Foto bij Sessie 4: Het verraad

- Gebaseerd op een waargebeurde Pathfinder campaign -

We schrokken op toen we stemmen hoorden, begeleidt door rennende voetstappen die galmden door het riool. Baardmeneer giechelde toen de drugs die hij eerder die dag had ingenomen begonnen te werken en rende er snel vandoor. Voordat we er erg in hadden had elfenmeisje een Invisibility Sphere opgeroepen. Muisstil stonden zij, Brock en ik om het lichaam van de verslagen drow. We drukten onszelf tegen de muur toen de bewakers naderden en zonder ons te zien voorbij renden. Wegwezen hier! Dacht ik. Vlug liepen we door naar de volgende putdeksel, het lichaam van de drow lieten we achter. Ik beklom het trapje en tilde voorzichtig de putdeksel omhoog. We waren bij de drie torens. Op het plein had zich een hele horde mensen verzameld rondom het puin van de ene, ingestorte toren. Ongezien klom in uit het riool en sloot ik naar de met zilveren sterren beschilderde toren, waar ik de deur op een kiertje zette en naar binnen gluurde. Toen ik niemand zich ging ik naar binnen, niet veel later volgden de anderen. We stonden in een grote kerk, waar zo te zien verschillende goden werden aanbeden. Niets wees mij echter op Azathoth of enige vorm van duistere magie, dus al snel had ik het gezien. Ik besloot de andere toren te proberen en ook nu duurde het niet lang voordat de anderen me volgden. Het verbaasde me telkens weer hoe volgzaam dit stel was. Wilden ze dan niet liever op zichzelf zijn? Zoals ik. Geschrokken deed ik de deur van de tweede toren weer dicht. Toen ik naar binnen gluurde had ik haar gezien, zeker weten. Die vervelende, dooie mevrouw weer. Ik moest voorkomen dat de anderen haar zagen anders zou ze straks weer met ons meegaan. Te laat. Brock duwde me opzij, rukte de deur open en stampte zonder eerst naar binnen te gluren naar binnen. Geïrriteerd masseerde ik mijn slapen, alvorens de anderen toch maar naar binnen te volgen.
“Heuj! Ben jij ook hier?” met een luide plof liet Brock zich op een stoel zakken in de herberg, naast de dooie mevrouw. Ik bleef geërgerd staan. “Koem nou jongens, aan haar hebben we toch niks. Ze loog ook dat ze wist waar de magische boeken voor de Gentleman waren.” zei ik. “Ach, ja de Gentleman.” riep Brock uit. “Zeg weet jij toevallig waar die is?” vroeg hij de vrouw. “Oh, ja die zit hierboven.” antwoordde ze. Jaja, dacht ik. Duidelijk weer een leugen.
Ik besloot boven een kijkje te gaan nemen en voor ik het wist stond de hele bende weer achter me, bovenaan de trap. Ik zuchtte en klopte op de deur. Er schoof een luikje open en ik zag vaag twee ogen. “Wachtwoord?” hoorde ik een mannenstem. “Ik weet het wachtwoord.” zei de lijk-mevrouw achter me. “Oja, wat dan?” vroeg ik haar. “Uhhhh.... Ba...li...Balisimo.” mompelde ze. Tuurlijk joh, alweer een leugen. Ik probeerde logisch na te denken. “Kamerheer.” probeerde ik toen, vol overtuiging. “Fout.” klonk het kortaf en het luikje met daarachter de ogen werd weer dicht geschoven. “Wij zijn hier in naam van Koning Philiph de derde, laat ons er in!” sprak de dode vrouw met haar meest adellijke stem. We hoorden gerommel en de deur ging open, een dwerg liet ons binnen. “Zegt u dat dan toch meteen dame.” hij maakte een klein buiginkje. Verwonderd keek ik de dooie vrouw aan, dat liegen en bluffen was dus toch ergens goed voor.
Ik keek om me heen, we waren opnieuw in een soort kroeg. Aan verschillende tafeltjes zaten mensen te eten of te pokeren. Ik zag een halforc en een mens, die ik herkende als handlangers van de Gentleman. Ik liep er nonchalant op af en deed alsof ik het pokerspel wilde bekijken. De dooie mevrouw nam zelf plaats aan een tafeltje en begon de duurste hapjes en drankjes van de menukaart te bestellen. Brock stampte op de handlangers van de Gentleman af zodra hij ze zag en begon direct met ze te praten. “Wij hebben een afspraak met de Gentleman.” hoorde ik hem hardop zeggen, ik kon mijzelf wel voor de kop slaan. “Uit welk land komt Koning Philiph de derde?” hoorde ik de dwerg aan Mevrouw Dood praten. Hej, dat is een mooie naam van d’r, dacht ik bij mezelf. “Ons zuidelijke buurland.” hoorde ik haar antwoordden. Ik zag dat de dwerg zijn wenkbrauwen fronste en weg liep. Brock had ondertussen geregeld dat hij de halforc naar achteren mocht volgen en wij liepen er met zijn allen achteraan.
Toen we door de roodfluwelen gordijnen heenstapte zagen we de Gentleman al direct zitten. Ik zag de verbaasde blik op het gezicht van Mevrouw Dood. Ze had waarschijnlijk weer eens gebluft, dat hij hier boven zat, wat nu daadwerkelijk waar bleek te zijn. We liepen langs tafeltjes met pokerspelers op de Gentleman af. Hij had zijn eigen, verhoogde zitje en tafel. Vanaf daar kon hij het pokerspel onder hem goed overzien en zijn dienaar influisteren welke zet die voor hem moest doen. Toen hij ons zag wuifde hij naar de mensen om hem heen dat ze plaats moesten maken. Ik plofte naast hem neer op de bank, Brock en daarna ook de anderen volgden mijn voorbeeld. “Aaah vrienden.” sprak de Gentleman. “Dag Gentleman,” groette ik hem, “we hebben u weer gevonden. Eens kijken... Hoeveel goudstukken zouden wie ook alweer kraigen in ruil voor het magische boek dat we voor u hebben gehaald?” De gentleman knipte in zijn vingers, een kleine dwerg kwam tevoorschijn met een rinkelend buideltje geld en legde hem op tafel. Met een genereuze blik keek de Gentleman me aan terwijl ik het buideltje pakte en er in keek.”Hoeviel ies diet? Driehoenderd goudstukken?!” zei ik boos. “Dat boek ies viel meer waard.” “Ja,” viel Brock me bij, “u heeft ons niets verteld over de levensgevaarlijke puzzels die we op moesten lossen en de tovenaarsgeest die we moesten bevechten om dit boek te krijgen.” “En dan was u ook nog verdwenen uit de herberg en hebben we u helemaal tot aan deze stad moeten achtervolgen.” vulde ik aan. “Puzzels? Tovenaarsgeesten? Geloof me, daar weet ik niets van af. Maar waarom zou ik meer geld betalen voor een boek dat ik toch al in bezit heb?” Even schrok ik, maar dit liet ik niet merken. Ik had door welk spelletje hij speelde en reageerde zogenaamd geschockt “Oh? Heeft u het boek dan al helemaal opgegraven?” Vragende blikken van mijn compagnons werden mijn kant op geworpen. “Hmmm...” De Gentleman knipte nogmaals in zijn vingers en de dwerg bracht een tweede buideltje. “500 goudstukken, voor ieder van jullie honderd, hoger ga ik niet.” Opeens was het stil en keken alle aanwezigen in het vertrek intimiderend naar mij en mijn metgezellen. “Vooruit dan maar.” Ik haalde het boek gewoon uit mijn tas en overhandigde het aan de Gentleman, die hem gelijk naar achter liet brengen door de dwerg. Ik stopte de buideltjes geld veilig weg. “Kent u stadshouder Orenta?” vroeg ik de Gentleman. “Aaah ja, mijn goede vriendin.” antwoordde hij. “Wist u dat uw goede vriendin ons de opdracht heeft gegeven u te vermoorden?” vroeg ik hem. “Volgens mij is het helemaal niet zo’n goede vriendin.” “Hmmm...” De Gentleman fluisterde iets in het oor van de dwerg, die achter de schermen verdween en terugkwam met een klein houten kistje. “Zouden jullie dan zo vriendelijk willen zijn dit kistje aan haar te overhandigen?” “Alleen Orenta mag hem open maken!” voegde hij er aan toe bij het zien van Brocks nieuwsgierige, hebberige blik. “Gaat de bom af na een bepaalde tijd, of alleen bij opening?” fluisterde ik. “Dat laatste.” antwoordde de Gentleman. Brock nam het doosje lomp aan, ik voelde onze overlevingskansen flink dalen. “Waarom zouden wij aar uit de weg ruimen? Wat skuift dat oens?” vroeg ik. “Nu de toren is ingestort zit de hele stad op slot. Ik kan jullie portaal zijn, jullie ongezien in en uit de stad lozen.” “We kunnen zelf ook wel ongezien in en uit de stad komen.” hoorde ik Elfenmeisje mompelen. “Met portalen?” vroeg ik, mijn interesse gewekt. “Heeft u een portaal?” mijn ogen twinkelden. “Nee, dat niet.” “Maar weet u wel hoe ze werken?” vroeg ik. “Wat wil je precies weten?” vroeg de Gentleman me. “Als je eenzelfde portaal in gaat. Kom je dan altijd op dezelfde plek uit, of kan dit per keer verschillen?” “Altijd op de zelfde plek.” “En kun je aan de buitenkant van het portaal aflezen waar dat portaal je naartoe voert?” “Ja.” “Hoe?” vroeg ik vol verwachting.
De rest vond het gesprek niet interessant en stond al op, “Laten we gaan.” zei Mevrouw Dood. “Oh, voordat we gaan.” zei Brock. “Weet u trouwens iemand die geïnteresseerd zou zijn in de aanschaf van een manticore baby?” Hij wees op het dier dat nog steeds op zijn rug gebonden zat. “Oehhh...” De ogen van de Gentleman begonnen te glimmen en ons gesprek over portalen was ruw afgerond. “Daar zou ik zeker wel interesse in hebben.” “De vorige persoon die er interesse in had bood ons maar vierduizend goudstukken, veel te weinig.” blufte ik zonder veel succes. “Ik wil er wel drieduizend goudstukken voor geven.” “Neee joh, veel te weinig.” antwoordde Brock. Na een hoop onderhandelen kwamen we tot de overeenkomst dat we nu 2000 goudstukken zouden krijgen en nadat de Gentleman de welp zou hebben doorverkocht nog eens 2100. “En waar koennen we jou dan vienden? Nog wel hier? En wat ies dan het wachtwoord?” vroeg ik de Gentleman, denkend aan de zoektocht die we hadden gehad nadat hij uit het voorgaande dorp was verdwenen. “Ja, gewoon hier en het wachtwoord is Delrollo.”



Eenmaal weer buiten op het plein verdeelden we de opbrengsten. “Hé! Hé jullie daar!” Twee handlangers van de Gentleman kwamen haastig achter ons aangerend. “Jullie moeten die manticore welp nog afgeven!” zeiden ze, al wijzend op de welp die nog steeds aan Brocks rug bevestigd zat. “Ja,” zei Brock, “over een week. Dan komen we terug voor de rest van het geld. Tot die tijd blijft de baby bij ons.” “Nee, dat was niet de afspraak!” riep de ene handlanger uit. “Jawel.” zei Brock doodsimpel. Ik was geschrokken zodra ik doorhad dat Brock de welp nog bij zich droeg, de Gentleman wilde ik te vriend houden. Geef de welp gewoon conform afspraak af, dacht ik dan ook. Door de drukte op het plein wilden de handlangers de aandacht niet op zich vestigen en dropen ze af toen ze doorhadden dat ze Brock niet op andere gedachten konden brengen. Ik zag dat Elfenmeisje ondertussen op de menigte bij het puin af was gelopen, om mensen daar te ondervragen over de explosie. Ze werd omsingeld door een aantal mannen in mantel, die argwanend blikken richting ons wierpen. Ik knikte snel dat ze mee moest komen. De mannen lieten haar gaan en we liepen naar het stadhuis, wat zich aan de andere kant van het plein bevond. “We hebben een afspraak met wethouder Orenta.” vertelde ik de wachters bij de ingang. “Loop maar mee.” zei de ene.
Orenta zat met dikke wallen achter haar bureau en was duidelijk blij om ons te zien, wat ik niet had verwacht. “Kaik!” riep ik uit terwijl ik trots naar haar toe liep en haar het hoofd liet zien wat ik nog steeds mee droeg in mijn tas. “We ebben de priester drow vermoord.” Vol afschuw staarde Orenta naar het hoofd. “Wielt u het hoofd ebben als trofee?” “Oh nee nee nee, dat hoef echt niet, dankjewel.” zei ze snel, waarna ze zoals afgesproken 250 goudstukken per persoon te voorschijn toverde, die we gretig aannamen. “Nu we hier toch sain...” vervolgde ik. “Wat weet je van die ingestorte toren? En de drie gedaantes die erlangs naar beneden renden?” “Ik weet er niets van en gedaantes waren er niet.” “Iek denk niet dat je helemaal eerlijk tegen ons bent. En als jij dat niet bent tegen ons, dan zijn wij dat niet tegen jou. Eén van de gedaantes hebben we al voor je te pakken gekregen.” “Wat? Waar dan? Wie was het?” vroeg Orenta gretig. “Als je eerlijk tegen ons bent, zijn we dat ook tegen jou.” herhaalde ik terwijl ik haar strak aankeek. “Een drow in het rioleringsstelsel.” hoorde ik Brock op de achtergrond zeggen. Ik kon mezelf wel voor de kop slaan, wat een vervelende orc kon hij soms toch zijn. “Oh... Ja, dat wisten we al hoor.” zei Orenta die het duidelijk nog niet geweten had en snel een aantekening maakte op haar kladblok. Ik hoorde mijn metgezellen smoezen op de achtergrond en sprak verder met Orenta totdat Brock zijn mond ineens weer open deed. “De Gentleman heeft ons opdracht gegeven je te vermoorden met deze bom, kijk.” hij haalde het kistje tevoorschijn en legde hem op Orentas bureau. Nu sloeg ik mijn handen toch daadwerkelijk tegen mijn voorhoofd aan. Wat een sukkels! Hoe konden ze deze informatie zomaar prijsgeven? Nu wist Orenta zeker dat we de Gentleman zojuist nog hadden gezien. En dat wij met zowel hem als haar dubbel spel speelden! “Wat?” geschrokken zakte ze achteruit in haar stoel. “Jullie moeten mij vermoorden?” Ik besloot het beste van de situatie te maken en zei “Van de Gentleman, maar dat gaan we niet doen, in plaats daarvan waarschuwen we jou! We staan aan jouw kant.” “Oh.... Okee... En waar is de Gentleman dan.” Ik wist dat deze vraag ging komen en had nog niet kunnen bedenken hoe ik hierop zou moeten antwoorden, maar Brock zei al “In de toren hiernaast, in de herberg op de 2e verdieping.” Ik hoorde voetstappen en zag door de open deur heen nog net een monnik door de gang rennen. In Azathoths naam! Ze gingen naar de Gentleman toe om hem te vermoorden! We zeiden Orenta dat we de monniken gingen helpen en snelden terug naar de toren waar de Gentleman in zat.


Als we maar niet te laat waren... Ging de gedachte door mijn hoofd. We hadden Orenta wel gezegd dat we aan haar kant stonden. Maar wat hadden we daaraan? De Gentleman had macht. Die kon ons goed van pas komen, die kon mij goed van pas komen. Ik dacht aan de portalen waar we kort over hadden gesproken. Hij leek er veel over te weten. Over welke buitenaardse en duistere zaken zou hij nog meer weten? Misschien waren we nog niet te laat en konden we de monniken samen met de Gentleman afslachten en daarna samen ontsnappen. Wel twijfelde ik over de loyaliteit van mijn metgezellen. Ze hadden de Gentleman gigantisch verraden, stonden ze dan toch aan Orenta’s kant? Waarom?
De deur boven aan de trap was open en we zagen hoe de monniken de laatste handlangers tegen de vlakte duwden en vastbonden. Ik liep doelbewust op het rode, reeds aan de kant geduwde, gordijn af en betrad het vertrek van de Gentleman. Eén monnik en één vastgebonden handlanger was al dat ik er zag. De monnik was druk opzoek naar sporen, ik hurkte stilletjes bij de vastgebonden halforc neer en vroeg “Is de Gentleman veilig ontsnapt?” “Ja, onder de tafel.” fluisterde hij terug. Alsof ik ook op zoek was naar sporen bewoog ik mij door het vertrek. Subtiel schoof ik de tafel waaraan we eerder met de Gentleman hadden gezeten iets opzij, zonder dat de monnik het doorhad. Ik zag dat er zich een luik onder de tafel bevond en schoof de tafel zachtjes, weer netjes terug. Onopvallend maakte ik een ronde langs mijn metgezellen om ze te vertellen dat ik het luik gevonden had en we overlegden. “Hoe komen we dat luik ien zonder dat die monnik het doorheeft? We koennen em niet aanvallen want dan roept ij en komen zijn vriendjes gelijk uit de andere kamer.” “We kunnen toch gewoon samen met de monniken het luik in gaan?” opperde Brock. Ik voelde een steek van verraad tegenover de Gentleman, maar omdat ik zelf ook geen andere uitweg zag stemde ik toch toe. Ik kon de monniken altijd nog vermoorden en wie weet kwamen ze van pas. Ik liep terug naar de tafel en schoof hem opzij, “Hé hier zit een ontsnappingsluik!” riep ik met gespeelde verbazing. De monniken rende direct op me af. Ik opende het luik en klom naar beneden het duister in.

Ik kwam uit bij een ondergrondse rivier. Twee kleine roeibootjes lagen nog vastgebonden aan de rotsen. Een derde bootje was aan de ruw los gesneden touwen te zien net vertrokken. Ik maakte het voorste bootje los en sprong er in. Het bootje begon al te varen door de sterke stroom, maar helaas sprongen Elfenmeisje en één van de monniken en nog bij in. Mevrouw dood, Brock en een andere monnik namen het laatste bootje. Ik zag dat Brock de vastgebonden halforc met zich meesleepte in het water. Waarschijnlijk dacht hij dat de halforc nog van pas zou kunnen komen.
Na een hele poos gevaren te hebben botste de bootjes tegen een rij van stalagmieten in het water. Ik klom er aan, aan land en keek of er ergens een pad of geheime ingang te vinden was. Zonder succes. Na ook gearriveerd te zijn stapte Brock uit zijn bootje en begon hem over het land om de stalagmieten heen te slepen. Eén van de monniken schoot hem te hulp. “Huh?!” riep Brock uit toen het donker werd voor zijn ogen. Ik zag een soort zwarte octopus over Brock’s hoofd, hij had zich vast van het plafond laten vallen! Een tweede octopus-achtige liet zich vallen en miste de monnik op een haartje. Brock begon aan het beest op zijn gezicht te trekken maar zonder succes. Met Light verlichtte ik mijn heavy mace en hief hem als een toorts naar het plafond. Een derde wezen liet zich op de grond vallen zonder iemand te raken, het plafond was verder leeg. Toen trok ik mijn ritual knife en sprak de spreuk Bloodbath uit terwijl ik mijzelf in mijn bovenarm sneed. Ik lachte toen ik de pijn en daarna het warme bloed voelde, ‘Voor Azathoth...” siste ik. Ik hoorde Brock pruttelen toen het wezen op zijn hoofd net zo hard begon te bloeden als ik en het bloed in zijn mond liep. Ook één van de wezens op de grond begon hevig te bloeden. Het derde wezen ontsprong helaas de dans. Het gevecht barstte los en werd knap lastig toen één van de octopus wezens Darkness opriep en het strijdveld hulde in niet te doorziene zwarte mist.
“Raaaahhhrrr!” met een ruk draaide ik me om toen ik de strijdkreet vlak achter mij uit de muur hoorde komen. Ik zag hoe twee woeste ogen mij vanuit de muur aanstaarden, stenen begonnen weg te brokkelen en een earth elemental klom uit de muur alvorens razendsnel op mij af te stormen! Het scheelde niet veel maar ik kon net opzij springen. De elemental trapte op de rem, vlak voor de duisternis en draaide zich woest briesend naar mij om. “Raahhrr!” gromde hij toen hij vanuit de duisternis achter hem een zwaard in zijn rug kreeg, die even snel weer verdween. Omdat hij zijn belager niet kon zien ging zijn aandacht opnieuw uit naar mij. Voor hij mij kon bereiken zag ik Elfenmeisje echter vanachter de wolk met duisternis tevoorschijn komen en haar handen heffen. De knal die volgende was oorverdovend en lieten het tunnelstelsel waarin wij ons bevonden trillen. Een behaaglijke hitte vervulde mijn lichaam toen de Fireball tussen mij en de elemental in de stenen muur sloeg. De elemental gierde het uit van de pijn en ook ik kon niet ontkennen dat de hitte naar enkele seconden al venijnig op mijn duivelse huid begon te brandden. Toch aarzelde ik niet en deelde de genadeklap uit met mijn heavy mace. Zodra de earth elemental verging tot zijn aardse resten stormde ik met geheven mace de wolk van duisternis in. Klaar met die ongein! Op de tast vond ik het laatste octopus wezen en maakte ook bij hem een einde aan zijn bestaan. De duisternis hief zich abrupt op.
Nog nahijgend en -smeulend stond ik tussen mijn metgezellen in. De monniken zagen er totaal overrompeld uit. Het was me duidelijk dat niet iedereen de verschijning van de earth elemental had meegekregen. Wat een zwakkelingen, dacht ik bij mijzelf. Al die tijd maar bezig met die gekke octopus dingen... Wat een tijdverspilling, de Gentleman was vast al mijlen ver weg. Ik haastte me vlug naar het bootje toen deze gedachte zich aan me opdrong, duwde hem het water in en sprong erin zodra ik voelde dat de stroming er grip op kreeg. Helaas sprongen de anderen erbij voordat ik weg wist te komen. Wat werd ik toch moe van al die mensen!


De ondergrondse rivier werd steeds smaller en ondieper naarmate hij het licht verderop naderde. Eenmaal de tunnel uit gevaren zag ik uitgestrekte graslanden om ons heen en eindigde de rivier al snel op een zandbank, waar het water de grond in trok. Azathoth verdoem me! Geen spoor van the Gentleman! Dacht ik boos bij mijzelf. Wel zag ik een wagen, een huiskar getrokken door twee paarden, die met razende vaart op ons afkwam. - Bam! - De monniken naast me schrokken zich een ongeluk toen één van de drie bommen waarmee b=Baarmeneer op de huifkar aan het jongleren was op de grond viel en ontplofte. Zijn paarden hinnikten geschrokken en remden abrupt. Hoofdschuddend liep ik erop af. “Baardmeneer!” - Hihihahaha- “Baardmeneer waar koem gij nouweer vandaan?” “Ik kom jullie een lift geven! Hihahahaha!” riep hij seniel lachend. “Vooruit dan.” ik klom bij hem in de wagen. “Naar het zuiden!” ik wees langs hem heen in de richting waarvan ik vermoedde, dat de Gentleman op was gegaan. De halforc handlanger die we mee hadden genomen, en die nu bij de monniken achterbleef, had mij immers gezegd dat de Genltman naar de hoofdstad van ons zuidelijke buurland zou vluchten, naar Madrake.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen