Het was eindelijk vrijdag. Een dag waar de meeste mensen als tegenop zit. Na deze les was het weekend. De weekend waar ik bezig ben om alleen te zijn van de mensen om me heen. Wiskunde was echt het makkelijk als de andere bèta vakken op school. De algebra toets was echt een appeltje eitje. Ik leverde mijn proefwerk van Algebra in naar de wiskunde leraar meneer Barker.
‘Zo jongedame weer de eerste die binnen een tien minuten klaar is met de wiskunde proefles.’
‘Klopt,’ zei ik. ‘Eigenlijk had ik het binnen vijf minuten de simpele wiskunde proefwerk gedaan, maar ik wilde voor de zekerheid kijken of ik de formules goed had berekent voordat ik aan u gaf.’
Meneer Barker knikt bedachtzaam.
‘Kom even met mij mee naar de gang,’ zei hij terwijl hij opstond. Hij maakte de deur voor me open en deed de deur van het klas lokaal achter hem dicht.
‘Kan het misschien kloppen dat wiskunde lessen bij mij te makkelijk zijn voor jou?’
Ik wilde bijna met mijn ogen rollen, maar ik hield me in. Zijn wiskunde lessen waren echt te makkelijk. De andere vakken waren ook redelijk makkelijk. Ik had nu al het gevoel dat de lessen op die school te makkelijk waren. En dit was wel het junior jaar. Ik had beter naar een klas hoger moeten zitten, maar mijn vader zal het weigeren door mijn leeftijd. En ik was al de jongste leerling hier uit het junior jaar.
‘Ja, je lessen zijn nogal makkelijk. Ik heb dit sinds vorig jaar al gedaan.’
‘Dat merk ik in mijn lessen. Je hebt zelf vaker een tien gescoord in mijn les, terwijl ik de rest van jouw klasgenoten het nog steeds niet snappen. Ik ben blij dat er tenminste iemand is die verstand heeft van wiskunde. Ik zal anders wel kijken of je niet naar de gevorderde klas kan voor wiskunde en de andere bèta vakken.’
Eindelijk.
‘Aangezien je vandaag minder brutaal gedraagt en hoog waarschijnlijk een negen of tien hebt kan je al eerder naar huis.’
Ik wist niet wat ik daar moest zeggen. Ik bedankte hem. Ik pakte mijn spullen uit het klas lokaal en verliet de klas.
Over ongeveer een half uur was school officieel voorbij. Hoe fijn was het om eerder naar huis te gaan?
Ik opende klapdeur van de school. De koude winter blies tintelen op mijn gezicht. Sneeuwvlokken, vielen langzaam naar beneden. Mijn anders was ergens anders naar.
Banden van zijn witte Volvo scheurde op de weg tijdens het remmen.
Mijn broer Nathan was precies op tijd. Het was fijn dat ik eerder opgehaald werd. Zou hij soms door de weeks ook eerder op me gewacht hebben?
De getoet weerklonken door de straten, dat de rest van de school wel zou moeten hebben gehoord.
Ja, ja ik kom al.
‘Ik zie dat je veel eerder uit bent,’ zei Nathan, terwijl hij gebukt via de passagierekant mij uit het raam keek.
‘Ja, dus. En wat dan nog?’
Nathan keek me met gespleten ogen aan. ‘Laat me raden, de leraren waren jouw gedrag helemaal beu dat ze je als straf eerder naar huis moet?’
‘Eerder mocht ik van de wiskunde leraar eerder naar huis omdat zijn toetsen te makkelijk waren.’
Ik hoorde een cynische lachje. ‘Dat heb je weer goed voor elkaar gekregen, kleintje.’
‘Ik ben geen kleintje,’ zei ik nors.
Een stomme rotopmerking die mijn oudere broer vaak tegen me zei. Omdat ik nog net geen een meter zestig ben en een beetje kleiner was, dan mijn tweelingzusjes toen ze net zo oud als ik was.
‘Het zal wel, stap in, zusje. Dan kunnen we gaan vertrekken.’
Ik stapte in. Net toen ik mijn gordel om deed, scheurde de banden van de kleine witte Volvo.
Kon Nathan niet voor een keer fatsoenlijk rijden?
Ik was geen fan van zijn rij kunsten. Mijn hart bonkte zelf in mijn kil, maar ik liet aan hem merken hoe eng hij op de weg reed. Wist hij soms niet dat het erg gevaarlijk is om snel te rijden in de winter als het sneeuwt? Waarschijnlijk had hij te veel naar actie films gekeken om zo te rijden.
En het was al een wonder dat hij sinds we hier wonen nooit een boette of iets had gekregen.

Thuis aangekomen ging ik naar mijn kamer en gooide ik nonchalant mijn rugtas op mijn witte onopgemaakte bed. Ik woonde met mijn broer hier alleen in deze kleine knusse rijtjes huis van Springfield. Voor een kleine huis met twee slaapkamers, zag mijn kamer voor mijn gevoel niet heel klein en krapjes uit. Het witte eenpersoonsbed bevond zich midden in de kamer, en ik vreesde in de kerst vakantie dat het mijn hele kamer in beslag zal nemen, maar het viel redelijk mee. Het was niet groter dan de vorige kamer waar ik in opgroeide, maar er was nog genoeg plek voor mijn witte houten bureau, zodat ik daar kon studeren en opbergruimte om mijn kleding en andere spullen op te bergen. Twee muren van mijn kamer waren paars en gelukkig niet roze.

De rest van mijn familie waren niet met ons op aarde, maar in het lichtrijk. Misschien was het beter ook dat de rest van de familie niet hier zijn. Mijn vader had het zoals altijd druk met zijn ambassadeurs daar. Mijn andere broer en zussen hadden het daar ook druk met, god weet ik wat in vredesnaam.
En mijn moeder. Ik slikte een brok van mijn kil weg. De verdriet uit mijn kindertijd had ik zolang wel een plaatsjes moeten hebben. Ik ademde diep in. Hopen om de sombere gedachtes van toen te vergeten. Ik had jammer genoeg de gave niet om de tijd terug te draaien. Ik had afleiding nodig.
Ik keek om me heen of de kust veilig was. Bij Nathan kennende weet je het maar nooit. Ik pakte het doos waar mijn geheimen spullen zitten uit de witte ladekastje verdaan die boven verhuld was met paar van mijn kleding. Ik pakte het bruine leren zakje uit de doos. Niemand mocht weten dat ik tijd parels had. Dat was de instructie van mijn oma.
De gedachtes leken net gisteren.
Haar gerimpelde hand pakte mijn arm beet. ‘Kom mee,’ waren haar woorden.
Ze rende de hoofdzalen. ‘Ik moet jou iets laten zien dat heel belangrijk was,’ zei ze.
‘Wat dan?’ vroeg ik.
‘Dat zie je straks wel, even geduld, mijn kind.’
Ze liep linksaf door de smalle gangen. En ik wist niet waar ze me precies wilde toebrengen. Haar loop tempo leek bijna alsof ze zat te hardlopen op de marathon.
Ik kon haar tempo van lopen nog net bijhouden. En dat voor een oudere vrouw, die waarschijnlijk bijna tachtig was, vergelijken met mij die nog niet eens dertien was. Ze liep de hoek om naar de ronde trappen, dat omringd was door een bakstenen muur, die me veel moest denken aan middeleeuwse kastelen.
‘Waar gaan we heen, oma?’
Geen antwoord en ze liep maar door. Waar bracht ze me toch naartoe?
Lag het aan mij of begonnen de trappen en de muren tussen ons steeds smaller te worden.
Ik zou moeten denken dat het donkerder werd wanneer het smal werd, maar het leek steeds lichter te worden. Het leek alsof het licht me bijna verblindde.
Op een gegeven moment moest ik mijn hand voor mijn gezicht houden tegen het licht. Hoe kwam het dat mijn oma daar geen last van leek te hebben?
Er spookte zoveel vragen bij me op, Wat voor iets belangrijks wilde ze me juist laten zien?
Waar bracht ze me toch naartoe? En hoe kwam het dat het boven zo verlicht was? Vragen die ik allemaal wilde stellen, maar die vragen leken allemaal niet uit mijn lippen te komen. Ik begon licht in mijn hoofd te worden. Op een gegeven moment was het licht voor me te fel, waardoor het niet genoeg om mijn arm voor mijn zich te houden. Mijn arm leek te verlichten. Ik kneep mijn ogen stijf dicht op elkaar.
Van schrik hapte ik naar adem.
‘Wat gebeurt er allemaal?’ vroeg ik. Werd ik verblind?
Mijn knieën werden zwak van het lopen. Misselijkheid overspoelde me.
Ik zakte in, doordat mijn l het onnatuurlijke felle licht.

Ik hoorde mijn oma mijn naam zeggen.
Ik knipperde met mijn ogen en kreunde. Ik leek in een hele diepe slaap te belandde, maar was weer ontwaakt.
Ik keek om me heen waar ik precies was.
Overal om me heen zag ik groen van het grasveld, die ook een beetje verkleurd was door de bloemen die daar bloeide.
Het geritsel van de wind en de natuur. Bij paar afstanden waren bomen die zo helder leken door de zonlicht door er doorheen scheen.
Waar was ik?
Opeens herinnerde ik me alles voordat ik in slaap viel. De gangen, de lange ronde middeleeuwse achtige trap. Ze wilde me iets laten zien, maar plots werd alles fel verlicht. Hoe waren we hier terecht gekomen? Zou dit soms de plek zijn dat ze me juist wilde laten zien?
‘Waar ben ik?’ vroeg ik en ik wilde opstaan, maar oma hield me tegen.
‘Alles op zijn tijd, lieverd.’
Lichtte frustratie boorde in mij op. Waarom deed mijn oma zo vaag over dit alles? Ze wilde mij toch iets laten zien?
‘Ik ga je nu in en ander uitleggen.’ Ze pakte mijn handen vast.
Haar warme gerimpelde vinger toppen tintelen op de rug van mijn handen. Ze keek nog eens goed rond, alsof ze zeker wilde weten of er niemand was die ons kon afluisteren. Haar bruine ogen keken me recht in mijn ogen aan.
‘Je moet uitkijken,’ reageerde ze kalm mogelijk. Tocht hoorde ik een hysterische toon in haar stem.
‘Voor wat?’
‘Ik ga je nu iets belangrijks vertellen en geven dat je echt aan niemand mag laten zien. Ook niet jouw familie.’
‘Hoezo dat niet? En wat ga je me nu vertellen?’ vroeg ik ongeduldig.
Ik werd langzaam klaar met het vage gedrag van mijn oma. Was dit soms een spelletje die ze met me speelde? Of was ze erg serieus?
Echter begon ze me eindelijk alles te vertellen. Dingen die ik nog niet wist en wat er op het spel komt in de toekomst.
Ik heb trouwens nog iets, dat je strikgeheim moet houden.’
‘Wat is het dan, oma?’
Ze pakte iets uit haar zak. Ze legde het bruine lerenzakje op mijn handpalm en vouwde mijn handen om het lerenzakje.
Ik leek iets van kralen of parels te voelen.
Ik wilde het openmaken, maar oma hield me tegen.
‘Niet hier.’
‘Hoezo niet?’
Ze negeerde mijn vraag en in plaats daar van keek ze om zich heen. Voor de zekerheid kijken of er niemand was die ons misschien kon afluisteren.
Mijn insutie vertelde me dat we de enige twee waren in deze natuur gebied.
‘Maar wat zijn het?’
‘Tijdparels. Hele kostbare tijdparels.’
Tijdparels? Ik dacht dat die dingen niet meer bestonden en dat het een mythe was?
‘Ze bestaan nog steeds.’ Alsof oma mijn gedachte kon lezen, alleen zijn dat de laatste exemplaren die je nu hebt.
Haar handen raakte de buitenkant van mijn handen weer aan.
Ze zei me naam helder. ‘Zorg dat het niet in verkeerde handen valt.’
‘In de geschiedenis waren er schurken die de tijdparels te pakken willen.’
Wat voor schurken zouden het zijn? Zou het misschien?
‘Over een tijdje zul je de meeste dingen niet meer herinneren wat ik jou ooit gezegd had. Alleen van de parels zullen in jouw geheugen gegrift zitten.’
Ik keek mijn oma geschrokken aan. ‘Wat, hoezo?’
Ze ademde die in en keek omlaag.
‘Oma, hoezo kan ik me op de tijdparels na niks meer van herinneren?’ Ik zag een sombere blik in haar ogen. ‘Wacht, oma, bent u op sterven?’
‘Al een tijdje, mijn lieve kind. Al een tijdje, maar niemand weet ervan.’
‘Waarom? Waarom u?' tranen brandde in mijn ogen. Ze was nog niet eens oud genoeg om te gaan sterven. Behalve misschien als ze een mens was op aarde. De meeste stervelingen werden niet ouder dan tachtig. Tranen rolde over mijn wangen.
Ik wilde niet dat ze sterf. Niet nog iemand. Ik snikte.
Ze veegde de tranen van mijn gezicht droog.
‘Het is goed, kind. Het zal niet het einde zijn.’
Toch bleven de tranen stromen.
Ze legde haar handen op mijn wang en keek me weer recht in de ogen aan. Er brandde ook tranen in haar ogen.
'De tijd komt, mijn kind. Dat de oude generatie van ons familie sterven en de nieuwe generatie gebaard worden.'
Wat bedoelde ze daarmee?
Bedoelde ze soms iets van de voorspelling?
‘Aan wat sterf je?’
Het zou toch niet een mysterieuze en dodelijke virus zijn dat… Ik slikte de brok weg en veegde mijn natte ogen droog.
Ze negeerde mijn vraag en ging verder.
‘Maar het zal niet lang duren. Als ik sterf. Dan zal je over enkele jaren niks meer herinneren wat ik je hier zojuist verteld had. En je zal voorbereid moeten zijn wat er zal gebeuren.’
‘Zoals wat d.’
Ze snoerde de ….
‘De geschiedenis zal zich misschien nog eens herhalen, maar bewaar de parels goed, en zegt tegen niemand dat je de tijdparels van mij hebt. Vertrouw niemand.’
‘Maar hoe kom je aan de tijdparels?’ vroeg ik.
‘Vertrouw niemand,’ herhaalde ze helder en duidelijk, alsof haar stem ergens door de spiekers zei midden ergens in de natuurgebied.
Alles om me heen leek te vervagen. Ik wilde vragen wat er gebeurde. Haar lippen bewoog, maar ik hoorde geen stem uit haar lippen. Alles om me heen draaide en begon zwart voor mijn ogen te worden.
Ik knipperde met mijn ogen waar ik precies was.
Was ik soms ergens in slaap gevallen?
Dat kon niet ik stond ergens. En wel op de plek die me ergens bekend voor kwam. De trap en de muren leken moesten me veel denken aan de middeleeuwen. Hoe was ik hier terecht gekomen?
Plots wist ik het weer. Mijn oma wilde me iets laten zien, maar wat? Ik keek om me heen, maar ze stond niet achter me? Ze had met iets verteld over de tijdparels. Ik voelde met mijn vingers het leren zakje in mijn zak.
‘Mevrouw …. Is zojuist overleden.’
Hoorde ik een van de mensen in de haal zeggen.
Tranen rolde over mijn wangen. Ik veeg ze weg met mijn mouw.
Ik bekeek de inhoud van het lerenzakje.
Zilverkleurige parels glinsterde en gaven een beetje licht. Ik pakte met mijn duim en wijsvinger een van de parels die glansde.
Mijn oma stierf nadat ze me deze parels had gegeven. De herinneringen van meer dan twee jaar vervaagde, alsof ik zojuist naar een beeldscherm keek.
Deze kostbare parels moest ik geheim houden volgens haar. Bang dat het in verkeerde handen viel.




Als deze kostbare parels in verkeerde handen valt. God, ik wilde niet weten wat er zal gebeuren. Mijn hart klopte van de spaning. Dit had ik wel eerder gedaan. Ik moest alleen zuinig zijn met mijn voorraad tijdparels Ik had er nog maar acht. De andere had ik een tijdje geleden nog gebruikt.

Ik wisselde mijn moderne kleding met de juiste kleding.
Hoogste tijd om eens terug in de tijd te gaan. Ik ademde diep in en gooide de tijdparel voor mijn voeten. Er kwam grijzen rook van de tijd parels, die steeds meer beslag nam van de kamer en begonnen te glinsteren. Ik deed mijn ogen dicht. Ik hoefde alleen nog te visualiseren naar welke tijd en plaats ik wilde zijn. Ik probeerde me te concentreren.
Een geluid van een geflitst deed mijn ogen openen. Ik probeerde te oriënteren waar ik precies was.
De muziek van een man met een middeleeuw achtige gitaar weerklonken door de straat van de stad. Gepraat van mensen en de geluid van muntjes op de mark klonk luid en duidelijk genoeg dat ik van paar meter afstand het kon horen.
Ik had mijn donkerblauwe capuchon omhoog gedaan, aangezien mijn zwarte haren nogal te kort was in deze tijdperk renaissance.
Twee zwarte moren liepen in adellijke kleding in de verte.
Leuk dat er al donkere mensen in Europa leefde. Ik liep verder door de markt. Net toen ik verder wil lopen langst de bewakers werd ik door ze tegengehouden.
‘Niet zo snel, jongedame.’
Hij hield halt.
Ik keek de twee irriterend aan. Wat was er nou weer?
‘Ga je ergens heen?’
Ik keek de bewaker aan alsof hij de domste vraag ooit stelde. ‘Ja, hoezo?’
‘Ik heb het vermoedde dat je iets gestolen hebt.’
Ik keek een van de mannen geschrokken aan. Waar kwamen ze daar in vredesnaam bij?
‘Nou, ik heb anders niks gestolen, meneer,’ reageerde ik kalm mogelijk, ook al was ik kwaad op hun valse beschuldigingen.
De andere bewaker keek me van top tot teen aan en richtte zijn blik weer strak op mij.
Beviel je uitzicht je soms? Wilde ik tegen hem zeggen, maar die woorden werd meer in mijn tijd gebruikt.
‘Wat heb je dan om je hals?’
Ik streelde met mijn vingers om de gouden kostbare ketting, die ik jarenlang had.
‘Aan jou te zien, zie je er bepaald niet rijk uit om zo iets te dragen.’
Ik wilde iets gaan zeggen, maar de bewaker hief zijn hand om mij het zwijgen op te leggen.
‘Inleveren die ketting.’
‘Die ketting heb ik niet gestolen,’ siste ik.
‘Ja, ja. Als je nu niet de gouden ketting inlevert dan zal je net als haar.’ De bewaker wees met de duim achter hem naar een vrouw, die verminkt en vastgebonden zat bij een paal bij de grote plein dat iedereen hem kon zien. ‘Zwaar bestraft worden.’
‘Je hebt de keuze,’ zei de andere bewaker.
Ik keek naar mijn gouden ketting, die me zo kostbaar was.
Wat moest ik doen om hier onderuit zien te komen.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen