohol en zijn eigen zelfhaat had hij het gestolen. Hij had het in zijn gang gezet, ergens waar hij het altijd kon zien, om zichzelf eraan te herinneren dat het niet uitmaakte wat hij deed of hoe goed hij probeerde te zijn, zijn Engel zou niet van hem houden. Dat Aziraphale hem kende zoals niemand anders hem kende en hierdoor ook wist hoe ellendig en gebroken en verdoemd hij was
      Maar nu keek Crowley ernaar alsof hij het voor het eerst zag. De herinnering aan die nacht speelde zich opnieuw door zijn hoofd heen, maar anders door de recente gebeurtenissen. Hij rende bijna terug naar de slaapkamer en wenste de tandenborstel en tandpasta weg. Aziraphale sliep nog met het kussen stevig vastgegrepen en Crowley moest zichzelf eraan herinneren dat hij niet jaloers kon zijn op een kussen. Zeker niet nu, nu hij zich opnieuw realiseerde dat de Engel die op zijn zijden lakens lag, de zijne zou zijn voor de rest van de tijd.
      “Je zei dat je van me hield,” zei hij zacht, vreugde klonk door in zijn stem en hij probeerde het voor eens niet te verbergen.
      Hij ging op de rand van het bed zitten en keek toe hoe Aziraphale bewoog en zijn hand blind naar de bron van de stem reikte. Crowley pakte de hand vast en verstrengelde hun vingers. De Engel knipperde wazig terwijl hij nog half sliep, maar straalde een glimlach naar hem.
      “My love, er moet een punt komen dat je moet ophouden met zo verbaasd zijn.”
      Crowley bracht zijn hand naar zijn mond en kuste de knokkels van de ander. Hij schudde met zijn hoofd.
      “Niet nu. 1942. Na de kerk. Je zei dat je van me hield en ik… ik wuifde het weg als een grap.” Crowley schudde opnieuw met zijn hoofd. “Ik had je al zo lang kunnen hebben, decennium, eeuwen zelfs, als ik gewoon naar je geluisterd had.”
      De Engel liet zijn vingers los en voor een vreselijk moment luisterde Crowley naar het gedeelte van zijn hoofd dat zei dat hij het verpest had, hij had hem eraan herinnert dat het allemaal zijn schuld was. Voordat hij er iets mee kon gleed er een hand over zijn wang, hield hem vast met zo’n tederheid dat hij iets warms in zijn ogen voelden prikken.
      “Dat is misschien wel zo, my dear, maar ik was niet veel beter. Alles wat je ooit gedaan hebt, elk woord dat je tegen me gezegd hebt, hadden me kunnen laten zien hoeveel je om me gaf. Volgens mij zijn we allebei idioten, te blind om te zien wat recht voor onze neus stond.”
      Aziraphale glimlachte naar hem, zacht en aanbiddend. Crowley boog voorover en kuste hem. Misschien kon hij eindelijk accepteren dat zijn perfecte, lieve Engel echt van hem hield en altijd van hem gehouden had.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen