Foto bij 212. - Lucien

Ze is niet haar gebruikelijke zelf. Ik merk het meteen. Wanneer ik haar vraag hoe het gaat, zegt ze echter dat ze zich prima voelt. Ik laat het zo. Als de koningin niet wil praten, dwing je haar daar niet toe. Zelfs niet als ze je moeder is.
‘Heb je Emmeline nog gezien na jullie terugkomst?’ vraagt ze, haar theekopje hangend in de lucht.
Ik schud mijn hoofd. ‘Vader riep haar op… En direct daarna moest ik naar de ontvangsthal om voor hem in te vallen bij het adviseren van het volk.’
Er schittert iets in haar ogen dat ik niet kan plaatsen. ‘Ik hoopte dat jullie met ons zouden dineren vanavond. De rest van de familie komt ook. Eailyn neemt Pascale mee. Zelfs Cecilio komt.’
Mijn afkeurende blik laat haar voorzichtig glimlachen, maar haar ogen doen niet mee. Het jeukt om te vragen wat er met haar aan de hand is. ‘Hij is een goede jongen, Remí. Onhandig en impulsief misschien, maar wat dat betreft is hij niet de enige.’
‘Zo onhandig is Sebastien nou ook weer niet.’
Ze lacht. Zelfs na al die jaren is haar lach onveranderd. Hij behoort tot mijn favoriete geluiden in de wereld. Ik ontspan iets. Misschien maak ik me te veel zorgen. Misschien is er niks aan de hand.
‘Vanwaar een familiediner?’ Ik roer de melk door mijn thee. Vroeger dineerden we elke avond met zijn allen. Tegenwoordig is het leven zo druk dat we dat niet meer redden.
Met de vraag verdwijnt de lach uit mijn moeders ogen. Ze staat op en loopt naar me toe. Ik volg elke stap die ze zet, hart bonzend in mijn keel. Wanneer ze naast me staat, legt ze een zachte hand tegen mijn wang. Hoe ze op me neerkijkt ziet ze er jaren ouder uit. Het herinnert me er pijnlijk aan dat mijn tijd met haar elke dag korter wordt.
‘Oh, Remí…’ zegt ze zachtjes. Er staan tranen in haar ogen. Ik leg een hand over de hare en bestudeer haar gezicht.
Maman… wat is er aan de hand?’
‘Ik ben zo dankbaar dat je er nog bent, mijn lief. Zes jaar geleden was ik je bijna kwijt.’
Mijn hart staat even stil. Oh.
‘Calais.’ fluister ik.
Ze knikt. ‘Je hebt me zo vaak laten schrikken, Remí, maar die dag… Ik heb er nog nare dromen over.’

Moeder had weinig tijd om haar emoties te verwerken. Terwijl ze nog naast me stond, werden we onderbroken door één van de wachten van mijn vader. Of ze direct kon komen. Waarom werd niet gezegd. Binnen een seconde schoof ze het masker van koningin weer op, kuste ze mijn voorhoofd en verdween ze.
Emmeline is nog nergens te bekennen. Ik besluit me te laten baden; ik zit nog onder het vuil van onze nacht in de grot en de rooklucht zit diep in mijn krullen geworteld. Normaal doen mijn drie meisjes het samen, maar dit keer stuur ik Céleste en Yvette weg, zodat ik met Pascale achterblijf. De herinnering van Calais weegt dusdanig zwaar dat ik de energie niet heb om haar bij te praten. In eerste instantie zegt ze daar niks van, totdat ze achter de kuip plaatsneemt om mijn haar te wassen. Ik ben weerloos wanneer ze daar mee bezig is en daar maakt ze gebruik van.
‘Wat zit je dwars?’ vraagt ze, op een manier die geen ruimte geeft me er onder uit te praten. Ik twijfel even, maar tel dan alle keren dat ik terecht ben gewezen dat ik meer moet praten.
‘Het is vandaag zes jaar geleden dat ik bijna verdronk.’
Pascale’s vingers stoppen met bewegen. Heel even maar, daarna gaan ze weer verder met hun rustige massage.
‘Was ik toen al bij jou?’
‘Ja, maar het was niet in de buurt van het kasteel. Aleran en ik gingen met vader en moeder mee op staatsbezoek in Engeland.’ Alles vóór het ongeluk staat me helder bij. ‘Bij afmeren in Calais wees niks erop dat er slecht weer aan zat te komen. Het was het begin van de zomer, we hadden al weken niks anders dan zon en blauwe luchten. Het was de eerste keer dat ik en Aleran een langere tocht op zee zouden mee maken. We waren opgewonden en hielpen waar we konden. Aleran, groter en sterker, kon veel beter mee komen met de matrozen. Uiteraard zag hij dat als kans om mij belachelijk te maken, onder de noemer broederlijke rivaliteit.’
Pascale zegt niks. Ze spoelt de zeep uit mijn haar en begint het daarna te masseren met zachte zoetgeurende oliën.
‘Ik was zeventien. Ik wilde niets liever dan me bewijzen, zeker tegenover de matrozen en de kapitein. Ik wilde laten zien dat ik uit hetzelfde hout als Aleran was gesneden. Dus toen het weer omsloeg, zag ik mijn kans schoon. Vader bracht ons naar onze hut en gebood ons daar te blijven. Op het dek was het veel te gevaarlijk. Nog voor hij de deur sloot, was ik al naar buiten gesprint en was ik op weg naar boven. Daar was het chaos. De metershoge golven sloegen tegen het schip en de zeilen klapperden zo hard dat ik zeker wist dat ze zouden scheuren. Ik was vastbesloten om te helpen.’ Ik laat mezelf iets verder in het water zakken. ‘Zodra ze me zagen begonnen ze te schreeuwen dat ik terug naar onder moest gaan. Dat het niet veilig was voor me. Maar ik moest en zou helpen. Alle mannen waren nodig om te blijven varen. Er was niemand die me kon stoppen. Mijn vader probeerde het, maar ik was sneller en behendiger. Ik rende naar het achterdek, waar de kapitein aan het roer stond, om te vragen waar ik kon helpen. Ik redde het niet tot de kapitein.’
Pascale’s vingers zijn weer gestopt met bewegen. Dit keer beginnen ze niet weer.
‘Toen ik halverwege de trap was, werd het schip aan de zijkant vol geramd door een gigantische golf. Het water sloeg over het dek en het hele schip kantelde gevaarlijk. De klap, het kantelen, het water… het zorgde ervoor dat ik mijn evenwicht verloor. Ik sloeg overboord.’
Ik hoor hoe Pascale scherp inademt. Ik laat mezelf nog dieper in het water zakken, tot het punt dat ik nog net door mijn neus kan ademhalen. Het water voelt ineens ijskoud. Ik proef zout. Mijn brein vult zich met onsamenhangende beelden van golven, witte schuimkoppen, duisternis en luchtbellen. Dieper en dieper zak ik, tot mijn lijf schreeuwt om zuurstof en ik gedwongen word om weer boven te komen en diep in te ademen. De groene duisternis verdwijnt en ik ben weer “gewoon” in mijn vertrekken. Pascale is verplaatst naar de zijkant van de badkuip, vanaf waar ze me bezorgd aankijkt.
‘Van wat me is verteld is er een matroos het water ingesprongen met een touw om zijn middel om mij weer binnen te halen. Hij is in de golven naar me op zoek gegaan.’ Het idee vult me met schaamte. Omdat ik ze koppig was, riskeerde ik niet alleen mijn eigen leven maar ook dat van anderen. ‘Aleran zei altijd dat verschillende matrozen moesten afwisselen omdat het zo lang duurde voor ze me vonden. Vader ontkent dat. Ik weet niet wat waar is. Ik werd aan boord wakker terwijl de kapitein lucht in mijn longen blies. Ik had drie gebroken ribben omdat hij mijn hart had laten kloppen door op mijn borst te slaan.’ Ik ril bij de herinnering, hoe vaag hij ook is. ‘Moeder is sindsdien nooit meer terug geweest naar Calais. Ik wel, maar de zee… de zee ontwijk ik.’

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen