Foto bij 215 - Emmeline

"Hij kan niet.." ik ijsbeer door onze vertrekken, mijn handen in mijn haar en mijn hart bonzend uit mijn keel. "Hij kan dit niet zomaar doen!"
Jacques heeft ons uit de zaal laten zetten zonder enig weerwoord. Ik weet niet wat er met hem is, maar het is niet goed.
Hij leek... bezeten. Geen enkel woord leek tot hem door te dringen, als stenen tegen een stevig schild vlogen ze weer van hem af.
"Het is te gevaarlijk! Van de gekken, een onmogelijke opgave!" Ik hoor Julien huilen in zijn wieg maar het gehuil zorgt nu niet voor een onmiddellijk instinct om in te grijpen, maar nog grotere frustratie. "Je bent kroonprins! Echtgenoot, vader..."
Ik sta voor het eerst sinds mijn tirade stil en staar uit het raam. Buiten is het kalm. Er staat geen wind, de bomen bewegen niet.
Het tegenovergestelde van hoe ik me nu voel, vanbinnen.
Ik leg een hand tegen het raam, voel de koelte, en zie hoe mijn hand meteen zich tot een vuist balt.
Of ik me ooit eerder zo woest heb gevoeld kan ik me niet herinneren, zo erg neemt de emotie mijn lichaam over.
Het gehuil van onze zoon is inmiddels nog harder geworden, en bijna gekrijs geworden. Ik sta echter stokstijf stil, nog steeds voor het raam.
Jacques' opdracht is volslagen idioot. Hij kan Lucien niet een oorlog laten voeren, zeker niet een die hij zelf gestart is. Het is veel te gevaarlijk.
De kans dat hij levend terugkeert is te klein. Dan heeft Frankrijk geen kroonprins meer, ik geen man en Julien geen vader. De gedachte alleen al maakt me gek.
Gek. Zo zou ik het gedrag van de koning ook omschrijven.
Bezeten, doorgedraaid. Zijn dreigementen, de manier waarop hij sprak.. ik heb het maar één maal eerder gezien, bij mijn grootmoeder. Vlak voordat zij overleed begon ze waanbeelden te krijgen. Ze was er heilig van overtuigd dat alles en iedereen tegen haar gekeerd was. In een van haar laatste dagen viel ze haar trouwe kamermeisje aan met een mes, zeker dat die haar kwam vermoorden.
Het gekrijs van Julien gaat inmiddels door merg en been, en pas als ik opnieuw spreek merk ik dat ik huil door hoe mijn stem trilt. "Houd op!" Het jongetje is rood aangelopen en blijft gefrustreerd doorkrijsen.
"Emma.." Lucien, die al die tijd stilgebleven is, loopt naar me toe. "Ademhalen."
Hij legt zijn handen op mijn schouders tot die rustig op en neer bewegen. Ik schaam me voor mijn uitbarsting - ik ben altijd te rustige, degene die de zorg op zich neemt.
"Sorry..."
Als ik niet meer tril en mijn ademhaling tot rust is gekomen tilt Lucien onze zoon uit zijn wieg, en overhandigt hij die aan me.
Zijn ogen bieden me rust, maar zorgen ook voor het opnieuw opsteken van de angst.
Als Lucien de oorlog gaat leiden, komt hij misschien niet meer levend terug. Maar Jacques dreigde, hoe surrealistisch en absurd ook, onze zoon te sturen als Lucien weigerde. Ik weet niet in hoeverre dat dreigement realistisch is, maar...
Ik schud de gedachte van me af als ik Julien voed.
"We moeten hier iets op verzinnen, Lucien. Je vader is.. ik weet niet wat er met hem is, maar het klopt niet. Dit is niet hoe hij is. En zijn plan is.. absurd. Te gek voor woorden."
Lucien knikt. "We vinden hier iets op. Moeder is het niet met hem eens, en ik ga mijn best doen om met adviseurs te praten die hem van gedachten kunnen doen veranderen. Misschien was het een opvlieging, een waangedachte die hij snel kwijtraakt.."
We durven het allebei niet te hopen.

Die avond heb ik de snee op zijn gezicht verzorgd, nadat we allebei in bad geweest zijn. We ruiken fris, en het maskeert het angstzweet dat we allebei op onze ruggen hebben staan lichtelijk.
Zijn haren zijn gewassen en zijn gezichtsbeharing grotendeels weggehaald. Hij ziet er meteen jonger uit. Niet als een troonopvolger, en al zeker niet als een legerleider.
Hij is bijna het jochie dat ik zag toen ik hier net aankwam. Onbezonnen, niet bezig met trouwen, een land leiden of kinderen krijgen.
Gewoon, een beetje jagen, boogschieten, boeken lezen en een gat in de dag slapen. Onze grootste zorg was onze verboden liefde en de toenemende vlinders.
Hij leest een boek, maar ik merk dat zijn gedachten er niet bij zijn. Ik heb de seconden geteld waarin zijn ogen op dezelfde pagina blijven hangen. Vijfhonderdenachttien. Te veel.
Niet dat ik me kan focussen op mijn boek - ik heb dezelfde tien regels al tig keer gelezen, en laat me telkens afleiden door mijn gedachten of door de man naast me.
Ik sla het boek dicht en leg het op mijn nachtkastje, waarna ik de olielamp uitblaas. Het enige licht in de kamer komt nu nog van de olielamp op Lucien's nachtkastje, en het haardvuur.
Ik draai me op mijn zij naar Lucien en strijk met een vinger over zijn ontblote bovenarm. Hij zal het niet zo snel toegeven, maar het is een van de dingen waar hij kriebels van krijgt. Ik doe het graag om hem even stiekem te zien glimlachen.
"Is het dan nu tijd om mijn boek ook weg te leggen?" hij haalt zijn ogen niet van het papier als hij het vraagt, maar lijkt het geknik van mijn hoofd te voelen en niet veel later eindigt het boek dan ook op zijn nachtkastje.
Hij blijft op zijn rug liggen. "Ga daar eens mee door.." Hij sluit zijn ogen en ik kan een grote glimlach niet onderdrukken.
"Vooruit..." ik streel rondjes, vierkantjes en alle andere vormen die ik kan bedenken over zijn blote huid en druk zo af en toe een kusje op de overgang tussen zijn schouder en zijn arm.
"Weet je," mompelt hij dan, zijn ogen nog steeds gesloten, "ik weet dat ons leven een grote puinzooi is, op dit moment.. maar ik ben toch wel blij dat het leven zo gelopen is." Hij opent zijn ogen net op tijd om me te zien glimlachen.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen