. . .


Will had gehoopt dat hij onopvallend op zijn nieuwe school kon arriveren. Dat lukte niet; hij liep met krukken. Nu was hij niet alleen de nieuwe jongen, maar ook nog eens de nieuwe jongen met krukken. Hoewel hij was gewend dat mensen naar hem keken, was het nu anders dan daarvoor. Hij kon alleen maar gissen wat de andere kinderen wisten. Misschien wel niets – of misschien wisten ze alles wel.
      Aanvankelijk had Will zich voorgenomen om in elk geval één vriend te maken, of in elk geval tegen íémand te praten. Uiteindelijk brak de pauze aan en had hij nog met niemand gesproken. El was in een andere klas ingedeeld en toen hij naar de lunchroom liep wachtte hij op haar. Het duurde niet lang voordat ze vanaf een tafeltje naar hem zwaaide, waar ze met drie andere meisjes zat.
      Will voelde een rare draai in zijn maag. Zij was nog nooit naar school geweest en toch leek ze zich beter te kunnen redden dan hij. Hij had helemaal geen zin om bij vier meiden te gaan zitten. Hun gegiechel maakte hem nerveus, hij had nooit goed met meiden kunnen opschieten. El was een uitzondering. Max vond hij ook niet onaardig, maar hij wist wel dat ze een betere klik met de andere jongens had dan met hem.
      Alleen zitten zag hij echter ook niet zitten, dus hij liep toch maar naar het tafeltje toe. De meisjes keken hem nieuwsgierig aan. Ongemakkelijk staarde hij naar het tafelblad toen een van hen naar hem glimlachte.
      ‘Dit is Will,’ stelde El hem voor.
      ‘Is hij je broer?’ vroeg een van de meisjes. Haar stem was schetterend en hij kromp er iets door in elkaar.
      ‘Zoiets ja.’
      ‘Oké! Hoi! Ik ben Melany!’
      De woorden gingen half langs hem heen. Pas toen El hem een subtiel stootje in zijn zij gaf, realiseerde hij zich dat ze tot hem sprak. Schichtig schudde hij haar de hand.
      ‘Ben jij niet die jongen die dood was verklaard?’ vroeg een ander meisje met grote ogen. ‘Mijn neef vertelde me dat hij naar Willowdale was verhuisd. Was je niet zelfs begraven?’
      Ongemakkelijk wrong Will zijn vingers in elkaar.
      El grinnikte, al kon hij aan haar stem horen dat het gespeeld was. ‘Dat moet iemand anders zijn geweest. Wij maken nooit wat spannends mee.’
      Will durfde niet naar de meisjes te kijken om te zien of ze haar geloofden. Dat zou wel niet. Zoveel Wills verhuisden hier niet naartoe. Hij wierp een blik op de klok, hopend dat de pauze vlug voorbij zou zijn.
      Dat duurde nog wel even.
      Zijn ogen gleden door de aula. Hij probeerde in te schatten of er types waren met wie hij een klik zou kunnen hebben. Kinderen zoals Mike, Lucas of Dustin. Mensen die door iedereen gemeden werden, die rare hobby’s hadden en gewoonweg nerds waren. Er waren wel wat buitenbeentjes, zag hij. Er gewoon heen lopen durfde hij niet.
      Opeens begon zijn nek weer te prikken. Even ging er een vlaag van angst door hem heen. Dat had altijd de aanwezigheid van de Mindflayer aangekondigd, maar die hadden ze verslagen. Hij wist dan ook niet of er écht iets was wat die angst triggerde of dat hij gewoon een trauma had en het ongemak de herinneringen eraan vergrootte.
      Hij draaide zijn hoofd naar links toen hij het gevoel had dat daar gevaar was, dat er iemand naar hem loerde. Er was niets, er zaten gewoon leerlingen – laatstejaars vermoedde hij. Hij wilde zijn hoofd alweer wegdraaien toen iemand zijn stoel opeens naar achteren schoof en hem daarmee uitzicht gaf op een donkerharige jongen die in zijn eentje aan eentje aan een tafel zat. Met zijn voet leunde hij op een andere stoel, terwijl er een boek tegen zijn knie leunde.
      Onyx!
      Weer ervoer hij een vreemd gevoel – maar deze keer was het in zijn buik en leek het meer een zenuwachtige kriebel. Opeens wilde hij niets liever dan opstaan, bij hem aan tafel schuiven en vragen wat voor boek hij las. Hij durfde het niet. Hij had verwacht dat Onyx allang was afgestudeerd, maar nu vermoedde hij dat hij in zijn laatste jaar zat. Er zat niemand bij hem aan tafel, al zag hij er niet eenzaam uit. Eerder alsof hij geen behoefte had aan gepraat over koetjes en kalfjes en hij liever niet gestoord werd tijdens het lezen.
      Will scheurde zijn blik weer van de jongen los en begon stilletjes van zijn boterhammen te eten. Steeds weer schoten zijn gedachten terug naar afgelopen zaterdag, toen de jongen zo lief voor hem was geweest, hem naar zijn motor had gedragen en hem naar huis had gebracht. Er trok een tintelende sensatie door zijn borst, warm en een beetje eng omdat het hem onbekend was.
      Zijn ogen flitsten weer opzij. Zijn hart sloeg een slag over toen zijn ogen de ijsblauwe ogen van Onyx ontmoetten. Hij wilde glimlachen, maar zijn lippen trilden en hij sloeg vlug zijn ogen neer. Zijn wangen werden warm en opeens voelde hij zich ontzettend beschaamd, zonder goed te weten waarom.
      Hoewel zijn eetlust verdwenen was, plukte Will aan het brood. Hij miste zijn vrienden, die hem in een situatie als deze wel hadden afgeleid. Rondom hem werden ook wel gesprekken gevoerd, maar het lukte Will niet om zijn aandacht erbij te houden. Opzij kijken durfde hij ook niet meer, stilletjes hoopte hij gewoon dat Onyx naar hem toe zou komen om te vragen hoe het met hem ging.
      Dat gebeurde niet. De zoemer gaf aan dat de pauze afgelopen was. Pas toen Will op zijn rooster had gekeken en zijn tas over zijn schouder had geslingerd, gluurde hij weer opzij.
      De tafel waar Onyx gezeten had was leeg.
      De teleurstelling die hij voelde, overviel hem. Wat had hij dan gedacht? Dat Onyx vrienden met hem wilde worden? Hij was vier jaar jonger, hij was verlegen en niet echt garantie voor goed gezelschap. Dat Onyx hem had geholpen nadat hij was gevallen betekende helemaal niets en het sloeg nergens op dat hij zich dat zo aantrok.
      Verstrikt in zijn eigen gedachten ging hij op zoek naar het lokaal waar hij wiskunde had. Pas toen hij de aula uit was, realiseerde hij zich dat hij geen woord tegen El had gesproken. Al keek ze daar vast niet van op. Hij was wel vaker stil en in zichzelf gekeerd, dat zou geen vragen bij haar oproepen. En als dat wel zo was, hield ze zich waarschijnlijk voor zichzelf.
      Toen Will bij het wiskundelokaal aankwam was de deur al open. Hij vond een plekje vlak bij het raam. Hij had graag uitzicht naar buiten, anders voelde hij zich opgesloten. Een tijdlang staarde hij naar de wolken die langzaam door de blauwe lucht dreven en het verkeer dat buiten het schoolterrein heen en weer reed. Pas toen hij vanuit zijn ooghoek een beweging zag, keek hij opzij.
‘Vind je het goed als ik hier kom zitten?’ vroeg een zwartharig meisje.
      Will staarde haar een paar tellen verbijsterd aan. Haar ogen waren ijsblauw en deden hem direct aan Onyx denken, net als haar bleke, gave gezicht. Hij voelde dat zijn wangen weer een kleur kregen toen zijn gedachten alweer naar de jongen afdwaalden, zich afvragend of ze werkelijk zoveel gelijkenissen met hem vertoonde of dat het gewoon allemaal tussen zijn oren zat.
      ‘Ja hoor,’ zei hij zacht – te zacht. Hij schraapte zijn keel en herhaalde zijn antwoord.
      Ze glimlachte naar hem terwijl ze ging zitten. ‘Je bent nieuw toch?’
      Een beetje opgelaten krabde hij met zijn nagel aan een paar inkervingen in de tafel. Het voelde als een overbodige vraag. De school was niet zo groot, dus dat wist ze vast wel.
      ‘Ja,’ zei hij toch.
      ‘Ik ben Ivory.’
      Een beetje argwanend keek hij het meisje aan. Werden alle kinderen hier naar steensoorten vernoemd? Nee – bij Melany was dat niet het geval geweest.
      ‘Will,’ antwoordde hij.
      ‘Ik ben hier vorig jaar komen wonen,’ vertelde ze. ‘Het is best even wennen, het lijkt alsof iedereen elkaar hier al kent. Het is me na een jaar nog steeds niet gelukt om er goed tussen te komen. Al heb ik wel wat vrienden gemaakt, gelukkig. Ik kan je wel aan wat coole mensen voorstellen?’
      Will betwijfelde of zijn definitie van ‘cool’ met die van haar overeenkwam. Hoewel – ze zag er anders uit dan de meeste meisjes die hij kende. Ze droeg een zwarte jurk met tule en zilveren kettinkjes eraan, en met haar donker omrande ogen deed ze hem denken aan de paar gothics die op zijn vorige school hadden gezeten. Zoals bij de meeste subgroepen had Will daar nooit iets op tegen gehad, eigenlijk had hij wel respect voor iedereen die zich van anderen durfde te onderscheiden.
      Langzaam vormde zich een glimlach om zijn lippen. Misschien was dit de vriend waarop hij had gehoopt. Het was dan wel een meisje, maar ze leek hem niet zo’n giechelig type als de meisjes die net bij El aan tafel hadden gezeten.
      ‘Dat is goed,’ zei hij aarzelend.
      ‘Super!’ Weer een flitsende glimlach, daarna pakte ze haar tas van de grond en begon haar boeken eruit te halen.
      Het viel Will op hoe bleek haar huid was. Er lag een vreemde glans overheen, alsof ze van porselein was gemaakt.
      ‘Wat is er met je voet gebeurd?’ vroeg ze nadat ze haar spullen had uitgesteld.
      De vraag zorgde ervoor dat hij zich ongemakkelijk voelde, zelfs al was het een hele normale vraag. Maar het was nu eenmaal zo dat hem héél veel vragen waren gesteld sinds hij ontsnapt was uit het Ondersteboven en omdat hij niet wilde praten over zijn tijd daar, riep hun nieuwsgierigheid al gauw torenhoge muren rond hem op.
      ‘Ik ben gevallen,’ antwoordde hij. ‘Van een muurtje.’
      ‘Is het gebroken?’
      Hij schudde zijn hoofd. ‘Nee, alleen verstuikt. Maar dat kan ook wel zes weken duren.’
      ‘Vervelend zeg. Loop je daar al de hele vakantie mee?’
      Hij schudde zijn hoofd. ‘Nee – gisteren pas.’
      Haar ogen ontmoetten die van hem even. Ze leek aan te voelen dat haar vragen hem niet hielpen om hem op zijn gemak te voelen en ze zweeg met een begripvolle glimlach.
      Will was haar er dankbaar voor. Veel meisjes wisten nooit wanneer ze moesten ophouden met praten, maar zij leek anders te zijn dan andere meisjes die hij ontmoet had. En hij vond het fijn – mensen die anders waren en zich niet lieten afschrikken door zijn anders-zijn. Misschien hoefde hij toch niet elke pauze alleen te zitten of zich aan El op te dringen.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen