Met boosheid ging ik naar mijn kamer. Ik had geen woord tegen mijn broer gezegd onderweg toen we naar huis gingen. Hij had het me nog gevraagd wat me dwars zat, aan mijn boze gezicht en betranen ogen te zien, maar ik weigerde met hem of wie dan ook te praten. Ik had de deur keihard dichtgeslagen en ik wilde de komende tijd niemand zien. Vooral Deen niet. Ik probeerde afleiding te zoeken, totdat ik eindelijk moe was en langzaam in slaap viel.

Twee dagen waren verstreken. Ik had gister moeten nablijven, als dank omdat ik volgens mevrouw Aerkers te brutaal tegen haar was en haar klas verliet zonder toestemming of voordat de les voorbij was.
Ik probeerde Deen zoveel mogelijk te vermijden. Hij zou onder ander wel moeten weten dat sorry zeggen niet genoeg is om het gouden ketting van mijn moeder weer terug aan mij te geven. De simpele lessen leken snel te duren ik was meteen al klaar met het makkelijke werk. Ik was in de pauzes tegenwoordig in de bibliotheek, aangezien ik Deen niet wilde zien.
Ik had voor de rest ook geen behoefte voor gezelschap of om een massa mensen van de school in de kantine te zien. Sinds dat mijn vrienden me vroeger allemaal in de steek lieten had ik niet echt behoefte meer in vriendschappen.
Ik vermaakte mezelf wel.

Ik pakte het boek uit mijn tas en begon te lezen, ik wilde volgen wat er allemaal in het boek was, maar mijn gedachtes gingen telkens ergens anders heen. Gedachtes dat paar jaar geleden afspeelde.

Ik draaide me om en keek om me heen waar de rest van mijn vrienden waren. Ik zag niemand, behalve het heldere groene grasveldje en het zandpadje tussen het grasveld.
Waar zouden mijn vrienden toch zijn?
Ik liep op het zandpadje. Bij de zijkanten achter het grasveldje waren bomen waar verschillende soorten vruchten groeien, die op aarde nooit zouden groeien. De takken waaide mee met de wind, maar ze zaten nog stevig aan de bomen. Ik voelde zelf een koude blies op mijn gezicht. Zelf mijn lange donkerbruine haren waaide mee met de wind.
‘Vera, Steve, Whidney, Mirtha, waar zijn jullie?’ schreeuwde ik. Geen reactie.
Waar waren ze gebleven? Ik dacht dat ze op me zouden wachten. Ik liep nog verder en hoopte een glim van ze te zien. De wind waaide steeds harder dat ik zelf kippenvel op mijn armen kreeg. Hoe verder ik liep hoe kouder ik het kreeg van de wind. Ik had hier plots een heel vreemd gevoel van, van dit alles. Waar waren mijn vrienden gebleven? En waarom duurde het toch langer.
Plots voelde ik een hand op mijn schouder. Geschrokken draaide ik me om.
‘Rustig, ik wilde je niet bang maken.’
Voor me stond de postwacht. Hij had zijn lichtroze wacht kleding aan, die er echt niet uit zagen. Waarom moest iedereen in het lichtrijk er zo tuttig uitzien met roze en wit telkens? Het was gewoon geen gezicht en het zag er ook niet uit. Het kon misschien aan mij komen omdat ik niet van de kleur roze hield.
‘Peter, weet u misschien waar mijn vrienden zijn?’ vroeg ik beleefd en nerveus.
Waar kwam de nerveusheid ineens verdaan?
Hij wilde iets gaan zeggen, maar plots hoorde ik iets bij de struiken en achter een van de vruchtbomen hoorde ik ook geritsel.
Verbeeldde het me, of zag ik een van mijn bij de struiken. Ik schreeuwde naar ze, maar ze reageerde niet. Het moest vast een greintje zijn die ze met me uithalen. Ik rende naar ze toe.
Peter schreeuwde mijn naam nog, ik negeerde hem en rende door het gras velde naar mijn vrienden toe.
‘Ik weet dat jullie daar zitten,’ zei ik opgewonden.
Ik keek achter de struiken en zag ze alle vier. Ik dacht dat ze alle vier vrolijk verassing gingen zeggen, maar ik kreeg een naar gevoel hierbij. Ze zaten nog steeds, alsof ze onopgemerkt daar zitten, behalve dat ze me alle vier boos aan keken. Ik kreeg eens stomp in mijn hart. Waarom keken ze me allemaal zo boos aan? Had ik soms iets verkeerds gedaan?
‘Hey, jongens is er iets?’ vroeg ik bezorgd.
Ze stonden allemaal op zonder een woord tegen me te zeggen.
Ze liepen verder en gaven me ineens geen bleek waardig.
‘Heb ik iets verkeerd gedaan?’
‘Ugh, waarom is ze telkens een pret verpester,’ reageerde Whidney bot.
Mirtha ging met haar hand over haar blonde haren.
‘Zo is dat verwende wicht eenmaal,’ reageerde Steve.
Ik kreeg een steek in mijn hart van de kwetsende woorden die mijn vrienden zeggen.
‘Waarom doen jullie zo?’
Weer geen antwoord.
‘Kan dat wijf niet voor een keer haar…’ Ik wist wat Vera ging zeggen. Ik pakte haar bij de schouder en ze draaide zich naar me om. De rest van mijn vrienden deden dat ook.
‘Zo iets zeg je niet tegen een…’
‘Tegen wie niet? Een verwend nest als jij?’ reageerde Whidney arrogant.
‘Wat is opeens jullie probleem?’ reageerde ik gekwetst.
Steve keek me boos aan. ‘Jij bent het probleem. En jij was trouwens de hele tijd al onze probleem. Maar dat was ook te begrijpen.’
Ik keek hem beledigend aan. ‘Hoezo jullie probleem?’
‘Dat we wel klaar zijn met jou,’ reageerde Vera.
‘Klaar zijn met mij? Waarom doen jullie opeens zo gemeen? Ik dacht dat we vrienden waren?’
Ik hoorde ze lachen. Ik voelde me erg vernederd doordat ze me uitlachen. Tranen brandde in mijn ogen.
‘Vrienden? Denk je nou echt dat we nog vrienden met jou zijn?’ reageerde Whidney en Mirtha in koor.
‘Nu we lid zijn van een club die de zwarte elite voor ons geregeld hebben zijn we geen vrienden meer. Nooit meer.’
‘We waren trouwens nooit vrienden geweest, niet meer sinds de leden van het zwarte elite de waarheid over jou lieten zien. We haten je?’
Ik kon het niet laten. De tranen rolde over mijn wangen. ‘Waarom? Wat had ik jullie aangedaan? Was ik ook niet degene die voor jullie klaar stonden toen jullie het zwaar hadden?’
‘Dat zou best kunnen, maar we hebben je niet meer nodig.’
Ik voelde meer pijn van verdriet.
Ik hoorde peter achter me mijn naam roepen.
Ik zakte op mijn knieën. Meer tranen stromen over mijn wangen en een druppelde op de zanderiger pad.
‘Gaat het?’
Ik keek weer om naar mijn ex-vrienden, maar ze waren allemaal verdwenen. Alsof ze er voor mij neus niet stonden. Ze konden waarschijnlijk niet snel hier voor mijn neus weggevlucht hebben. En verdwijnen was mogelijk. Mijn ex-vrienden van de lichtkinderen waren niet eens volbloedjes. Ik snikte verder.
Ik voelde weer een hand op mijn schouder.
‘Hey, het is oké,’ suste Peter me.
Het was niet oké, dit keer voelde ik me ontroostbaar dan ooit.

Ik schrok van de luide schoolbel. Mijn gedachtes waren weer in het hier en nu. Was ik soms in slaap gevallen? Mijn hoofd moet nog helder zijn en mijn ogen voelde vermoeid aan. Er rolde opeens een traan over mijn wang. Ik wreef in mijn ogen en pakte mijn spullen en vertrok uit de bibliotheek. Natuurkunde gevorderde stond op het rooster. Ik wilde naar de het klaslokaal gaan, maar iemand pakte me bij mijn arm. Ik werd tegengehouden door iemand die ik niet wilde zien.
‘Wat moet je, Deen?’ Ik keek hem brutaal aan.
‘Over paar dagen geleden.’
‘Als je weer komt om je te verontschuldigen dan is het al…’
‘Ik heb het over de geschiedeniswerkstuk die we samen moeten maken.’
‘Ik heb nu geen tijd, Deen. Ik moet naar de les.’
Ik rukte mijn arm los en liep het klaslokaal in.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen