Foto bij Het eiland Trisda

Malia opende haar ogen, maar ze hield ze liever dicht. Deze dag zal niet anders zijn dan andere, koud, nat en vooral eenzaam. De toren waar Malia woonde was afgesloten van de rest van het kasteel. Haar vader had Malia hier opgesloten toen ze twaalf was geworden. Waarom? Om haar maagdelijkheid te beschermen, zodat ze kon trouwen met een welvarende graaf of prins. Iets waar Malia al van jongs af aan een afkeur voor had, ze wilde liefde, passie en avontuur. Maar haar vader had al van jongs af aan in Malia haar hoofd geprent dat dit geen keuze was, ze moest wel luisteren naar de gouverneur van Trisda. Haar moeder kon haar niet helpen, ze was weggelopen toen Malia een meisje van zes was. Ze had Malia beloofd haar hier weg te halen wanneer het de tijd was. Maar er waren al jaren voorbij gegaan en Malia had nooit een brief of een ander woord van haar moeder ontvangen. Ze had de hoop opgegeven en kwam ik een diep dal toen ze in deze toren werd opgesloten. Niemand om mee te praten, behalve de bedienden en lijfwachten. Zo nu en dan was een lijfwacht zo aardig haar naar buiten te laten als haar vader niet op het eiland was. Dat gebeurde een keer in elk seizoen. Al bijna zes jaar zat ze in de toren, eenzaam en alleen. Wachtend tot haar vader een goede kandidaat had gevonden die ze kon trouwen. Het enige waar Malia zich mee bezig had gehouden die jaren was een plan om te ontsnappen, maar alle plannen leken in het niets te vallen zodra haar vader in beeld kwam. ‘Dat heb je niet van vreemden.’ Had haar vader meerdere malen herhaald. Hij liet haar altijd geloven dat ze sprekend op haar moeder leek, innerlijk en uiterlijk. Malia dacht soms dat haar vader haar alleen opsloot, omdat hij bang was dat ze weg zou lopen zoals haar moeder of omdat ze zo op haar moeder leek en haar vader steeds aan haar werd herinnerd door Malia. ‘Rapunzel, Rapunzel.. laat neer je haar!’ Hoorde ze uit het grote raam van de toren komen. ‘Of gaat dat sprookje anders?’ Ging die persoon verder. Malia grinnikte een keer en stak haar hoofd uit het raam. ‘Oh daar is de schone slaapster.’ De woorden kwamen uit de mond van een knappen jonge man die onderaan de toren naar boven stond te kijken met een grijns van oor tot oor. Hij heeft bruin krullend haar en de ochtendzon zorgde voor een glinstering in zijn mooi groene ogen. ‘Ik denk dat je de sprookjes nu door elkaar haalt,’ zei Malia. De jongen lachte een keer. ‘Ik kom u verlossen van uw toren,’ zei de jongen en hij liep rond de toren voor een opening. ‘Je kunt lang zoeken,’ zei Malia. ‘De opening is onder de grond, je kunt naar binnen van af de rotsen op het strand.’ De jongen krapte een keer op zijn achterhoofd en keek om zich heen. ‘Ik had kunnen verwachten dat het niet zo makkelijk zou zijn,’ zei hij daarna. ‘Hou vol jongedame!,’ vervolgde hij voor hij uit het zicht verdween. Ook al zou hij de tunnel vinden, dan kwam hij ook lijfwachten tegen. Het zal niet zo makkelijk zijn om haar uit de toren te bevrijden. Malia probeerde niet enthousiast te zijn. Er waren al vaker mannen van het eiland geweest die haar hadden geprobeerd te bevrijden, het was tot nu toe nog niemand gelukt. Een paar harde kloppen op de deur haalde haar uit haar gedachten. ‘De deur zit van buiten op slot,’ zei ze. Ze hoorde gepruts aan het slot en voor ze het wist ging de deur met een harde zwaai open. Malia stond met een ruk op van haar bed. De jongeman stond voor haar neus. ‘Hoe ben je hier gekomen met al die lijfwachten?’ Vroeg ze verbaast. De jongen keek haar een keer grijnzend aan en stak toen zijn hand uit. ‘Geen tijd voor vragen, ik zal ze later allemaal beantwoorden. We moeten nu echter met haast naar de haven, naar mijn schip voor uw vader doorheeft wat er gebeurt.’ Malia keek twijfelend naar zijn hand. Het was nog niemand gelukt tot nu toe, maar kon ze deze jongen vertrouwen? ‘Ik beloof dat ik u in veiligheid breng,’ zei de jongen, proberend Malia gerust te stellen. Ze was nog niet helemaal overtuigd, maar nam zijn hand toch aan. De jongen trok haar mee en ze zetten het op een rennen. Met haar andere hand probeerde Malia haar jurk op te tillen zodat ze niet struikelde. Ze renden de tunnel door en kwamen uit op het strand. In de verte zag ze een grote groep lijfwachten richting de tunnel rennen. De jongen begon te vloeken en verstevigde zijn grip om haar hand. ‘Probeer me bij te houden,’ zei hij en trok haar de andere richting van het strand op. ‘Als ze ons te pakken krijgen heb je een groot probleem met mijn vader,’ zei Malia. De jongen grinnikte een keer, maar gaf geen antwoord. Ze renden richting de haven. Malia zag grote en kleine schepen. Er was een schip dat bewoog en ze zag de jongen er lachend naar kijken. Hij kwam tot stilstand en draaide zich naar Malia. ‘Niet schrikken,’ zei hij terwijl hij een mes tevoorschijn haalde. Malia haar ogen werden groot, de jongen ging op zijn knieën voor Malia zitten en sneed het onderste gedeelte van haar jurk lost. Nu was haar jurk tot aan haar knieen. ’We moeten springen,’ zei de jongen toen hij weer op stond. Malia keek zenuwachtig naar het bewegende schip. Het voer steeds sneller de haven uit. Zouden ze dat wel rennen. Achter haar hoorde ze tientallen voetstappen, haar hart begon sneller te kloppen en ze voelde hem in haar keel. Was dit het waard? Ze zou haar vrijheid hebben, maar ze zou haar vader zijn hart breken. Waarom maakte ze zich daar druk om? Hij heeft haar hart elke dag voor bijna 6 jaar gebroken. Elke keer dat hij zei dat haar moeder niet voor haar kwam, elke keer dat er iemand een poging deed haar te bevrijden en dan eindigde in een graf. Elke keer dat haar vader haar sloeg als ze zelf probeerde te ontsnappen en elke keer weer als hij haar het gevoel gaf dat ze niks voor hem betekende. Dat ze alleen maar een middel was om meer macht te kunnen krijgen. Ze keek een keer naar de lijfwachten die dichterbij kwamen en ze keek een keer richting het schip. De jongeman keek haar zenuwachtig aan, wachtend op een reactie. Ze zag bezorgdheid in zijn ogen, maar geen angst. De angst die Malia wel voelde, ze wist wat haar vader zou doen als hij hun te pakken kreeg. Ze zuchte een keer en nam de uitgestoken hand van de jongen aan. Hij glimlachte een keer en trok haar toen richting het schip. ‘We halen het nooit!’ zei Malia, maar de jongen antwoorde niet. Hij rende steeds harder en trok Malia steeds harder mee. Voor ze het doorhad sprongen ze van de pier, nog net voor een van de lijfwachten haar rok kon vastgrijpen en ze landden net op tijd op het bewegende schip.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen