De mark was overspoeld door mensen.
Ik keek om me heen of er geen bewaker was die me zag.
Zonder dat de mark verkoper het door had pakte ik de appel, en liep alsof er niks aan de hand was.
Waarschijnlijk had niemand me door wat ik aan het doen was. De bewaker bij het muurtje keek me met gespeten ogen aan. Ik kreeg de rilling van zijn blik, maar ik deed alsof ik onschuldig was. Ik liep verder door de mark pleintje.
Ik stond stil bij een kraampje, die vervuld was met diamanten en gouden sierraden. Voor de rest stonden er ook sieradendoosjes en hele zeldzame voorwerpen, die waarschijnlijk erg duur waren. Een paar waren van goud. Een redelijk oude man met donker haar en een snot stond achter het kraampje. Twee jong vrouwen uit de hogere positie stonden voor het kraampje. Eentje had een opvallende paarse jurk aan, die bij honderd meter afstand nog zal opvallen. De ander had een rode jurk aan en paar lokken van haar donker blonden haren zaten los. Ze droegen bij het kraampje de gouden glinsteren sierraden, Ze waren waarschijnlijk van adel en ze gingen vast de sieraden uittesten of het ze stonden. De mensen leken zelf niet eens door te hebben dat ik bij ze stond.
‘Wat voor iets prachtig is dit?’ vroeg de donkerblonde vrouw.
‘Deze schitterende donkerblauwe diamanten ketting is een zeer kostbaar sieraad. Die ik kan aanraden om tijdens de begrafenissen of het bal te dragen.’
De man was toch bezig met de twee rijken vrouwen. Ik keek kort nog om me heen. Niemand ziet me, mooi. Ik greep mijn kans.
‘Ik ga hem nemen. Mijn man zal het vast fantastische vinden,’ zei de donkerblonde vrouw verder.
Nu pas merkte de verkoper mij op. ‘Kan ik je soms ergens mee helpen?’ vroeg hij erg sceptisch en nors dan vriendelijk.
‘Ik wilde alleen kijken wat voor kostbaar heden u had.’
De verkoper keek me woest aan.
‘U heeft echt prachtige sieren, wist u dat?’ slijmde ik.
‘Aan u kleding te zien, kom lijk je niet het geld te hebben om iets van mij te kopen.’
‘Klopt,’ zei ik. ‘Ik wilde alleen kijken, maar ik ga maar weer.’
Ik draaide me om en liep weg van het kraampje.
‘Grijp dat dief!’
Ik draaide me geschrokken om.
De man keek me vuil aan. ‘Bewakers, grijp hem. Hij heeft iets van mij gestolen!’
Shit, twee van de bewakers die wacht stonden bij het muurtje rende op me af. Ik maakte dat ik hier weg kwam. Ik rende door de mark, mijn hart bonkte in mijn kil.
Ik sprong over het kraampje en ging de hoek om. Ik moest de bewakers af zien te schudden. Ik had plots een idee. Ik rende naar het opeen winkel, waar stof en zijden werden verkocht.
Ik schuilde me daar, maar dat was niet voor lang. De mollige verkoper keek me vreemd en verwoest aan.
‘Uit mijn winkel, jij arme sloerie!’ Zijn geschreeuw trokken de bewakers weer die net voor bij de winkel rende.
‘Daar is dat snotjong! Grijp hem!’
Ik raakte steeds uitgeput van het rennen, ik moest iets doen. Ik holde door de Mark kraampjes en had paar omver gegooid. Van een paar meter afstand had ik al een manier om de bewakers van me af te schudden. De wagen kon elk moment rijden. Ik sprong over de wagen en belande weer bij de andere kant op de vloer. Een kudde of schapen lipen achter de wagen aan, waardoor de bewakers wel stil moeten staan bij het trapje.
Met een grijns rende ik verder.

Een zucht verliet mijn lippen. Volgens mij ben ik echt van de bewakers af. Ik liep een tijdje later weer verder door de straten van de stad.
Ik liep door de opening van de dikke muur van de stad. Ik kreeg plots een vreemd gevoel. Volgens mij zag ik iemand, die me erg bekend voorkwam. Maar wie? Zo te zien was ze met de andere twee bewakers in een gesprek verwikkeld, Ik besloot maar wat dichterbij te gaan. De risico zou vast groot zijn dat ik gearresteerd werd, of niet. Het waren andere bewakers die me niet achterna zaten. En hoeveel bewakers liepen er hier in deze stad?
‘Inleveren die gouden ketting, anders zwaait er wat,’ beveel een van de bewakers.
Ze wilde iets gaan zeggen, maar ik was haar voor.
‘Ze hoort trouwens bij mij,’ zei ik.
Ze keek me vragend aan.
‘Zo, je kent haar,’ klonk de bewaker spottend.
‘Jep, Ze is trouwens mijn jongere zusje.’
Nu keek ze me echt vreemd aan, alsof ik een of ander gek was die onzin zat uit te kramen.
‘Dat wicht van een zusje heeft trouwens wel iets gestolen van de markt.’
‘Dat is helemaal…’
‘Sssht,’ suste ik, om haar mond te snoeren. En ik keek de twee bewakers weer aan. 'Maar u heeft wel gelijk. Het was fout van haar dat ze de ketting op de markt gejat heeft, terwijl de het niet eens betaald had.'
Nu keek ze me echt met openmond verbaasd aan.
'Maar alstublieft,' meneer, zei ik, terwijl ik met een geheim trucje haar gouden ketting aan de bewaker gaf.
Ze keek geschrokken naar haar hals. 'Wat heb je...'
'Sssht,' reageerde ik om haar mond te snoeren en ik trek haar mee van de bewakers vandaan.
Ik voelde haar tegen trippelen.
'Jij klootzak,’ siste ze ‘kijk wat je gedaan hebt. Door jou is mijn kostbare...'
'Kostbare wat?' Ik gidste iets uit mijn zak. Ik liet haar haar gouden ketting zien. 'En niet eens een bedankje?'
'Wat... Maar hoe had je...?' Ze draaide zich kort om.
Ik wilde zeggen dat ik een geheim trucje had, die ik vaak gebruikte, maar ik leek de tijd niet te hebben.
'Ren!' Ze pakte me bij mijn arm en trok aan mijn arm om te rennen. Ik keek kort achterom. Het was waarschijnlijk wel de juiste tijd om te vluchten. De bewakers van net kwamen woest op ons afgestormd.
Mijn hart bonkte van de adrenaline. Ik had het gevoel dat ze ons in gingen halen en ons te pakken zullen krijgen.
Ik rende met haar rechts af, waar de meeste kraampje waren in de stad.
De mensen keken ons allemaal verbijsterd aan. Ook niet vreemd dat twee tieners rende door de markt.
Ze kiepte zonder pardon een kraampje acht zich midden op de weg.
Ik zag achter me nog net de woeste blik van de meneer die vis verkocht.
Ik hoorde hem nog mopperen dat onverstaanbaar was, maar door haar actie hadden de twee bewakers achter ons wel vertraging. Ze rende rechts af naar het pleintje die me bekend voorkwam. Mijn voeten deden pijn van het rennen, en ik begon steeds meer te hijgen, maar ik moest niet opgeven. Niet nu de bewakers weer achter mij aanzaten.
Volgens mij was ik hier paar minuten eerder geweest toen de bewakers achter me aan zaten.
Ze kiepte alweer iets om, dat voor boze en verbaasde blikken veroorzaakte bij de burgers.
Ze stond ineens stil bij de trap. Hijgend stopte ik naast haar. Ik had mijn handen boven mijn knieën geslagen.
‘Ben je nu al moe van het harde rennen?’ vroeg ze. Ze klonk meer spottend dan echt vriendelijk.
Ik richtte mijn blik naar haar. Hoe kwam het dat ze nog niet moe was nadat we net nog lang zaten te rennen?
Volgens mij zag ik paar zwarte plukken van haar Pony voor haar hoofd. De rest van haar haren waren onder haar capuchon verhuld. Iets vertelde me dat ze me erg bekend voorkwam.
Ik keek nog achterom. De bewakers kwamen dichterbij, Het schilde meer dan dertig meter. Dankzij de rommel voor het looppad duurde het voor hen langer om naar ons toe te rennen.
‘Daar heb je die smerige rat die iets gestolen had op de markt!’
Geschrokken draaide ik me om naar diegene die schreeuwde beneden bij de trap. ‘Pak hem!’
De andere twee bewakers die me eerder achterna hadden gezeten stonden voor de trap en renden woest naar boven op ons af.
Het meisje naast me kiepte de mand met fruit om, waardoor het fruit naar beneden rolde. De twee bewakers die op de trap omhoog rende vielen door de harde val van het fruit op de trap naar beneden.
De rest van de toeschouwers op de markt hadden het ook gezien.
‘Kom mee,’ zei ze.
Wilde zojuist naar de trap toegaan?
‘Kijk me niet aan alsof ik gek ben. Ik weet wat ik doe, en de bewakers moeten zich toch nog bij komen van de harde val.’ Ze trok weer bij me arm. ‘Kom, of wil je gepakt worden door de bewakers achter ons?’
Ik draaide me om. Ze had wel gelijk. De bewakers achter ons waren nog niet tien meters van ons verdaan.
Ik doe wat ze zei, ook al vond ik haar plan niet echt een goed idee.
Ik sloeg telkens twee treden van de trap naar beneden. Voor een meisje, die niet zo lang was rende best snel over de trap. Hoe kon ze nog steeds niet uitgeput zijn?
Ik was de eerste die de trap af had getreden. Net toen ze de laatste twee treden van de trap nog af moet treden zag ik een van de bewakers bijkomen. Ik had niet de tijd om te roepen dat ze moest uitkijken. De bewaker klemde met zijn hand haar enkel, waardoor ze op de grond viel. Was vast een pijnlijke val.
Ze gilde.
De bewaker trok zich met zicht mee.
‘Laat me los!’ Schreeuwde ze.
Ze schopte wild tegen de bewaker die haar beet had. Ik pakte haar hand, en ik probeerde met al mijn kracht haar van de bewaker los te trekken, maar de bewakers waren te sterk. Ik keek kort naar de bewakers, ze liepen nu bij de trap.
De andere bewaker kwam ook bij.
Ik moest iets doen om ons hier onderuit te halen. De bewakers kwamen steeds dichterbij.
Mijn hart bonkte vol spanning.
‘Grijp dat rotjoch,’ beveel de bewaker die het meisje beet nam.
'Doe iets, Deen.'
'Hoe wist ze mijn naam?'
De ander bewaker, stormde op me af. Uit een reflex knipperde ik met mijn vingers.
En alles stond alles stil. Ik deinsde paar stappen naar achter.
Iedereen stond stil bevroren als standbeelden.
De bewakers bij de trap stonden op een grappige manier stil, waardoor ik een grimast moest onderdrukken. Ze maakte zich los van de greep van de bewaker. Ik bood haar de hand, maar ze stond zelf op.
'Kom, we hebben geen tijd voordat de bewakers weer bij komen.'
Ik hoorde haar nog kort mompelen.
‘We moeten nu gaan. Iemand tijd bevriezen duurt heel kort en dan komen ze weer bij.’
‘Ja, lekker boeiend! Alsof ik er echt aanga,’ zei ze ineens bot.
Wow, meende ze dit nou echt?
Ze streek haar jurk schoon en begon te lopen, alsof dit alles niet gebeurd was.
Ze keek me niet meer na. Waarom deed ze zo?
Ik liep achter haar aan. ‘Hey, wacht!’
Ze negeerde me en liep verder naar het steegje toe.
‘Wie ben je trouwens?’
‘Niet dat het jouw iets aangaat!’
Ze wilde verder linksaf gaan slaan, maar ik pakte snel haar arm beet.
‘Laat me los, klootzak!’
Ze probeerde zich los te rukken van mijn greep op haar arm, maar ik liet mezelf niet gewonnen.
Ze probeerde tegen te trippelen. Ik had snel de capuchon over haar hoofd omlaag getrokken. Ik keek haar verbaasd aan, ik had al het vermoedde dat ze me bekend voorkwam, maar ik had nooit verwacht dat haar haren kort waren. Ze had meestal een muts op school aan. Soms vroeg ik me af waarom ze nog steeds niet op haar donder kreeg doordat ze een muts op school droeg.
‘Carolina?’
‘Ja, zo gaat het wel weer.’ En ze duwde me, waardoor ik paar stappen naar achter deinsde. Ik keek haar nog steeds aan.
Ze had haar capuchon weer over haar hoofd geslagen.
‘Wat doe je trouwens hier?’ vroeg ik.
‘Niet dat het jou wat aangaat.’
Ze liep verder door het steegje, richting het pleintje op.
‘Ben je ook een tijdkeeper?’
Er viel een korte stilte, en draaide stil naar me om. ‘Zie ik eruit als een tijdkeeper?’
‘Wel, je bent net als ik terug in de tijd…’
Ze rolde met haar ogen.
‘Alsof alleen beschermers van de tijd terug in de tijd gaan,’ reageerde ze bot. Ik hoorde een beetje arrogantie in haar stem. Waarom reageerde ze zo bot tegen me?
‘Kon je ook wat vriendelijker zijn, zoals dat ik je hielp bij de bewakers en je ketting heb.’
Haar heldere groene ogen staren me aan.
‘Ehm, ja over mijn gouden ketting. Mag ik hem, alsjeblief?’ reageerde ze neutraal mogelijk.
Ik wilde haar de ketting geven, maar dat kon niet. Ik mocht niet met legen handen thuis komen. Mijn vader zou vast kwaad op me zijn als ik dat deed.
Ze gebaarde met haar hand ongeduldig. Wat moest ik doen?
‘Je hebt hem toch wel?’ Ze keek me langzaam boos aan.
Ik schudde mijn hoofd.
‘Ik wist het. Ik had het de hele tijd goed. Je bent en blijft een dief en een ongelofelijke klootzak.’ Ze keek me nu echt kwaad aan en ging verder. ‘Weet hoe kostbaar mijn gouden ketting was?’
Ik hield mijn schouders op. ‘Heel kostbaar en het was mijn enige kostbare bezit van mijn moeder die ik als klein meisje heb.’
Ik keek haar verbaasd aan. Ik kreeg een steek in mijn hart van schaamte. Ik wist hoe het voelde om een moeder te verliezen.
‘Echt stom dat ik in een ongelofelijke schoft als jij ben ingetrapt!’ schreeuwde ze woest.
De rest van het pleintje keek ook aan.
Ze duwde me opzij en liep voorbij de hoek van de pleintje om.
Schuldgevoelens boorde in me op. Ik schaamde me erg wat ik deed. Waarom had ik het gedaan? Alleen om mijn vader een plezier mee te doen?
Ik wilde nog iets tegen haar zeggen. Het liefst haar gouden ketting terug geven, maar ze had zich al linksaf om gedraaid van het pleintje en liep zojuist naar een ander steegje toe van de stad.
‘Hey, wacht waar ga.’
Opeens zag ik iets opvallends. Rook zweefde paar centimeter boven de grond en verdween langzaam uit het niets. Waar zou ze gebleven zijn?
Ik keek goed om me heen. Ze leek verdwenen te zijn, maar ook echt. Of zou ze soms in een van die huizen zich voor me schuilen? Er was iets aan het meisje, maar wat?

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen