Vijf jaar geleden.

Ik kon het nog goed herinneren toen ik een jaar of negen of tien was. Het leek gister. Ik schopte het glinsterende witte bal naar mijn broer Stijn die al rond de elf was. Een koude wind blies waaide in mijn gezicht.
'Schopt de bal eens aan mij!' Hoorde ik een van mijn achter neven schreeuwen.
De bal rolde naar Tommy toe.
'Schop de bal aan mij, Tommy,' reageerde ik bij een van de roze struiken.
'Hij komt naar jou toe, Rachellia.'
De bal rolde mijn kant op. Schrok ik toen ik de bal wilde vangen duwde opeens iemand me in de struiken. De takken prikken pijnlijk bij mijn blote huid. En mijn haar zat vast bij de doorns van de klap roze.
Wie had dat gedaan?
Woest probeerde ik weet uit te struiken te komen, maar dat ging niet makkelijk. De takken en doorns zorgen kraste pijnlijk op mijn blote huid. En mijn haar zat vast bij de struiken die ik los moet maken.
Ik keek verwoest naar diegene die het gedaan moest hebben. Het witte bal was naar de overkant gerold richting mijn irritante achternichtje Isabella. Ze was twee jaar ouder dan ik, maar we konden elkaar niet uitstaan.
Wie had me in de struiken geduwd wilde ik zeggen, maar mijn achternicht keek me arrogant aan. 'Wat is er met jou haar gebeurd?' vroeg ze spottend.
Ik ging met mijn hand naar mijn haar. Ik voelde paar blaadjes, takjes in mijn haar en ik haalde het veel mogelijk uit mijn haar. De vlecht in mijn haar was een deel los gekomen. 'Zeker de nieuwe mode?'
'Jij had me zeker in de struiken geduwd,' zei ik kwaad met stem verheffing.
Ze keek de andere aan. 'Heb ik haar soms in de struiken geduwd?'
'Nee,' zei Yion, Stijn, Unica in keer.
'Ik heb niemand haar in de struiken zien duwen,' Reageerde Fiona.
'Ik anders ook niet.'
Isabella keek me weer spottende aan. 'Zie je, jou bewijs.'
'Jij hebt met jouw lichtgave me in de struiken geduwd,' siste ik.
'Het zal wel.'
De bal kwam weer haar kant op. Ze keek me aan. 'Wil je de bal.' Ik reageerde niet. Ik keek haar nog steeds kwaad aan. 'Je mag hem hebben. Ik stop met dit spel.'

De rest van ons stopte ook.
'Hey, wat is dat nou?' vroeg Stijn naast me. Hij streelde mijn arm waar de krassen van daarnet zaten.
'Niks.'
'Ik denk dat er wel wat is. Aangezien je nog steeds kwaad bent.'
Ik keek Stijn in het gezicht aan. 'Had je dan niet gezien hoe ik in de struiken beland was?'
'Nee, sorry. Het was misschien een ongelukje.'
Ik wilde nog iets zeggen, maar de woorden kwamen niet uit mijn lippen.
'Maar we kunnen beter naar het eetzaal gaan. We gaan zo eten.'
Aan de lucht te zien was het nog steeds helder blauw en de zon scheen nog steeds alsof het middag was. En het was niet eens zomer.
Ik knikte en liep met hem mee naar binnen in het paleis.
Bij de hal die wat donker verlichtte door de weinig lichten. Soms had ik het gevoel alsof de hal van deze paleis net een kasteel van de middeleeuwen was die weinig verlicht werd, ook al was deze paleis maar twee eeuwen oud maar de hal voelde ouder en kouder aan. Ik hoorde voetstappen bij de kruispunt van de hal, waarvan ik zeker wist dat het niet de onze waren. Ik draaide me om naar het geluid van de twee paar voetstappen. Mijn blik naar de twee mannen. Het waren vast adviseurs en het raad van bestuur die voor mijn overgrootvader werkte, maar ik had ze nooit eerder gezien.
Wie waren die mannen? De koning had toch vaak dezelfde mensen die voor hem werken als het goed was? Ik kwam hier soms hier heel soms in het paleis, maar ik kon me ook vergissen. De twee mannen zagen er wel verkleed uit alsof ze een hogere status hadden. Ze namen de trap naar boven.
Mijn broer Stijn trok me bij mijn arm. 'Hey, Rachel. Kom je nog? De zaal is deze kant op.'
'Ik kom zo,' reageerde ik. 'Maar ik moest alleen iets halen.'
Hij keek me vreemd aan, maar zijn blik veranderde weer in neutraal. 'Oké, pak wat je vergeten was.' Hij draaide zich om en liep naar de eetzaal toe. Ik rende gehaast de trap op. Ik hoopte maar dat ik de twee mannen niet uit het oog was kwijt geraakt.
Ik was nogal nieuwsgierig wie die twee mannen waren. Zouden ze misschien die nieuwkomers zijn? Of kwamen ze hier maar een keer voor iets belangrijks. Ik leek een glim te zien van de ene van de mannen glinsteren kleding stuk bij de gang. Gehaast rende ik achter hem aan. Ik zag ze nu beter. De achterkant alleen dan. De achterhoofd van de linken man had bruin haar en de ander halflang blond haar EN zijn kleding waren donkerpaars met goud in plaats van donkerblauw zoals de bruinharige man. Ik rende nog steeds achter ze aan toen ze de vleugel namen van het paleis.
Snel verstopte ik me achter een vast op het moment toen een van de mannen zich omdraaide.
'Hoor je ook iemand?' vroeg de blonde man.
'Ik denk dat het de fakkels zijn die aan staan.' Ze liepen weer verder.
Ik ging op mijn tenen staan en volgde ze tot bij het grotere vergader zaal van de koning. De zaal waar kinderen niet mochten komen, behalve als ze tot koning werden gekroond, dat bij onze monarchie erg zeldzaam was. Aangezien we langer leven dan een gemiddelde sterveling op aarde. Maar het was wel eens voorgekomen dat iemand op acht jarige of tien jarige leeftijd koning werd, maar dat was meer dan paar eeuwen voor mijn geboorte voorgekomen. Ik nam de kamer naast de zaal die in verbinding was met het vergaderzaal. Ik moest wennen aan de donker in deze kamer. Het zag er in de kamer stoffig uit en wat kleiner. Er lag een lange grote broekenkast tegen de muur.

Ergs midden in de kamer was een tafel, maar er zaten in deze kamer nog kastjes, bronzen kisten en voorwerpen die onder de stof en spinnenweb zaten. Hoelang geleden was het toen er nog iemand in deze kamer kwam?
Ik was gelukkig niet zo bang voor spinnen zoals mijn stomme achternicht. Ik liep ver door de kamer. Als het goed was zou hier ergens een deur moeten zijn die rechtstreeks naar de zaal hiernaast zal uitkomen.
Ik schrok inwendig van de knal op de grond. Mijn hart bonkte in mijn kil. Wat in vredesnaam was er van de tafel gevallen? Ik draaide me om en raapte het stoffige boek van de grond op de tafel. Ik had niet naar het boek gekeken of de stof eraf geveegd om te kijken wat voor boek het was die op de tafel stond. Ik liep naar de muur. Ik zag een glim van een houten deur. Er was zelf een sleutelgat om door de kamer heen te kijken. Ik had het geluk ik kon ook kijken wat ze allemaal in de zaal mee bezig waren. En zo te zien zaten er maar vijf mannen in de zaal. Veel weinig dan ik verwacht had.

'Goed heren, fijn dat jullie allemaal gekomen voor deze korte vergadering,’ zei mijn overgrootopa. Hij schraapte zijn kil en ging weer verder met het woord. ‘Deze twee mannen zijn in het paleis gekomen om nog paar nieuws hier aan te bespreken, met onder ander wat we allemaal kunnen verwachten in de toekomst als ik er niet meer ben.’
Ik slikte een brok in mijn kil weg. Gaat mijn overgroot opa dood? Hij was ook erg oud. Zijn lange witte haren en baard moest me denken aan die ene toveraar uit het boek lord of the rings van de ene schrijver J.R.R Tolkien.
'Tot u dienst, uwe majesteit,' reageerde een van de blonde mannen in de zaal. Ik zag via de sleutelgat dat hij een blonde snor en een baard had.
'Het is immers belangrijk om het erover te weten, maar je weet maar nooit of hij ooit weer ontsnapt.'
Wie is hij die ze bedoelen? Is het een gevangenen die die ze bedoelen?
'Jullie bedoelen de duistere heerser die veel ellende en kwaadaardigheid had gestoken bij onze rijk en de beschermers van de tijd.'
De duistere heerser? Wie was de duistere heerser? Waar had mijn overgroot opa het over?
'We vrezen dat hij weer de kans zal krijgen om te ontsnappen.'
'Ik denk dat jullie, jongeheren daar niet druk over hoeft te maken, aangezien hij al eeuwen vast zit. Hij zit al meer dan twee eeuwen vast.'
'Maar je weet het maar nooit. Het is wel de tweede keer dat hij vast zit, nadat hij duizenden jaren geleden probeerde de beschermers van tijd probeerde uit te roeien en het lichtrijk probeerde te vernietigen.'
'Daar hebben jullie natuurlijk gelijk, maar we hoeven ons niet te vrezen wat er kan gaan gebeuren,' zei de koning 'Mijn betovergrootvader had voordat hij op zijn sterfbed lag mij eens het verhaal verteld toen ik nog maar een vijf jarige jongetje was. Dat je niet moet vrezen van het kwaad, omdat zijn overgrootvader het kwaad overwon en de duistere heerser in de duisternis heeft gebannen.'
Als ik het goed hoor had een van mijn voorouders de slechterik gevangen genomen en vervolgens hem laten verbannen. Maar waarom wist ik daar niks van over? En wat voor slechts had hij moeten hebben gedaan? Wist mijn vader hier misschien over?
'Dat u dat allemaal als vijf jarige nog wist wat hij u vertelde.'
Terwijl mijn overgroot opa nog niet eens honderdvijfentwintig jaar oud was.
'Maar ik denk dat een nakomeling van een van uw achterkleinkinderen jammer genoeg hem nog moeten meemaken.'
'Is dat zo?' vroeg de koning verbaasd.
De mannen keken elkaar aan en keek mijn overgrootopa weer aan. 'Ja, tot mijn spijt uwe majesteit. U heeft wel eens gehoord over de uitverkorene die de volgende troonopvolger wordt?'
Over de uitverkorene?
Nu was ik echt nieuwsgierig. Ik hoorde een gedeelte over het uitverkorene.
Ik leunde tegen de deur aan, toen ik zojuist meer wilde weten over de uitverkorene die ze bedoelen. Ik was zo een kluns om tegelijkertijd met de deurklink te leunen. Ik dacht dat de deur op slot zat en dat niemand de deurklink kon horen, maar de deur ging zomaar dat ik het wilde open. Ik viel bijna, maar ik wist mijn belandt te vinden.
Paar blikken keken me allemaal aan.
Zelf van mijn overgrootvader Hij was nogal verbaasd om mij te zien.
'Wat doet dat kind hier?' vroeg een van de mannen boos.
'Het is de jongste dochter van mijn jongste zoon,' zei mijn opa. Ik wist niet dat mijn opa ook in de vergaderzaal zat.
Opeens klopte iemand Aan de deur. Mijn vader kwam de kamer in. 'Rachellia, wat doe jij hier in deze zaal? Ik had je overal in het paleis proberen te vinden.' Hij keek me boos aan en ging verder. 'Jouw broer zei dat je naar boven ging om iets te halen, maar je was lang weg.'
Ik wilde nog iets zeggen maar de woorden slikte ik meteen weg.
'Het is geen probleem. We waren toch al klaar met deze korte vergadering,' zei een van de mannen. 'Uw dochter moest vast erg nieuwsgierig aagje zijn.' vervolgde de blonde man. Hij klonk niet meer boos.
'Jammer genoeg wel. Mijn verontschuldigen, heren.' mijn vader knikte naar mijn overgrootvader. 'grootvader, Uwe majesteit. Excuses voor het gedrag van mijn dochter.'
Mijn vader pakte me bij mijn arm en sleepte me uit deze kamer.
'Waar was je mee bezig? Je kan niet in iemand zaken mee bemoeien.'
'Dat deed je vroeger ook, vader.'
'Ja, maar ik was toen acht en dachten niet na.' We liepen de hoek van de gang om.
'Ze hadden het over een uitverkorene' We liepen de de trap af. 'Is het waar dat de volgende generatie een uitverkorene zal worden?'
'Dat weet ik niet, de legende die jij bedoelt is al eeuwen oud.'
'Maar wie is de duistere Heerser?' vroeg ik verder.
Mijn vader keek me geschrokken aan alsof hij iets ergs gehoord aan. 'Dat zijn jouw zaken niet, 'Rachellia.'
'En waarom niet?' reageerde ik nors. 'Omdat je te jong bent om die zaken te begrijpen. En ik wil liever niet dat je daar in verdiept.'
'Maar ik ben ....'
'Ook al was je zestien,' reageerde mijn vader streng. 'Ik verbied het je!' De laatste zin sprak hij luid mogelijk.
'Is dat duidelijk?' Hij wees streng met zijn wijsvinger.
'Ja, vader,' mompelde ik. Hij draaide zich om en liep richting de eetzaal.
Boos sloeg ik mijn armen over elkaar en volgde hem.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen