Twee dagen eerder

Ik was weer terug in mijn eigen tijd. Schuldgevoelens border meer in me op. Waarom had ik gedaan? Ik wist niet eens dat haar moeder er niet meer was.
'Zo, daar ben je uiteindelijk.'
Ik schrok van reactie van mij vader. Ik had niet in de gaten dat hij in de huiskamer zat om op mij te wachten. Ik draaide me naar hem om.
'Heb je eindelijk iets meegenomen?'
‘Ja.’ Ik pakte het gouden doosje die ik eerder gestolen had op de markt verdaan en gaf het aan hem. Hij keek naar de buitenkant van het doosje.
‘Het is van echte goed zie ik.’
Ik knikte.
‘Dat is mooi,’ zei hij en hij maakte het gouden doosje open.
‘Alleen jammer voor de binnenkant.’
‘Hoe bed je?’
‘Dat er weer een voorwerp is zonder inhoud of iets. Voor jou leeftijd verwacht ik nu wel wat meer. Had je niks beters kunnen halen?'
Ik pakte nog iets uit mijn broekzak. Ik keek schaamtelijk naar het gouden ketting van Carolina, die ik gejat had.
'Je hebt eindelijk nog iets bij je, dan het simpele doosje.'
Hij gidste de ketting uit mijn handen.
'Kijk wat we daar hebben.'
'Dat is niet iets dat ik jou wilde geven.’
Hij hief streng zijn handen naar me uit.
‘Dat maakt me niet uit, jongen. Maar deze kostbare ketting wordt er tegenwoordig niet meer gemaakt. En het bijna geroesterde medaillon komt me ook erg bekend voor.’
‘Maar die ketting is niet eens van jou, pap.’
‘Dat maakt mij niet uit, mijn zoon. Het was jouw opdracht om iets aan mij te geven, en jij had die ketting ook zojuist aan me gegeven.’
‘Dat is niet waar, je pakte het uit mijn handen,’ reageerde ik bits.
‘Je wilde het aan mij geven. Ik neem deze ketting in beslag en kijk wat er allemaal in het medaillon zit.’
Ik wilde nog iets zeggen maar hij keek me streng aan. ‘En jij houdt je brutale mond dicht, jij snotneus!’
‘Baas gaat alles hier goed?’ vroeg een van mijn vader handlangers. ‘We hoorde je namelijk je schreeuwen.’
‘Ja, het gaat goed. Stuur mijn brutale zoon naar zijn kamer. Ik moet straks nog paar zaken regelen met de andere hoe ik twee gijzelaars kan afrekenen.’
Hij knikte en de hand langer liep op me af.
‘Het hoeft niet, ik ga zelf wel naar me kamer,’ mompelde ik boos.

Zaterdag probeerde ik me te bedenken waar hij het gouden ketting in huis had verstopt. Het moest ergens zijn waar hij dacht dat ik het nooit zal vinden, maar waar? Het moest ergens verstop zitten bij zijn hele nette en geordende plekken in huis. Soms vroeg ik me af hoe ik zo chaotisch en slordig kon zijn.
Mijn slaapkamer was altijd al een rommel geweest. De donkerblauwe ruitjes behang, die er al vanaf mijn geboorte was maakte mijn kamer er nog wat ouderwets uit, vond ik. De donkerbruine houten meubels, zoals mijn kledingkast en bureautafel gaven de kamer meer een diepmerende uitstraling. Mijn bed was bijna nooit opgemaakt. Er lag rommel op de grond, op het bureau en bureaustoel. Volgens mijn vader was mijn moeder niet zo chaotisch. Ik had het vast van een vreemde geërfd. Ik verliet mijn kamer. Ik wilde naar beneden gaan, maar ik werd hardnekkig tegen de muur aangeduwd.
‘Loop ook niet midden op het gangpad, kneusje,’ zei Marc spottend. ‘Het hele huis is trouwens niet van jou.’
‘Dus? Het is toch ook niet jou bezit?’ vroeg ik.
‘Nee, maar in de toekomst misschien wel, en dan schop ik jou er ook letterlijk uit.’
‘Volgens mij hoef je daar geen zorgen te maken. Het zou vast tien jaar duren voordat jij de nieuwe Maria baas wordt en dan ben ik allang uit huis,’ reageerde beleefd, ook al klonk een beetje nors in mijn stem.
Ik hoorde een cynische gesnuif.
Ik liep zonder iets te zeggen naar de trap toe, maar mijn broer hield me tegen.
‘Waar ga je toch heen, jochie?’ Hij had me bij mij shirt van achter gepakt. Hij reageerde tegen me alsof ik nog een jong kind was die iets deed dat niet mocht.
‘Ik wilde alleen naar beneden gaan, of mag dat soms ook niet?’
Ik keek hem bits aan. Ik zou verwachten dat hij me spottend aankeek met een cynische blik in zijn gezicht, maar in tegendeel keek hij me zo neutraal mogelijk aan. Zelfs zijn blauwe ogen vertonen geen enkel sprankel of spot.
‘Hey, ik weet wat je van plan bent.’ Hij had me allang los gelaten.
Ik draaide me volledig naar hem om. ‘Wat dan?’
‘Je bent opzoek naar iets.’
Hoe wist hij dat? Ik zei niks, maar keek hem recht aan.
‘Ik ken je zo onder ander wel, maar dat doet er nu niet toe.’ Hij keek om zich heen en keek me weer aan. ‘Luister, ik heb gehoord dat ons vader iets belangrijks heeft waar hij uitzoekt. Volgens mij een sieraad.’
De ketting van Carolina. Ik had bijna gezegd. Maar ik hield mijn kaken dicht op elkaar. Ik vertrouwde Marc niet. De truckjes van mijn broer was ik onder ander wel gewend geraakt. Hij wilde juist zorgen dat ik informatie van iets zegt, zodat hij het aan onze vader kon doorgeven.
‘Ik denk dat je er iets van weet, aangezien ik gehoord heb dat je het aan hem gegeven hebt.’
‘Ik had het hem niet gegeven hij had het uit mijn handen gepakt.’
Zijn cynische blik kwam weer terug op zijn gezicht. ‘Zo dus, je had het niet gestolen het voorwerp?’
‘Tuurlijk wel, geloof je me soms niet?’
Hij pakte me bij mijn schouder. Ik hoorde hem nog zuchtte.
‘Ik betwijfeld het, je hebt zelf gezegd dat vader Jacky het uit jouw handen heeft gepakt.’
Hij zei onze vader naam, alsof het zijn vader niet was. ‘Weet je zeker dat je het gejat heb de spullen? Met onder andere het gouden kistje’
‘Ja, ik had het kistje zelf ook uit het verleden gejat. Hij was gister zelf nog getuigen geweest, vraag het hem anders zelf.’
Ik haalde zijn hand van mijn schouder. ‘Ik had het hem vrijdag avond nog aan hem gegeven.’
Hij keek bedachtzaam met zijn vingers op zijn kin. Aan zijn blik te zien leek hij ergens te denken.
‘Hoe kwam je aan de ketting?’
‘Van het verleden gestolen.’
‘Nee, ik bedoel, stomkop. Van wie je het gestolen hebt.’
‘Doe dat er aan toe? vroeg ik nors.
Ik draaide me om en ging naar beneden. ‘Het gaat mijn eikel van een broer niks aan van wie ik het gestolen heeft.’
Ik draaide me nog om naar de trap om te kijken of Marc woest op me afkwam.
Een zucht verliet mijn lippen.
Ik liep langst de hal voorbij de woonkamer. E gouden ketting van Carolina zou hier ergens moesten zijn. Of op het kantoor van mijn vader, waar ik bijna nooit mocht zijn. Ik ging kijken of het daar lag en hopen dat er niemand was. Vooral mijn vader niet. Ik wist misschien waar zijn kantoor lag. Ik liep linksaf van het huis. Mijn hart bonkte in mijn kill en mijn handen trilde bijna van de spaning. Ik voelde het zelf bij mijn benen, die trilde bijna las een rietje. Ik was tegelijkertijd ook een beetje bang dat ik betrap zou worden door mijn vader of een van zijn handlangers.
Met mijn trillende hand klemde ik de deurklop van zijn kantoor voorzichtig open.
Ik was zo’n kluns geweest om niet af te luisteren of er iemand in het kantoor zat. Ik maakte de deur verder open en keek goed in het kantoor van mijn vader. Er was helemaal niemand in het kantoor.
Ik zou moeten denken dat zijn kantoor een beetje ouderwets was en hetzelfde leek als in de maffia films, maar het zag er heel erg modern uit. Het leek zo wel op een kantoor van de werkgeven van een advocaten kantoor of bedrijf. De kwam er was erg verlicht door de TL buizen die op de plafon hingen. De vloer was van donkerblauw tapijt dan van tegels, zoals de rest van onze huis. Er zaten twee stoelen voor de kantoor, waardoor ik echt het gevoel had dat er mensen bij hem op de kantoor zaten. Zijn zwarte leren bureaustoel zat voor het grote gigantische donkere geverfde houten bureau van hem, waar nog zijn zakelijke spullen op zaten. Achter hem zag ik een grote witte boekenkast vol boeken. Bij de hoek van de kamer stond een kopieer apparaat, en ik vroeg me af of de maffiabendes vaak de kopieerapparaat gingen gebruiken. Ik begon bij zijn stapel op het bureau. Er lag niks. Ik doorzocht de lade. Mijn hart maakte een sprongetje op het moment toen ik een glim of een gouden draaide zag. Maar het was hem niet. Het was een draadloze gouden horloge. Waar zou het moeten zijn?
Ik doorzocht het laatste la van zijn bureau, maar ik was tegelijkertijd ook artlet bij de deur. Er was niemand die de wacht voor me ging doen. En dit was al erg riskant. Als mijn vader of iemand anders deze kantoor in kwam, dan was ik geweest. Ik schrok inwendig van een knal achter me. Met een ruk draaide ik me om. Mijn hart ging wild te keer.
Ik vroeg me af waar het verdaan kwam. Ik zag de rij boeken, waarvan er twee op de grond waren gevallen op het tapijt. Ik raapte de boeken op. Ik legde het rode dunne boek weer terug met een vreemde titel. Deze boeken die mijn vader in het kantoor had, waren geen boeken die je in de bibliotheek tegen kwam of bij of in onze de bibliotheek van dit huis. Hoe kwam mijn vader aan zulke vreemde en onbekende boeken?
De titel van het grote dikke blauwe boek in mijn handen vielen erg op.

De plannen van de duistere heerser.

Ik kreeg hier een vreemde gevoel bij. Wie was de duistere Heerser? Het boek voelde mysterieus aan, waardoor ik de rillingen kreeg.
Maar toch was ik ook erg nieuwsgierig over het boek.
Ik openende het boek. De inhoud en de pagina indeling van het boek van waar elk hoofdstuk ging klonk zo mysterieus ,maar tegelijkertijd erg duister. Ik sloeg de volgende bladzijde over. Ik was verbijsterd wat ik allemaal de eerste twee pagina’s allemaal las.
Hoe kwam mijn vader hieraan? Er klopte iets niet. Plots hoorde ik de deurklink van de deur. Ik legde meteen het boek terug in de boekenkast en ik probeerde me snel mogelijk te verstoppen. Ik verstopte me onder de grote bureau, en hoopte dat ik niet betrapt werd. Het geluid van voetstappen kwamen de kamer in. Ik zag net onder het bureau een paar schoenen, die dichterbij kwamen. Mijn hart bonkte in mijn kil. Ik hield mijn adem in op het moment toen mijn vader Jacky plaats nam op zijn bureau. Ik durfde zelf niet eens een beweging te maken, bang dat ik betrapt zal worden dat ik hier zat. Ik wachtte af. Secondes werden minuten. De minuten leken wel uren die duurde. Ik dacht plannen om hier onopgemerkt onderuit zi n te komen, maar mijn ideeën leken niet echt iets om zo onopvallend mogelijk hier weg te gaan. En ik kon toch nergens heen. Mijn vader zat bij de opening op zijn bureaustoel voor mijn verstop plek. Ik kon niks anders dan afwachten. Ik hoopte maar dat hij snel mogelijk weer uit zijn kantoor ging, Maar te zien was hij erg druk bezig.
Een zucht verliet mijn lippen.
'Wat was dat!?' schreeuwde mijn vader.
Shit, hoe kon ik zo stom zijn om geluid te maken? Hij bukte wat naar mijn verstopplek hij bukte bijna. Nu was ik er echt geweest.
We mochten bijna nooit bij zijn kantoor komen. En hij heeft wel eens ons gestraft wanneer we het eens deden.
Opeens hoorde ik geklop.
Mijn vader zat weer recht overeind op zijn bureaustoel.
'Wie is daar?'
'Baas, is alles goed?' vroeg een van zijn Maffiawerknemers.
'Ja, Theo. Alles gaat goed,' antwoordde mijn vader. Er klonk ergernis in zijn stem.
'Ik hoorde je schreeuwen. Maar ik kwam hier omdat er problemen in de kelder zijn. Een van de gijzelaars probeert te ontsnappen.'
Hij stond van zijn bureau stoel.
'Dan valt er zwarte maatregelen te komen,' zei mijn vader, terwijl hij naar de deur toe liep. Hij de deur achter hem dicht. Ik zuchtte uit opluchting. Ik ging onder zijn bureau stoel verdaan. Ik maakte dat ik uit zijn kantoor ging. Ik haastte me naar de deur en deed het achter me dicht. Mijn hart bonkte nog steeds. Ik was bang dat ik betrapt zou worden.

De rest van de weekend had ik mijn tijd verdoe met huiswerk en gitaar spelen. Die maandag op school probeerde ik naar Carolina toe te gaan. Ik probeerde haar telkens uit te leggen dat het me speet, maar ze reageerde nog steeds bot tegen me. Ook een beetje te begrijpen. Het was haar moeders ketting die ik gejat had.
Ik probeerde het nog eens in de lunch pauze, maar ze liep me telkens voorbij en ze stak me een middelvinger toe.
Ik zuchtte en gaf het op. De laatste les uur was aangebroken. Ze was de eerste die in de klas zat en wierp me een vernietigende blik toe. Als alle blikken konden doden.
Mevrouw Aerkers kwam de lokaal in. Ze vertelde kort over de geschiedenis daarna vertelde ze ons over de geschiedenis werkstuk die we twee aan twee moesten maken. Ik keek Rosalyn aan. Ik hoopte dat ik met haar mocht samenwerken. Ze was zo knap, intelligent en bescheiden.
Vooral nu er vier namen nog overgebleven waren.
‘Als ik maar niet met Deen hoeft samen te werken,’ mompelde iemand naast me. Vast Carolina, die me haat.
‘Carolina jij gaat samen met Deen samenwerken.’
Ik baalde zelf ook, ik had het liefst met Rosalyn samen willen werken.
Carolina wilde protosterren dat ze met iemand anders wilde samen werken, maar dat kon niet. Uit boosheid verliet ze de geschiedenisklaslokaal Een harde knal van de dichtgeslagen deur liet iedereen schrikken.
Jemig, ze haatte me echt.
‘Weet iemand wat het kind last van heeft?’ vroeg mevrouw Aerkers bezorgd, maar ik hoorde boosheid in haar stem.
De rest van de klas wist het ook niet.
‘We hebben nog paar minuten les. Ik ga achter dat kind aan,’ zei ze bits.
Het was voor het eerst dat mevrouw Aerkers erg streng en boos klonk. Meestal was ze dat niet. Ze werd in de jaren dat ze hier werkte vaak gezien als een lieve en zachtaardige vrouw.
Ik stak meteen mijn hand op.
Mevrouw Aerkers wilde net de klas verlaten, maar keek mij nog aan.
‘Zeg het eens.’
‘Zal ik anders gaan, mevrouw? Kijken waar ze is?’
‘Ik weet niet of het een goed idee is,’ antwoordde ze.
‘Ik weet waarschijnlijk waarom ze zo doet. Ze is boos op mij, en ik moet toch de komende maand met haar samenwerken.’
‘Vooruit dan, ga maar.’
Ik pakte mijn spullen en verliet de lokaal.
Waar zou ze toch zijn? Ze zou toch niet het school hebben verlaten? Ik liep rechtsaf naar de in en uitgang van de school. Ze zat op de grond met haar rug tegen de kluisjes aan. Haar gezicht leunde voor haar knieën en ze had haar armen over haar heen geslagen.
Ik was tegelijkertijd plots nerveus. Ze had bijna de hele dag zo boos en haat vol tegen me gedaan. Toch liep ik naar haar toe. Verbeelde het me of hoorde ik haar huilen?
‘hey, gaat het wel?’
‘Zout op Deen!’
Haar stem klonk een beetje gesmoord.
‘Als je nog boos ben dan…’
‘Ja, dat ben ik!’ Oké, juist ja. ‘Maar hoe zit het met het samenwerken?’
Ik wachtte op een antwoord, maar ze keek recht vooruit. En veegde de tranen van haar gezicht. Ik had toch gelijk ze had gehuild.
Ze stond op en keek me zo brutaal aan. ‘Je zoekt maar iemand anders.’
Ik wilde nog iets zeggen, maar liep het school gebouw uit.
Ik had het weer verknald. Wat moest ik doen, terwijl ze me haat en niet met me wilt samenwerken?

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen