'Dean!' Ik voel me wanhopig. Hulpeloos. Hysterisch. 'Dean, alsjeblieft!'
Hij zegt niets. Ik vraag me af of hij me überhaupt wel hoort. Hij is totaal buiten zinnen van woede. Nog erger dan normaal.
Zijn volgende trap raakt me in mijn maag. Ik laat een verstikte snik horen en klap dubbel. Kokhalzend grijp ik naar mijn buik, waardoor hij mijn hand raakt wanneer hij weer op dezelfde plek probeert te schoppen. Ik knijp mijn ogen dicht. Pijn. Bonkend. Schrijnend. Stekend. Brandend.
Adem. Ik moet adem blijven halen.
Ik zet me schrap voor de volgende trap, maar die komt niet. Hij grijpt een hand vol haar vast en trekt me een stukje omhoog. Ruw duwt hij de rekening van de abortuskliniek in mijn bebloede gezicht, alsof hij me letterlijk met mijn neus op de feiten wil drukken.
‘Heb je enig idee wat je gedaan hebt?!’ schreeuwt hij. ‘Heb je enig idee, jij ondankbare trút?! En achter mijn rug om, zelfs! Dacht je nou werkelijk dat ik er niet achter zou komen?! Hoe achterlijk kun je zijn?!’
Hij trekt de rekening weer weg en slaat me in mijn gezicht, zo hard dat mijn hoofd naar achteren klapt.
Zodra hij mijn haar loslaat, zak ik weer ineen op de vloer. Mijn ribben doen pijn, maar ik heb de kracht niet meer om de snikken binnen te houden. Huilend probeer ik me met mijn armen af te schermen, maar er komt geen volgende klap. Hij grijpt mijn keel vast en sleurt me overeind. Hard duwt hij me tegen de muur en kijkt me indringend aan, zijn blik fel en verwilderd. Hij ziet er woedend uit, maar ik zie ook een pijn in zijn ogen. Een pijn die ík heb veroorzaakt.
‘Hoe kon je, Hailey?’ vraagt hij met krakende stem, alsof hij elk moment in tranen uit kan barsten. Dat hij opeens verdrietig lijkt in plaats van boos, maakt het nog erger. Hij laat me los alsof hij niet weet of het wel de moeite waard is om zijn energie aan me te verspillen. Ik zak op mijn knieën en grijp hoestend naar mijn hals. Door de waas van tranen kijk ik naar hem op.
‘Het spijt me,’ snik ik, maar ik betwijfel of er wel woorden bestaan om dit goed te maken. Hoe zou hij mij dit ooit kunnen vergeven?
Door de tranen en de vlekken die voor mijn ogen dansen, kan ik hem maar vaag zien. Toch ontgaat het me niet dat zijn verdriet weer omslaat in woede.
‘Het spijt je?! Wat denk je daarmee op te lossen?! Ons kindje heeft daar niks meer aan. Jij fucking walgelijke moordenaar!’ schreeuwt hij. Hij raakt me niet eens aan, maar toch voelt het nog erger alsof ik stik dan toen hij zijn hand om mijn keel gesloten had en mijn luchtpijp dichtkneep.
Zodra hij dat laatste woord uitspuugt, alsof het een vloek is, kijk ik met grote ogen naar hem op. Zachtjes schud ik mijn hoofd en ik zoek wanhopig naar een reden om hem ongelijk te geven, maar die kan ik niet vinden. Hij heeft gelijk. Hij heeft altijd gelijk. Ik had gewoon op zijn oordeel moeten vertrouwen. Zodra ik zelf keuzes probeer te maken, gaat het verkeerd.
‘Het spijt me,’ probeer ik opnieuw, ook al weet ik dat het tevergeefs is.
‘Mij ook,’ antwoordt hij, maar het klinkt niet geruststellend.
Hij loopt weg en slaat de deur naar de voordeur achter zich dicht, zo hard dat ik even bang ben dat het glas van het raampje zal breken. Ik blijf achter op de grond. Bevend kruip ik weg in een hoekje, met mijn rug tegen de muur aan. Ik trek mijn knieën op en sla mijn armen om mijn schenen, alsof ik me zo bijeen kan houden. Even blijf ik zo zitten en ik sta mezelf toe om ineen te storten. Mijn gesnik klinkt vreemd in de doodse stilte van de kamer. Korter dan ik zou willen zit ik daar, terwijl het bloed op mijn gezicht vermengt met mijn tranen. Dan dwing ik mezelf overeind te komen, duizelig steun zoekend bij de muur. Onbeholpen probeer ik mijn gezicht droog te vegen, maar er stroomt nog steeds bloed uit mijn neus.
Met pijnlijke ledematen sleep ik mezelf naar het kastje onder de gootsteen, om daar de schoonmaakspullen vandaan te halen. Is dit het leven dat ik als kind voor ogen had? Ik, die in mijn eentje mijn eigen bloed opruimt?
Terwijl Dean weg is, waarschijnlijk zodat hij even kan wandelen en wat kan kalmeren, ruim ik de ravage die we aangericht hebben op. Zodra alles schoon is, app ik Dean even om te vragen of ik naar de supermarkt mag gaan om wat bleek te kopen, want die heb ik opgemaakt. Zodra hij appt dat ik zijn toestemming heb, trek ik mijn jas en laarzen aan.
Terwijl ik de deur uit loop, steek ik mijn handen diep in mijn zakken, ook al is het slechts een illusie om te denken dat dat helpt. De echte kou - de kou die me verkilt tot op het bot - komt van binnenuit.
Ineengedoken loop ik over de straten, mijn gezicht verborgen in de schaduw van mijn capuchon. De hakken van mijn laarzen tikken op de tegels van de stoep en even later op de kinderkopjes van het plein.
Ik kijk even achterom, zoekend naar een bekend gezicht tussen het kleine aantal mensen dat zich met deze kou nog buiten waagt. Het bloeden van mijn neus is inmiddels opgehouden, maar mijn gezwollen gezicht verraadt wat er gebeurd is. Over een paar dagen zullen de blauwe plekken wel weer vervagen, houd ik mezelf voor.
Mijn blik blijft hangen bij een man, zo’n vijftien meter achter me, die wegkijkt zodra onze ogen elkaar ontmoeten. Het is Davis, die vijf weken geleden een straat verderop is komen wonen. Ik heb hem heel goed gekend, toen we allebei studenten geneeskunde waren. We waren erg goed bevriend, tot we vier maanden geleden onze geneeskunde studie afrondden en Dean besloot dat ik vaker bij hem moest zijn. We waren vrienden, en zelfs beste vrienden. En nu zijn we niks. We hebben nog geen woord tegen elkaar gezegd.
Ik kijk snel weer weg en loop de supermarkt weer binnen. Terwijl ik mijn blik zo goed mogelijk naar de grond gericht houd, loop ik naar het schap met de schoonmaakspullen en pak een fles bleek. Ik reken af zonder de caissière recht aan te durven kijken en doe de fles in mijn binnenzak terwijl ik weer naar buiten loop.
Ineengedoken en met gebogen hoofd loop ik richting huis. Er schieten zoveel gedachten door me heen, dat ik niet eens meer bij kan houden wat.
‘Ga je een aanklacht indienen bij de politie?’ klinkt opeens een maar al te bekende stem naast me, waardoor ik abrupt ophoud met lopen en het ineens zo stil is in mijn hoofd dat het me bang maakt. Na een paar seconden kijk ik stijfjes opzij, recht in Davis’ droeve, bruine ogen. En plotseling lijkt het weer alsof ik naast hem in de collegezaal zit en we weer gefluisterde grappen aan het maken zijn, weer aantekeningen uitdelen en samen studeren.
Ik kijk snel weer voor me en begin opnieuw te lopen. ‘Waar heb je het over?’
Hij loopt snel met me mee. ‘Doe niet zo achterlijk! Je weet precies wat ik bedoel. Ik heb het over die klootzak van een Dean die je om de een of andere reden om de zoveel tijd in elkaar slaat! Of heb je soms een andere verklaring voor steeds weer die nieuwe blauwe plekken elke keer dat ik je zie?!’
Ik kijk nerveus om me heen of iemand het misschien gehoord heeft. Nadat ik geconcludeerd heb dat dat niet het geval is, kijk ik hem weer aan en sis ik met opeengeklemde kaken: ‘Doe eens niet zo luid. En je moet niet zo snel over mensen oordelen.’
Hij haalt een hand door zijn bruine haar, waarvan hij de kuif nog steeds rood laat verven. De lijnen rond zijn mond en ogen zijn iets duidelijker geworden, maar op een bepaalde manier is hij nog steeds de jonge, energieke Davis die energiedrank in zijn koffie deed na een nacht lang van wakker blijven om te studeren voor een examen.
‘Vertel me in ieder geval dat je terugvecht wanneer hij zoiets doet,’ smeekt hij me.
‘Natuurlijk niet. Davis, je hebt geen idee wat er aan de hand is, dus houd je erbuiten!’
‘Hoezo “natuurlijk niet”? De Hailey die ik ken gaf studentes gratis tips over hoe ze zichzelf moesten verdedigen tegen mogelijke aanvallers. De Hailey die ík ken zou die eikels neus breken als hij ook maar dreigde je met één vinger aan te raken.’
‘Die Hailey was dom en roekeloos,’ snauw ik en ik veeg een paar tranen weg voordat hij het ziet, ook al weet ik dat het hem waarschijnlijk niet ontgaan is. Hij houdt me als een havik in de gaten. ‘Je hebt geen idee, oké? Ik houd van hem. En hij houdt van mij. Echt waar.’
Hij steekt zachtjes een hand uit en raakt mijn pols aan, maar dan trekt hij zijn hand weer terug. ‘Hails… Ik… Ik snap dat je bang bent. En ik snap dat hij je dat allemaal laat denken, maar het is niet zo. Je slaat de mensen waar je van houdt niet in elkaar. Vertrouw me gewoon en kom met me mee naar politiebureau. Daar kunnen ze voor bescherming zorgen en zal hij niet meer bij je kunnen komen. Nooit meer.’
Wat hij zegt is zo absurd dat ik even overweeg om helemaal niks meer te zeggen en gewoon weg te lopen, maar dan opeens herinner ik me de eenzaamheid die elke dag lang als een deken om me heen ligt. Het bedrukte gevoel is hevig genoeg om me tegen te houden.
‘Ben je… Ben je al aan je chirurgiestudie begonnen?’ vraag ik. Mijn stem trilt zo erg dat hij me waarschijnlijk maar net kan verstaan. Ik overweeg even er iets aan toe te voegen, maar ik ben bang dat als ik nog iets zeg, ik spontaan in tranen uitbarst.
Als Dean zou weten dat ik zo vriendschappelijk met een andere man sta te praten, realiseer ik me, zou hij waarschijnlijk boos worden, maar dat komt gewoon door bezorgdheid. Hij is bang me kwijt te raken.
Aan de ene kant wil ik snel weglopen en naar huis gaan, maar aan de andere kant heb ik al weken met niemand anders gesproken dan Dean en is Davis jarenlang mijn beste vriend geweest en wil ik in zijn armen vallen en voelen of hij er wel echt is.
Hij schudt zijn hoofd van nee. 'Ik heb een tussenjaar genomen. Ik ben van plan om wat rond te gaan reizen en alvast wat te gaan werken. Volgend jaar begin ik aan de studie tot chirurg. En jij?'
Ik slik. 'Ik ben vorige week begonnen.'
'Oh, dus dat laat Dean je nog wel doen?' vraagt hij venijnig en automatisch zet ik een stapje achteruit. Zijn stem verzacht en hij kijkt me verdrietig aan. 'Wilde jij niet ook rond gaan reizen voordat je chirurg werd? Je wilde de wereld zien, Hails. Ben je dat soms vergeten?'
‘Ik ben heus niet vergeten wie ik was,’ snauw ik hem toe. Zodra ik mijn fout ontdek, voel ik mezelf rood worden en voeg ik er snel aan toe: ‘Wie ik ben.’
'Oh ja?! Weet je dat zeker?! Want jij bent niet het soort persoon dat zich als boksbal laat gebruiken!' snauwt hij en ik krimp ineen.
Ik voel de tranen branden achter mijn ogen en hoop maar dat het hem niet opvalt.
‘Zeg dat niet,’ mompel ik.
‘Waarom niet? Omdat je bang bent dat het waar is?’
‘Hoe gaat het met John?’ vraag ik lukraak, wanhopig proberend het onderwerp te veranderen. De manier waarop ik van het ene punt naar het andere overstap, doet me denken aan een opgejaagd dier, bereid om zich in de meest onmogelijke posities te wringen om weg te komen.
Zijn houding lijkt een draai van honderdtachtig graden te maken. Ik kan zijn pijn bijna voelen alsof het de mijne is. Ik zou er niet eens een béétje blij mee moeten zijn, maar ergens ben ik dat wel, want dat betekent dat zijn woede misschien wat bekoelt.
Hij haalt zijn schouders op en trapt met de neus van zijn schoen een steentje weg. ‘Hij heeft het een paar weken geleden uitgemaakt. Daarom ben ik nu verhuisd.’
‘Oh, Dave. Het spijt me. Wat erg.’
Met een haast beschuldigende blik kijkt hij me aan.
‘Ik kan me ergere dingen indenken,’ antwoordt hij afkeurend. ‘Zoals het hebben van een vriend die je mishandelt.’
‘Het is geen mishandeling,’ sis ik en ik kijk hem woedend aan.
Zijn ogen lijken opeens net zo donker te worden als die van Dean kunnen zijn.
‘Wat is het dan wel, Hailey? Wat is het dan wel, verdomme?! En waag het niet om “liefde” te zeggen, want dan geef ik je zelf misschien nog wel een klap! Hij maakt je kapot! Helemaal kapot! Het is niet jouw taak om een emotionele vuilnisbak te zijn voor alles wat er ooit mis is gegaan in zijn leven.’
‘Je gaat er echt niet over ophouden, of wel soms?’ vraag ik gepikeerd.
Hij gooit zijn armen in de lucht alsof het allemaal heel logisch is. ‘Natuurlijk niet. Hails, het gaat hier niet… Dit is niet zomaar een onderwerp waar we het tussen neus en lippen door over moeten hebben. Dit gaat over een misdaad. Hij is een misdadiger!’
‘Ik heb abortus laten plegen en heb erover gelogen,’ mompel ik. Ik hoor de afschuw in mijn stem. Ik kijk naar hem op. En ineens ben ik boos op alles en iedereen. ‘Hij wist niet dat ik zwanger was. Ik heb het achter zijn rug om gedaan. Hij vond de rekening van de abortuskliniek. Als hij die niet had gevonden, had ik het voor de rest van mijn leven verzwegen. Dus vertel jij me maar dat ik op welke manier dan ook beter ben dan hij is!’
‘Hoeveel redenen wil je dat ik noem? Ik heb namelijk een hele waslijst, hoor. Ten eerste, bijvoorbeeld, is het ene illegaal en het andere niet. En ten tweede kan ik het me heel goed voorstellen dat je niet wilt dat je kind in hetzelfde huis moet leven als dat monster.’ Wanneer ik niet reageer, zucht hij en gaat hij op zachtere toon verder, alsof hij een angstige straathond probeert te aaien. ‘Het kan me niet schelen waarom hij het deed en hoeveel hij zegt van je te houden. Ik ga dit niet laten gebeuren. Ik meen het. Ik ga niet wachten tot hij een keer écht te ver gaat en je doodslaat. Als jij geen aangifte doet, doe ik het.’
Ik kijk hem verschrikt aan. Vaag ben ik me bewust van de tranen op mijn wangen, maar ik ben zo verdoofd van zenuwen dat ik het niet voel. In een combinatie van wanhoop en woede roep ik: ‘Waag het niet! Heb je énig idee wat je me dan aan zou doen?! Heb je enig idee?! Je hebt het recht niet, Dave! Je hebt het recht niet om mijn leven kapot te maken, gewoon omdat je denkt te weten wat het beste voor me is!’
Davis snuift en opeens is zijn stem een stuk zachter, ook al maakt dat zijn toon niet minder giftig. ‘Maar natuurlijk. Die nobele er is natuurlijk aan Dean.’
Even word ik overspoeld door een golf van verdriet. Heel even maar. En daarna word ik boos.
‘Hoe durf je?! Hoe denk je opeens mijn leven binnen te kunnen walsen en opeens te verklaren dat mijn vriend niet van me houdt?! Je kent hem helemaal niet! Je kent hem niet en ik wil dat je weggaat!’
Dat doet hij niet. En een tijd lang is het stil.
‘Ik kan me nog herinneren dat er een tijd was dat je van jezelf hield,’ zegt hij dan gekrenkt, waardoor ik even niet anders kan dan zwijgen.
‘Ik hou nog steeds van mezelf,’ zeg ik dan op gedempte toon. Ik knipper de tranen uit mijn ogen en geef de wind de schuld voor hun ontstaan.
Hij trekt zijn wenkbrauwen op, zijn gezichtsuitdrukking een combinatie van spot en wanhoop, alsof hij niet helemaal zeker weet wat hij moet voelen. ‘Op dezelfde manier waarop Dean van je houdt?!’
‘Hij houdt van me, Davis. Dat jij dat niet kan begrijpen, is niet mijn schuld,’ mompel ik, mijn blik strak op de stoep gericht.
‘En ik houd van de appels die ik opeet en de sneeuw die ik ’s winters onder mijn voeten vertrap,’ sist hij terug.
‘Hou op,’ smeek ik hem en eindelijk kijk ik hem weer aan.
‘Ik snap dat je denkt dat hij van je houdt en misschien denkt hij dat zelf ook, maar-’
‘Hou op!’ roep ik en voor ik het weet duwt een hand op Davis’ borst hem naar achteren. Even denk ik dat het Dean is, maar de gelakte nagels bewijzen het tegendeel. Wanneer ik opzij kijk, zie ik een vrouw met een felle blik in haar ogen. Ze is ongeveer even oud als ik was toen ik waarschijnlijk precies hetzelfde zou hebben gedaan.
‘Pardon, mevrouw. Valt deze man u lastig?’ vraagt ze met opeengeklemde kaken.
Davis stamelt iets over dat hij me juist probeert te helpen, maar ze luistert niet naar zijn antwoord en blijft haar blik op mij gericht houden. Ik schraap mijn keel en antwoord kleintjes: ‘Nee. Het is oké.’
En ik loop weg, zonder achterom te kijken. Niemand komt me achterna.

Wanneer ik weer thuiskom en mijn jas aan de kapstok hang, komt Dean snel overeind van de bank en loopt naar me toe. Ik probeer niet ineen te krimpen, ook niet wanneer hij een dwarse pluk haar achter mijn oor strijkt en dan zijn hand op mijn wang laat liggen. Zijn blik is zacht, bijna als een streling, en ik zou willen dat Davis deze kant van hem zou zien.
‘Het spijt me heel erg van mijn reactie, Hails. Maar je weet toch dat je zulke dingen niet moet doen? Ik word echt niet zomaar boos. Het komt door jou. Je bedoelde het niet zo, maar het zijn wel jouw acties die ertoe geleid hebben,’ zegt hij met liefdevolle stem. Zijn bruine ogen lijken warm en licht. ‘Dat weet je toch?’
Ik knik. De tranen springen weer in mijn ogen. ‘Het… Het spijt me heel erg. Ik wist niet wat ik deed.’
Nu knikt hij. Hij glimlacht triest. ‘Dat weet ik, liefje. Jij kan er soms ook niets aan doen dat je niet helder nadenkt. Daarom moet ik de verantwoordelijkheid nemen om daar goed mee om te gaan, maar soms lukt zelfs mij dat niet, snap je?’ Hij wacht niet op een antwoord. Hij weet dat ik hem begrijp. We begrijpen elkaar. Altijd. Hij is de enige die me begrijpt. ‘Maar ik weet dat je het soms zelf niet in de hand hebt. Daarom maak ik de beslissingen, oké?’
‘Oké.’
Hij buigt zich voorover en geeft een kus op mijn voorhoofd. ‘We komen er samen wel uit, als je gewoon doet wat ik zeg, ja? Ik hou van je. Vergeet dat nooit.’
‘Ik ook van jou. En ik… Ik zal proberen beter te zijn,’ beloof ik hem.
Weer die droeve glimlach. Ik voel me gelijk weer schuldig. ‘Dat weet ik, liefste. Ik heb het je vergeven.’
Ik slik moeizaam. ‘Dank je wel.’
Hij buigt voorover en geeft me een zachte kus. Dan sluit hij zijn ogen en pakt mijn hand vast, die hij tegen zijn borst drukt. Zijn hartslag, die sterk en regelmatig is, kan ik tegen mijn handpalm voelen.
Heel lang staan we daar in stilte, tot ik opeens het geluid van een telefoon hoor die een berichtje binnenkrijgt. Hij trekt zijn hand terug en kijkt me onderzoekend aan. Het duurt even voordat ik me realiseer dat het mijn eigen mobiel is.
‘Wie is dat?’ vraagt hij behoedzaam.
Ik prevel dat ik het niet weet en open mijn telefoon.
Als je je bedenkt en toch een aanklacht tegen Dean in wilt dienen, ben ik altijd bereid met je mee te gaan naar het politiebureau. Maakt niet uit hoe laat. Bel me gewoon, of kom langs. Ik woon op nummer 37.
Davis

‘Het is van Davis,’ antwoord ik en ik stop snel mijn telefoon weg.
‘Davis,’ herhaalt Dean op een zachte toon die ik herken als uiterst gevaarlijk. Hij loopt naar me toe en steekt zijn hand uit. ‘Mag ik het even lezen?’ Wanneer ik aarzelend een stapje achteruit zet, voegt hij er met een gekwetste frons aan toe: ‘Wat? Je hebt toch geen geheimen voor me, of wel? We zouden toch niets voor elkaar achterhouden, liefste?’
Ik kijk hem zwijgend aan en zoek naar de woorden waarmee ik een wanhopige poging kan doen het op te lossen, maar die komen niet.
‘Hailey,’ zegt hij. Hij hoeft niet te dreigen. Ik zal doen wat hij zegt. Hoe lang dat duurt voordat ik het doe, doet er niet toe, want ik zal het uiteindelijk altijd doen. Het besef drukt op mijn borstkas alsof het een ton weegt.
Met een bevende hand leg ik mijn mobiel in zijn hand en hij kijkt me even strak aan voordat hij zijn blik naar het scherm verplaatst om mijn code in te kunnen toetsen. Zodra hij het leest, begint hij met zijn tanden te knarsen alsof hij een taai stuk vlees aan stukken probeert te scheuren.
‘Wat,’ sist hij met opeengeklemde kaken, ‘heeft dit te betekenen?’
‘Niks,’ zeg ik snel. Ik kijk hem smekend aan en pak zijn onderarm vast. ‘Niks, Dean. Ik ga het niet doen. Hij zag mijn gezicht en heeft zelf allemaal conclusies getrokken. Hij begrijpt het gewoon niet. Het is niet zijn schuld. Alsjeblieft.’
Even ben ik bang dat hij me een klap gaat geven. En daarna ben ik bang dat hij iets veel verschrikkelijkers gaat doen.
Hij zegt niets en maakt zich van me los. Wanneer hij langs me heen naar de voordeur begint te lopen, vlamt er een paniek in me op die ervoor zorgt dat ik bijna door mijn knieën zak, maar ik weet mezelf er toe te dwingen achter hem aan te lopen en opnieuw zijn arm vast te pakken.
‘Dean, wat ga je doen?’ Mijn stem klinkt zo hoog dat ik hem nauwelijks herken. ‘Hij vormt geen bedreiging. Niemand gaat naar de politie. Geloof me. Hij snapt het gewoon niet. Doe hem niks aan, alsjeblieft!’
Hij draait zich naar me om en kijkt hoog boven me uit torenend op me neer, zijn blik donker en scherp. Ik vermoed dat het me minder bang had gemaakt als hij me geslagen had.
‘Waag het niet mij te vertellen wat ik moet doen, begrijp je dat?’ Hij drukt zijn wijsvinger tegen mijn wang, zo hard dat het zeer doet. ‘Begrijp je dat?!’
‘Doe hem alsjeblieft geen pijn,’ smeek ik hem. In een normale situatie had het niet veel indruk gemaakt, want er staan tranen in mijn ogen en mijn onderlip trilt en in vergelijking met hem ben ik maar klein en smal, maar dit is geen normale situatie, want ik ga nooit tegen hem in. Nooit.
Hij slaat me met zijn hand op mijn keel tegen de muur, zo hard dat de pijn door mijn lijf gonst. Met wijd opengesperde ogen van angst kijk ik hem aan, en hij kijkt terug met een blik die aanvoelt als een schop in mijn maag. Als hij me niet vast had gehouden, zou ik door mijn benen gezakt zijn.
‘Ik zei: begrijp je dat?!’
Even ben ik te verstijfd om antwoord te geven, maar dan weet ik uit te brengen: ‘Ik begrijp het.’
De woorden snijden in mijn keel alsof ze van glas zijn.
Hij laat me los en ik zak ineen op de vloer. Op het moment dat ik weer opkijk, slaat hij net de deur achter zich dicht. Ik kom snel overeind en probeer de deur te openen, maar met een kreet van afschuw besef ik dat hij die op slot heeft gedaan. Als ik kijk naar het haakje waar normaal gesproken mijn eigen sleutel hangt, zie ik dat hij die ook mee heeft genomen.
Ik geef wanhopig een ruk aan de klink. Ik sla zo hard tegen de deur dat ik mijn hartslag in mijn handen voel kloppen. Ik gil. Ik roep om hulp. Ik schreeuw dat iemand de deur open moet doen. Maar er komt niemand.
Zwaar ademend zak ik ineen, met mijn rug tegen de deur. Ik sla mijn armen om mezelf heen en begin heen en weer te wiegen, net zoals mijn moeder me altijd wiegde als ik een nachtmerrie had, toen ik nog een kind was, toen alles nog zo simpel was. Ik prevel dingen die ik zelf niet eens versta.
En dan zie ik dat Dean verderop in de gang mijn telefoon op de grond heeft laten vallen. Ik ren mijn eigen voeten haast voorbij en gris de mobiel van de grond alsof het het enige is wat me nog in leven houdt. Met houterige ademhaling bel ik Davis, maar er wordt niet opgenomen. Tevergeefs bel ik opnieuw, maar dan besef ik dat er helemaal niemand op zal nemen, hoe vaak ik ook bel.
En dan, heel plotseling, komen de tranen. Ik duw mijn handen tegen de zijkant van mijn hoofd en gil. Ik snik en ik huil en ik schreeuw en ik bid tot elke god die ik kan bedenken dat het goedkomt.

Al een paar minuten later, wanneer de voordeur weer opengaat en Dean naar binnen loopt, stuif ik gelijk overeind. Ik grijp zijn shirt vast, maar niet eens op een bedreigende manier. Het voelt eerder alsof ik me niet meer eigenhandig overeind kan houden.
‘Wat heb je met hem gedaan?’ snik ik en ik doe een armzalige poging om hem door elkaar te schudden. ‘Wat heb je in hemelsnaam met hem gedaan?’
Ondanks de verwarring pakt hij mijn middel vast om ervoor te zorgen dat ik niet door mijn knieën zak. Zijn stem klinkt ondraaglijk liefkozend wanneer hij me probeert te sussen.
‘Hé, liefje. Alles is oké.’ Hij brengt een hand met geschaafde knokkels omhoog en veegt mijn tranen weg. ‘Er is geen reden om te huilen, liefje. Er is niks aan de hand. Ik ben voorzichtiger met hem geweest dan hij verdient. Hij hoeft niet eens naar het ziekenhuis. Ik heb hem gewoon haarfijn uitgelegd dat hij je met rust moet laten.’
Ik laat hem los. Met een benauwde blik en verstikte stem vraag ik: ‘Heb je hem geslagen?’
Hij antwoordt niet meteen.
‘Alles wat ik doe, is voor jou. Dat weet je toch?’ drukt hij me op het hart. ‘Ik hou meer van jou dan van wat dan ook. Wie dan ook. Meer dan van mijn eigen leven. En ik zal je altijd beschermen tegen mannen als Davis. Ze lijken aardig, maar tegelijkertijd proberen ze je leven kapot te maken, zodat je recht in hun armen vlucht. Er zijn een hele hoop mensen die je alleen maar pijn willen doen om er zelf beter van te worden. Het enige wat ik wil is jou daarvoor beschermen, want dat verdien je. Begrijp je dat?’
Ik knik. Ik kan het niet verdragen om iets te zeggen.
Hij neemt mijn gezicht in zijn handen en rust met gesloten ogen zijn voorhoofd tegen de mijne. Na een tijdje buigt hij iets naar achteren om me aan te kunnen kijken. Hij ziet er moe uit.
‘Het is gewoon jij en ik tegen de rest van de wereld,’ zegt hij.
Ik haal beverig adem en knik. ‘Jij en ik tegen de rest van de wereld.’

Die nacht lig ik om drie uur nog steeds wakker, starend naar de muur, mijn gezicht kloppend van de pijn. Ik kan Deans regelmatige ademhaling in mijn nek voelen. Ik voel zijn hartslag tegen mijn rug. Hij ligt dicht tegen me aan en heeft een arm om mijn middel geslagen, alsof hij me wil beschermen tegen de rest van de wereld.

Reacties (1)

  • BethGoes

    Oké. Maar. Hailey is toch slim? Waarom geloofd ze dan alles wat Dean zegt? Of houd ze oprecht van hem?

    2 weken geleden
    • BethGoes

      Wel een heel, heel sterk eerste hoofdstuk. Ik ben heel benieuwd naar deze prequel!

      2 weken geleden
    • AmeranthaGaia

      Onderzoeken hebben uitgewezen dat er geen significant verschil is wat huiselijk geweld betreft per soort beroep/"intelligentie". Er zijn veel artsen, zoals Hailey, die ook mishandeld en gemanipuleerd kunnen worden door hun partner. Het heeft niet per se met feitelijke intelligentie te maken. Veel mishandelaars kunnen anderen gewoon heel goed lezen en weten precies welke knoppen ze in moeten drukken om iemand volledig in hun macht te krijgen. Sociale isolatie kan hier een deel van zijn. Bovendien gebeurt mishandeling vaak heel geleidelijk.
      Dat is bij Hailey ook zo gebeurd. Ze houdt ook van hem en gelooft inderdaad wat hij zegt. Een extra factor is dat Dean in deze wereld een litteken zou krijgen als hij tegen haar zou liegen, en dat ze dat dan misschien zou zien. Dean verwoordt alles daarom op een manier waarop het nét geen leugen is, ook al is het niet helemaal waar. Hij krijgt hierdoor geen littekens, wanneer hij haar bespeelt, en daardoor is het voor Hailey makkelijker om te geloven dat hij oprecht is.

      Beetje een lang antwoord, maar whatever.xD

      2 weken geleden
    • BethGoes

      Oh shit dat is wel heftig

      2 weken geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen