'Hij zit als het goed is verbannen in de duisternis.' hoorde ik een mannelijke stem.
Over wie had diegene het over? Bedoelen ze soms de duistere heerser?
Het lichtflits was al verdwenen en mijn ogen wende weer aan het licht. En wel licht van overdag, alsof de zon buiten zojuist scheen.
'Waar zijn we?' vroeg Carolina.
Dat was een goeie vraag. Het voelde aan als een vreemde omgeving. Overal om ons heen was land die verbouwd was. Bij een korte afstand waren paar huisjes. Bij sommige huizen kwam stoom uit de schoorsteen.
En de stinkende geur van mes drongen mijn neus door.
'Ik weet niet waar we zijn, Carol. We kunnen gaan kijken.'
We liepen naar het huisjes toe. Paar van de mensen waren druk bezig. En een paar hadden ons opgemerkt. Paar blikken keken ons aan. Was waarschijnlijk ook niet vreemd. Dat twee vreemde van een ander tijdperk ineens hier ergens in het middeleeuwen of veel eerder belandde.
De zweer werd hier minder aangenamer.
Ik schrok van een kille stem achter me.
'Wie zijn jullie?'
Geschrokken draaide we ons om.
Een jongen met blond haar kwam paar stappen dreigend met zijn mes mijn kant op. Zijn scherpe mes was maar paar centimeters van mijn gezicht verwijderd, maar ik was nog steeds in schrok van zijn dreigende gebaar.
'Ik zeg het nog eens. Wie zijn jullie.'
Het was Carolina die het woord nam. 'Wil je niet zo gevaarlijk doen met het mes, voordat ik je op de grond vloer.' Ze keek hem woest aan.
'Niet, totdat jullie zeggen wie jullie...'
'Ranicus, laat ze!' De blonde jongens draaide zich beschaamd achterom van de mannelijke oude stem.
Een man van middelbaar leeftijd kwam een van de huisjes uit. Hij zag eruit als een monnik, dat zou vast komen doordat hij bij zijn kruin kaal was en een bruine gewaad droeg, die je vaker zag in films over monniken in de middeleeuwen.
'Maar, het kunnen indringers zijn die ons willen roven' zei Ranicus.
'Ze zien er anders niet gevaarlijk uit. En ik denk niet dat ze hier gekomen zijn om te roven. Athans, Dat denk ik.'
'Maar de rovers hadden mij wel vaak belazerd en bijna mijn hele familie uit gemoord.' Zijn stem klonk smekend. Verbeeldde het me of zag ik knikken knieën. Wat een dappere gast was Ranicus. En maar denken dat ik het grootste watje was.
'Jij hebt al een nieuwe familie hier, Ranicus. Je kan weer verder gaan met jouw dagelijkse taken. Ik zal deze gasten als nieuwkomers behandelen.' Ranicus knikte buigend en liep voorbij ons. De oude man keek ons weer aan. 'Ik neem aan dat jullie broer en zus van elkaar zijn?'
Carolina en ik keken elkaar aan en richtte onze blik weer naar de man. 'We zijn geen broer of zus, meneer.'
'Dan moet ik me vergist hebben. Jullie kunnen in mijn huisje komen. Ik moet dringend met jullie bespreken.'
'Ik vertrouw dit niet helemaal,' fluisterde ze. Ik keek haar vreemd aan. Had ze het tegen mij of tegen haar zelf?
Mijn gevoel vertelde me juist dat deze plek veilig en betrouwbaar aanvoelde. En dat de man ons geen kwaad zal doen.

Wat Carolina sceptische gevoel ook was, ik ging het huisje in. Het gerinkel van een bel alsof iemand in een winkel kwam, alleen was dit geen winkel, maar een klein knus huisje. Het was redelijk donker in het huisje. De ramen van het huisjes waren typisch middeleeuws en beperkte de zonlicht naar binnen. De open haard waar vuur brandde verlichtte een deel van het klein knus huisje vanbinnen. Tegenover het open haard bevond zich een houtenbank met zelfgemaakte kussens. Er stonden potten en maanden met spullen. Onder de houten vloer bevond zich een tapijt van een overleden wolf. Op de tapijt stond een ronde tafel met vier houten stoelen. En er was nog een donkerbruine houten deur naast het open haard dat waarschijnlijk naar boven toe leidde of naar een ander kamer.
'Ga maar zitten, doe alsof jullie thuis zijn.'
Ik deed wat hij zei. Ook Carolina nam plaats naast me, ook al vertrouwde ze de man misschien niet.
'Over wat wil je ons trouwens bespreken?' vroeg ze sceptisch.
Hij keek om zich heen om te kijken of er niemand was die ons kon haren en richtte zijn blik weer op ons. best vreemd, aangezien wij de enige waren in zijn huisje. 'Jullie zaten in gevaar.'
'Gevaar?' reageerde Carolina niet begrijpend.
'Ja, zelf erg in gevaar. Jullie hadden nooit naar die vreemde duistere doolhof moeten komen in de toekomst.'
Ik keek de man vreemd aan. Hoe kon hij weten dat we naar de glazen doolhof waren? Maar als hij over de toekomst praatte van de glazen doolhof in 1916, dan vermoedde ik dat we paar eeuwen terug in de tijd waren beland. Maar hoe? Ik kon mijn gave eerst niet gebruiken.
'Jullie zaten daar in enorme gevaar. Handlangers van de duistere...' Hij kuchte en ging weer verder. 'Van de ergste vijand zaten achter jullie aan.'
'Hoe dan? Wie waren die vijanden?' vroeg Carolina. Ik was er zelf ook benieuwd naar.
Hij kuchte weer en schraapte vervolgens zijn kil. 'Luister, kinderen. Ik heb niet veel tijd om dit alles uit te leggen. Mijn tijd is beperkt om met jullie in contact te komen. Als de tijd over is, dan zullen jullie weer terug zijn in jullie eigen tijd.'
'Vertel ons dan wat je ons te vertellen heb.'
'Over de handlangers van de vijand.'
'Ja? vertel verder?'
'Ze hadden jullie in de val gelokt om naar de glazen doolhof te gaan. Als jullie er niet in wilde dan hadden ze jullie zo veel mogelijk probeerde te misleiden om toch naar het glazen doolhof te gaan.'
Dan klopte mijn gevoelens toch wel. Al bij de ingang van de doolhof voordat we deelnamen had ik al een heel naar gevoel dat er iets niet klopte.

'Wie zijn jullie?'
Geschrokken draaide we ons om.
Een jongen met blond haar kwam paar stappen dreigend met zijn mes mijn kant op. Zijn scherpe mes was maar paar centimeters van mijn gezicht verwijderd, maar ik was nog steeds in schrok van zijn dreigende gebaar.
'Ik zeg het nog eens. Wie zijn jullie.'
Het was Carolina die het woord nam. 'Wil je niet zo gevaarlijk doen met het mes, voordat ik je op de grond vloer.' Ze keek hem woest aan.
'Niet, totdat jullie zeggen wie jullie...'
'Ranicus, laat ze!' De blonde jongens draaide zich beschaamd achterom van de mannelijke oude stem.
Een man van middelbaar leeftijd kwam een van de huisjes uit. Hij zag eruit als een monnik, dat zou vast komen doordat hij bij zijn kruin kaal was en een bruine gewaad droeg, die je vaker zag in films over monniken in de middeleeuwen.
'Maar, het kunnen indringers zijn die ons willen roven' zei Ranicus.
'Ze zien er anders niet gevaarlijk uit. En ik denk niet dat ze hier gekomen zijn om te roven. Athans, Dat denk ik.'
'Maar de rovers hadden mij wel vaak belazerd en bijna mijn hele familie uit gemoord.' Zijn stem klonk smekend. Verbeeldde het me of zag ik knikken knieën. Wat een dappere gast was Ranicus. En maar denken dat ik het grootste watje was.
'Jij hebt al een nieuwe familie hier, Ranicus. Je kan weer verder gaan met jouw dagelijkse taken. Ik zal deze gasten als nieuwkomers behandelen.' Ranicus knikte buigend en liep voorbij ons. De oude man keek ons weer aan. 'Ik neem aan dat jullie broer en zus van elkaar zijn?'
Carolina en ik keken elkaar aan en richtte onze blik weer naar de man. 'We zijn geen broer of zus, meneer.'
'Dan moet ik me vergist hebben. Jullie kunnen in mijn huisje komen. Ik moet dringend met jullie bespreken.'
'Ik vertrouw dit niet helemaal,' fluisterde ze. Ik keek haar vreemd aan. Had ze het tegen mij of tegen haar zelf?
Mijn gevoel vertelde me juist dat deze plek veilig en betrouwbaar aanvoelde. En dat de man ons geen kwaad zal doen.

Wat Carolina sceptische gevoel ook was, ik ging het huisje in. Het gerinkel van een bel alsof iemand in een winkel kwam, alleen was dit geen winkel, maar een klein knus huisje. Het was redelijk donker in het huisje. De ramen van het huisjes waren typisch middeleeuws en beperkte de zonlicht naar binnen. De open haard waar vuur brandde verlichtte een deel van het klein knus huisje vanbinnen. Tegenover het open haard bevond zich een houtenbank met zelfgemaakte kussens. Er stonden potten en maanden met spullen. Onder de houten vloer bevond zich een tapijt van een overleden wolf. Op de tapijt stond een ronde tafel met vier houten stoelen. En er was nog een donkerbruine houten deur naast het open haard dat waarschijnlijk naar boven toe leidde of naar een ander kamer.
'Ga maar zitten, doe alsof jullie thuis zijn.'
Ik deed wat hij zei. Ook Carolina nam plaats naast me, ook al vertrouwde ze de man misschien niet.
'Over wat wil je ons trouwens bespreken?' vroeg ze sceptisch.
Hij keek om zich heen om te kijken of er niemand was die ons kon haren en richtte zijn blik weer op ons. best vreemd, aangezien wij de enige waren in zijn huisje. 'Jullie zaten in gevaar.'
'Gevaar?' reageerde Carolina niet begrijpend.
'Ja, zelf erg in gevaar. Jullie hadden nooit naar die vreemde duistere doolhof moeten komen in de toekomst.'
Ik keek de man vreemd aan. Hoe kon hij weten dat we naar de glazen doolhof waren? Maar als hij over de toekomst praatte van de glazen doolhof in 1916, dan vermoedde ik dat we paar eeuwen terug in de tijd waren beland. Maar hoe? Ik kon mijn gave eerst niet gebruiken.
'Jullie zaten daar in enorme gevaar. Handlangers van de duistere...' Hij kuchte en ging weer verder. 'Van de ergste vijand zaten achter jullie aan.'
'Hoe dan? Wie waren die vijanden?' vroeg Carolina. Ik was er zelf ook benieuwd naar.
Hij kuchte weer en schraapte vervolgens zijn kil. 'Luister, kinderen. Ik heb niet veel tijd om dit alles uit te leggen. Mijn tijd is beperkt om met jullie in contact te komen. Als de tijd over is, dan zullen jullie weer terug zijn in jullie eigen tijd.'
'Vertel ons dan wat je ons te vertellen heb.'
'Over de handlangers van de vijand.'
'Ja? vertel verder?'
'Ze hadden jullie in de val gelokt om naar de glazen doolhof te gaan. Als jullie er niet in wilde dan hadden ze jullie zo veel mogelijk probeerde te misleiden om toch naar het glazen doolhof te gaan.'
Dan klopte mijn gevoelens toch wel. Al bij de ingang van de doolhof voordat we deelnamen had ik al een heel naar gevoel dat er iets niet klopte.
'Maar waarom wilde ze ons in de val lokken?' vroeg ik.
'Omdat jullie iets hebben dat de meeste mensen op de kermis niet hadden. Zoals jullie moeten weten zaten daar waar jullie waren genoeg handlangers en bondgenoten van de vijand.' De man pakte mijn hand en keek me recht in het gezicht aan. 'Jullie beschikken een gave, vooral jij, meisje.' Hij keek het meisje aan.
'Nadat jij je gave in de toekomst gebruikte had een van de handlangers al een vermoedde met wie ze te maken hebben.'
'Verklaar dat waarom we naar het glazen doolhof gingen en gevangen zaten in een glazen kubus?'
'Ja, spijtig genoeg. En jullie konden jullie gave niet gebruiken. En het ging niet lang duren voordat jullie geplet werden, maar ik had met mijn kracht geprobeerd jullie hier eruit te komen en had jullie naar mij gestuurd.'
Plots werd het wazig. Ik plots een halve flits in de kamer.
Carolina keek ons geschrokken aan. 'Wat gebeurd er?'
Ze had ook door wat er gebeurde.
'De tijd dringt kinderen, en ik heb niet veel tijd meer.'
'Maar wie bent u, meneer? Ben u soms ook een tijdkeeper?'
'Ja, totdat ik duizend jaar geleden verbannen werd.'
Carolina viel bijna van haar stoel. 'Je bent een duistere tijdkeeper.'
'Nee, maar dat doet er nu niet toe.'
'Zeg me hoe je heet,' reageerde Carolina weer sceptisch.
'Frank.'
Carolina wilde nog iets zeggen. En wel iets brutaalst dat ik wel van haar gewend was, maar ik suste dat ze haar mond moest houden.
'Maar vertel Frank, waarom bent u verbannen. Voor wat voor reden?'
'Dat doet er nu niet toe. Ik had een erge fout gemaakt in de tijd waar ik de rest van mijn leven spijt heb. Mijn straf was de spijt in plaatst van uit de tijdloze koninkrijk verbannen te worden.'
Opeens gebeurde het weer als eerst, maar zelfs erger.
'We hebben niet veel tijd. Jullie worden zo weer naar jullie eigen tijd gestuurd. Maar wat ik jullie nog wil meebrengen is dat jullie moeten uitkijken. Vooral jij, meisje. Jij zal meer in gevaar zitten dan diegene naast je.'
Met diegene bedoelde hij mij.
'Gevaar? Hoezo gevaar?'
Ik wilde hem meer dingen vragen. Van wat zal Carolina in gevaar komen? En hoe was hij gebannen geweest? Was hij echt een duistere tijdkeeper zoals de rest van mijn familie of was hij verbannen puur door iets stoms dat hij gedaan had? En wat voor fout in de tijd had hij gedaan? Plots drong er weer tot me door.
'Wie is onze vijand die u bedoelt?'
Net tot we een antwoord van hem kregen werd alles om me heen wazig. het lichtflits verblindde. Ik deed mijn ogen dicht. Ik kon zijn stem nog net horen, maar die klonk te wazig en zacht om het goed te horen.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen