Foto bij 210. - Lucien

Zachtjes hijgend ligt ze tegen me aan en ik geniet van het moment, vulgair als dat het is. Ik doe niets liever dan Emma plezieren. De afgelopen weken, maanden is dat er te weinig van gekomen. Hoewel dit tripje enigszins voor een inhaalslag heeft gezorgd, wil ik stiekem nog niet stoppen. Ik wil niet meer terug. Hier, in de grot waar de natuur op ons neerkijkt en waar Emma's goddelijke lichaam in al haar glorie te zien is, wil ik voor altijd blijven.
Emma probeert een aantal keer te beginnen over teruggaan, maar elke keer krijg ik het voor elkaar om haar af te leiden. Hoe goed ze ook haar best doet om er niet aan toe te geven, haar lichaam overschreeuwt haar.
"Lucien..." Haar handen zitten in mijn haar geklit. Ze klinkt ademloos. "God sta me bij."
Alsjeblieft niet zeg, denk ik. Mijn tong danst daar waar, als we de kerk moeten geloven, de duivel regeert. En aan het gekreun te horen is mijn vrouw niet van plan om vergeving te vragen.
Ik rek het, zo lang als ik kan. Alles om te voorkomen dat we terug moeten.

Daar, aan de ingang van de grot, ligt ze nog steeds tegen me aangevleid. Samen genieten we van de lentezon; mijn vingers dansen over de zachte huid van haar buik en die van haar tekenen patroontjes over mijn bovenbeen. We hebben het eventjes niet over teruggaan, maar ik weet dat het niet lang zal duren voordat ze het weer benoemd. Ze mist haar zoon. En wie kan het haar kwalijk nemen?
Het is mij eerder kwalijk te nemen dat ik hem niet mis.
Ik maak mezelf misselijk met die gedachte, maar hoe hard ik ook mijn best doe... ik mis Julien niet. Niet echt. Ik mis hem niet zoals een vader zijn zoon zou moeten missen.
'Waar denk je aan?' vraagt Emma zachtjes. Haar hoofd valt tegen mijn schouder wanneer ze naar me op kijkt.
Hoewel ik niet twijfel aan het feit dat ze haarscherp doorheeft dat dit niet is waar ik over nadenk, wil ik het moment niet verpesten. 'De eerste keer dat ik hier kwam.'
'Vertel eens.'
'Ik was twaalf. Het was Eschieve's vijfde verjaardag en alles draaide om haar.' Ik begraaf mijn neus in Emma's donkere krullen. Ze ruiken naar het kampvuur dat de hele nacht brandde. 'Dat was het punt niet. Ze was ziek geweest dat jaar en het was even heel spannend of ze het wel zou redden. Dus er werd groots uitgepakt, het halve land was uitgelopen. Het punt was dat ik bijna dertien werd... En dus, in de ogen van veel mensen, volwassen.'
Emma gaat verliggen; mijn arm ligt over haar schouder en ze pakt de hand ervan vast, terwijl haar hoofd tegen mijn sleutelbeen rust. Ik strek mijn benen; ze legt er ééntje over die van mij heen.
'Jij weet ook dat zo een feest een mogelijkheid is tot netwerken, tot je gezien maken en hopen dat je de koning pleziert. Tot dan toe had ik daar niet zoveel mee te maken, maar blijkbaar was het tijd om me daar op voor te bereiden.' Ik kijk toe hoe Emma met mijn vingers speelt, mijn nagels schoonmaakt en de lijntjes op mijn hand volgt. 'Edelman na edelman kwam naar me toe, om te vragen hoe ik dat dan wel niet vond. Welke beslissingen me te wachten stonden. Dat ik binnen korte tijd veel verantwoordelijk zou krijgen en un vrai homme zou worden. Ze begonnen over meisjes en over trouwen, en over alles waar ik nog niet over na wilde denken. Ik was twaalf! Een paar uur eerder had ik nog ruzie geschopt omdat ik niet meer met Aleran mocht stoeien, want dat zou onze kleding verpesten.' Ik schud zacht lachend mijn hoofd, het moment helder in mijn hoofd. 'En toen begon het dansen.'
Emma kijkt naar me op. 'Dat zeg je alsof het iets heel slechts is.'
'Ik was twaalf.' herhaal ik nogmaals. 'Ik had danslessen, maar ik vond ze verschrikkelijk. Ik hoefde nooit te dansen op de feesten, ik was nog een kind. Ik keek vanaf de zijkant toe hoe andere mensen dansten en lachte ze samen met Aleran achter hun rug om uit. Daar stond ik deze keer ook. Tot mijn moeder naar me toe kwam. Ze wilde met me dansen, en aangezien het mijn moeder was ging ik akkoord. Eén dans zou ik wel overleven en Aleran, een paar jaar ouder, kwam al vaker aan de beurt. Het bleef alleen niet bij één dans. Ineens danste ik met de hele familie. Oma's, tante's, oudtante's, mensen die ik amper kende drukten mij ineens tegen zich aan en zwierden me rond en bleven maar praten over hoe groot ik wel niet was geworden en wat voor fantastische echtgenoot ik zou worden.'
Emma speelt niet langer met mijn hand nu het luchtige van het verhaal af is.
'Toen ik in de armen van een oude dame werd gedrukt van wie ik nu nog steeds niet weet wat haar relatie tot mij was, knapte ik. Ik rukte me los en ging er vandoor. In de drukte was het niet meteen duidelijk wat er gebeurde, dus ik had een goede voorsprong. Bovendien was ik snel. Ver voor de wachters uit bereikte ik de stallen. Voor ik het wist was ik in galop de poort door. Ik rende zolang het paard dat toeliet, alsof ik de toekomst kon ontvluchten. Uiteindelijk... uiteindelijk kwam ik hier. De ingang van deze grot lag verscholen achter begroeiing, ik durf je niet eens meer te vertellen hoe ik hem vond. Ik wist alleen maar dat ik me wilde verstoppen. Na een poosje ging ik op zoek naar hout en iets te eten in het bos... Toen duurde het niet lang voordat de tientallen wachters die naar me op zoek waren, me hadden gevonden. De grot, daarentegen, hebben ze nooit gevonden. Ik ben maanden bezig geweest met hem opnieuw vinden, en sindsdien is...' Ik twijfel. '..was het een uitvalsbasis.'
Emma pakt mijn hand vast, verstrengeld onze vingers en zegt niks. Het verhaal vat samen waar we met zijn tweeën al maanden tegenaan hikken: ik wil niets liever dan vluchten.
'Ik heb er geen keuze in.' zeg ik uiteindelijk. 'En dat heb ik geaccepteerd. Ik ben niet ongelukkig.'
'Maar je zou gelukkiger kunnen zijn.'
Ik druk een kus tegen haar slaap en adem haar in. 'Niet als jij niet aan mijn zijde staat. Hoe graag ik het koningsleven ook wil ontvluchten, die droom zal me nooit gelukkig maken als dat zonder jou is.'

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen