Foto bij Sessie 6: Mij, mezelf en ik

- Gebaseerd op een waargebeurde Pathfinder campaign -

Al zittend op een rots naast de gigantische stenen grotingang zag ik een huifkar aankomen door het giftige moeraslandschap. Om de tijd te doden keek ik toe hoe mijn skeletton horse uit gewoonte stond te kauwen op wat flink stekelige bladeren die tussen de botten van zijn kaak door uit zijn mond vielen. “Aah Emo!” klonk het toen de huifkar vlakbij tot stilstand kwam en mijn compagnons uitstapten. “Dat duurde effe...” mompelde ik terug. Daarna sprong ik behendig van de rots en ging de anderen voor naar binnen, het gigantische gapende gat in de rotswand in.

Verderop in de grot bevond zich een grote entree poort, geflankeerd door twee stenen huisjes. We deden stilletjes aan, om onze aanwezigheid niet te verraden, maar kwamen niemand tegen. Op de splitsing van twee grottengangen besloot ik naar rechts te gaan met mijn kleine legertje aan skelettons, terwijl Brock de linker gang nam. De anderen bleven in tweestrijd in het midden staan, niet wetende wie ze moesten volgen. Dat werd echter snel duidelijk toen Brock terug kwam rennen met een giftige pijl in zijn arm. “Er zitten hier vallen!” riep hij. “En hobgoblins!” Hij had het nog niet gezegd of er verscheen een hobgoblin om de hoek, die direct doorkliefd werd door Brocks zwaard. Er zwaaide een deur open die mij nog niet was opgevallen, tussen mij en de anderen. Drie andere hobgoblins renden er uit, op het geluid af. Ik hief mijn handen en riep in het Abyssal de schreeuwende vlammenmuur op die ook zo goed op de trollen had gewerkt. “Aaahhhrrr!” Krijsten de drie wezens uit van pijn, toen zij van achteren gegrepen werden door de vlammende tentakels, waarna de muur van vlammen hen als een gigantische golf overspoelde. Mijn paard en trol renden erop af en begonnen op mijn commando op de hobgoblins in te slaan, trappen en bijten. “Nee!” riep ik uit toen de grootste van de hobgoblins zich omdraaide en met zijn krachtige vuistslag de kop van mijn paard verbrijzelde. Mijn paard wankelde achteruit en ik sprong ertussen, om een genade klap te voorkomen. “Vlucht!” riep ik in gedachten uit, waarnaar mijn skeletton horse de benen nam, achter mijn trol langs, die een dikke hobgoblin de hersenen insloeg. Met zijn allen versloegen we het drietal vrij snel, maar de angst om nu al mijn skeletton horse, mijn gift van Azathoth, te moeten verliezen liet mijn hart als een bezetene kloppen.
Toen het gevecht voorbij was genas ik mijn paard, zo goed als dat nog kon, en beval ik hem de wacht te blijven houden bij de huifkar en de andere twee paarden. Daarna liep ik de deur in, waar de drie hobgoblins uit waren gekomen. Ik zag Brock de linkergang weer induiken. Prima. Ik had weinig zin in zijn gezelschap momenteel, vooral sinds hij zo raar had gedaan over die ketting. Toen ik de kamer in liep voelde ik onbewust aan het amulet om mijn hals. Behalve nog twee deuren zag ik in de kamer niets bijzonders, het was een soort huiskamer, met een tafel en stoelen. Ik trok de linker deur open. Aan de overkant van de slaapkamer zag ik een deuropening, waar Brock in stond. Hmm... Met een klap liet ik de deur achter mij dicht vallen en liep terug door de woonkamer, richting de rechter deur. “Dit lijkt er meer op.”, dacht ik bij mijzelf toen ik hem opende. Ik nam de smalle gang, uitgehouden in het donkergrijze steen. Opgewonden en vastberaden om iets interessants te vinden had ik de pas er goed in en kwam ik al snel bij het einde. De gang liep dood op een ontiegelijk diep ravijn, waarvan de bodem niet te zien was. Wauwie... Het ravijn was wel 30 meter breed. De zwarte rotsen glommen op sommige plekken paars, blauw of groenachtig op, alsof zich er kostbare diamanten en edelstenen in bevonden. Kostbare schatten. Te delven met gevaar voor eigen leven... Met mijn voet trapte ik een steentje in het ravijn. Ik hoorde hem kletteren tegen een stuk steen een paar meter onder mij, daarna bleef het stil, de bodem te ver weg om het geluid helemaal terug naar boven te kunnen zenden. Een heel stuk links van mij zag ik een brug over het ravijn, aan de overkant liep vast een pad. Ik besloot terug te gaan naar de anderen, om ze mee te nemen naar die brug.



Eenmaal terug door de woon- en slaapkamer gelopen zag ik dat mijn metgezellen de brug al hadden bereikt. Ze stonden met kapotte pikhouwelen, zonder handvat, in de hand naar dezelfde edelstenen te kijken als ik zojuist had gedaan. Ze leken tot de conclusie te komen dat het te gevaarlijk was en gooiden de metalen koppen weg, Brock hing de zijne aan zijn broekriem. “Dit wordt een probleem...“ dacht ik met oog op mijn trol, toen ik de barricade van hout, metalen platen en grote tonnen zag die was opgeworpen op het midden van de brug. Zelf kon ik er wel overheen klimmen. Ik liep naar de zijkant van de brug, om te zien of het veilig voor mijn trol was om er omheen te klimmen. Turend in de eindeloze diepte besloot ik dat dat zeer zeker niet het geval was. - Kraak! - Ik zag hoe Brock een houten plank los trok van zijn spijkers en aan de kant smeet. Waarom klimmen als je kracht hebt... Ik knikte met mijn hoofd naar de barricade en mijn trol begon te helpen hem te slopen. Toen we er met zijn allen door waren vervolgden we onze tocht.

Aan de overkant van het ravijn liep inderdaad een tunnel, zoals ik had voorspeld. Wel was er wéér een T-splitsing. Nu leek de linker tunnel echter iets omhoog te lopen en de rechter naar beneden. Het kiezen van een gang was voor mij met mijn duivelse bloed niet moeilijk, ik koos de rechter gang, die mij verder de duistere diepte in leidde. Ik droeg mijn skeletton trol in gedachten op om bij de meerderhelft van de groep te blijven, waarvan ik verwachtte dat zij de andere kant op zouden gaan. Brocks stampvoeten kwamen echter al snel achter mij aan.

Tot mijn spijt was de tunnel korter, en daarmee tot mindere diepte, dan ik had verwacht. Al snel zag ik een gigantische grot opdoemen aan het einde. Voorzichtig gluurde ik om de hoek van de iets krom lopende grotgang en zag hoe een hobgoblin 50 meter verderop op een verhoging stond, met een gigantische, aan de grond verankerde kruisboog, een ballista, op ons gericht. - Zjoef! - Brock kon de gigantische harpoenachtige pijl nog net ontwijken die zich vlak naast hem, diep in de rotswand boorde. Opnieuw gluurde ik om het hoekje en zag nu de touwbrug die boven in de grot liep. Ik zag hoe Mevrouw Dood een tegenstribbelende Baardmeneer snel terugtrok de grot in, uit het zicht van de hobgoblin met het gigantische wapen. In gedachten beval ik mijn trol dit gevecht uit te wachten in de beslotenheid van de grottengang.
- Wraaahhh! - Brock rende brullend langs mij heen de grot in. Ik sprong achter hem aan en rende naar de dichtstbijzijnde stalagmiet, waarachter ik mij kon verschuilen. Stukken steen brokkelde af toen een dikke pijl zich in diezelfde stalagmiet boorde. Brock rende door. Onwillekeurig merkte ik dat ik mij zorgen maakte. De vijand was zover weg! Én bevond zich ook nog eens op een verhoging, Brock zou moeten klimmen voordat hij erbij kon komen. Ik riep mijn Spiritual weapon op en zag hoe mijn magische chakram zich vormde uit licht, boven het hoofd van de vijand en zich op hem stortte. De hobgoblin incasseerde de klap en stapte achteruit om een volgende pijl te pakken en de ballista te laden. Ineens stopte hij in zijn beweging, als versteend. Op datzelfde moment zag ik Mevrouw Dood uit het niets verschijnen, midden op de touwbrug. Toen stapte de hobgoblin terug naar de ballista, zonder deze te hebben gelaten richtte hij hem op Brock en vuurde. Er gebeurde niets. Verwarring was zichtbaar op het gezicht van de vijand. Ik glimlachte toen ik besefte dat Mevrouw Dood een geslaagde spreuk had gebruikt. De verontwaardiging duurde niet lang en de hobgoblin snelde zich opnieuw naar zijn pijlen. - Huhuhaaa! - klonk de krankzinnige lach van Baardmeneer, die ook plots middenop de brug verscheen terwijl hij één van zijn bommen gooide, die op het hoofd van de hobgoblin uit elkaar splashte. Brock was ondertussen bij de stenen trap aangekomen van de verhoging waarop de ballista stond. Ik grinnikte toen Brock tijdens het rennen over de verhoging de kop van het pikhouwel van zijn riem trok en naar de hobgoblin smeet. Toen ook Elfenmeisje aanviel werd haar koepel van onzichtbaarheid opgeheven. Lekker bezig! Mijn magische chakram deelde weer een klap uit. Reeds verzwakt deed de vijand een verwoede poging om zijn nu eindelijk weer geladen ballista te richten op de grote, boze orc die brullend op hem af gerend kwam, maar het gevaarte was te groot en zwaar om makkelijk te kunnen draaien en voor de hobgoblin er erg in had stak Brocks zwaard al door zijn borstkast. De hobgoblin stortte ter aarde.
Mijn magische chackram spatte in vonken uiteen en Brock veegde de bloedspetters van zijn voorhoofd. Daar kwamen we weer ongedeerd vanaf. Ik liep terug de tunnel in en nam de gang die mij naar boven, naar de touwbrug leidde. Daar aangekomen sloeg ik mijzelf voor m’n kop. Wat een idioten... Dacht ik nogmaals. Brock was te lui om helemaal om te lopen en was duidelijk vanaf de verhoging richting de touwbrug gesprongen. Brock hing met één hand aan de brug en probeerde zichzelf omhoog te trekken, waardoor de brug ontzettend wiebelde en de anderen er bijna afvielen. Waar was Elfenmeisje? Vroeg ik mij met een schok af. In Azathoth’s naam! Daar lag ze! Beneden op de grond, ze moest eraf zijn gevallen toen Brock in al zijn lompheid naar de brug was gesprongen. “Azathoth zij dank...” mompelde toen ze opstond, wankelde, haar evenwicht terugvond en de gang in liep om zich even later naast mij te voegen. Brock had zichzelf ondertussen op de brug weten te trekken en stond even verderop naar ons te kijken. Zonder iets te zeggen draaide hij zich daarna om en vervolgden wij onze weg.


We hadden al veel meegemaakt voor één dag. Iedereen was aardig vermoeid geraakt en bovendien toe aan het voorbereiden van nieuwe spreuken en in Baardmeneers geval, het maken van nieuwe bommen. Hierom besloten we alvorens verder te gaan, eerst te overnachten. Hierbij was het handig dat mijn trol al dood was en hierom geen slaap nodig had. De hele nacht stond hij op de uitkijk en toen ik wakker werd, stond hij nog steeds exact hetzelfde. Ik genoot van het gevoel van macht, maar dat gevoel kon niet op tegen het rotte gevoel dat ik overhield aan de verschrikkelijke nachtmerries. Het leek wel steeds erger te worden. Ook nu ik wakker was duurde het een aantal minuten voordat ik moeders holle, bloederige oogkassen niet meer op mijn netvlies zag. Ik rook een mix van zwavel en ijzer en moest mijn best doen om niet over mijn nek te gaan. De anderen lagen nog slapend om mij heen. Het liefst was ik vertrokken. Wat kan die draak mij nou eigenlijk schelen? Ik wil gewoon alleen zijn. Ik neem mijn trol en mijn paard mee en trek de wijde wereld in. Het ging allemaal prima voordat ik dit stelletje malloten ontmoette... Maar we waren zo dicht bij... Een echte draak, hoe vet was dat? Ik had nog nooit een draak gezien, niet eens geweten of ik wel geloofde in hun bestaan. En trouwens, dit stelletje halvegare zou het zonder mij nooit overleven als ze het op moesten nemen tegen een echte draak. Ik kon ze onmogelijk nu in de steek laten. Ruw maakte ik iedereen wakker, “Kom op, laten we die draak pakken.”


De volgende, stenen zaal waarin wij ons begaven was een stuk lichter. In plaats van een stenen plafond hing er een helderblauwe lucht boven ons. We bevonden ons onderin een krater, boven de stenen wanden torende groene bomen hoog boven ons uit. Een tweetal, metersdikke boomstammen boorde zich omhoog uit de rotsbodem. De ene een loofboom met dikke, kronkelende takken en zo’n dik bladerdak dat er geen druppel licht doorheen viel. De andere herkende was een kaarsrechte stam die ik herkende als zijnde van een gigantische naaldboom. Brock begaf zich naar de dikke takken rechts in de ruimte, die een trap naar het bladerdak leken te vormen. Ondertussen sprak ik verschillende, beschermende spreuken over ons team uit, om onze krachten te vergroten. Ik hoorde Brock lopen over het bladerdak, dat zelfs zijn gewicht aankon. Ik keek omhoog. Toen liep ik naar een stuk bladerdak wat er dunner uitzag en ja hoor, hier was de bladmassa zo dun dat ik er met gemak doorheen kon kijken. Snel riep ik mijn magische chackram weer op. - Raaahhhrrrrr! - Klonk de woeste drakenbrul toen Brock het beest met een slag van zijn zwaard wekte. Het beest stond op en vanaf mijn locatie onder het gat verscheen hij precies in mijn blikveld. Een jongvolwassen bosdraak, giftig groen, met een magische chackram boven zijn hoofd. - Woesj! - De chackram zette de aanval in. Baardmeneer en Mevrouw Dood waren ondertussen ook de trap-achtige takken opgerend. Ik zag dat Elfenmeisje een andere kant van de boom beklom. - Fhoeeesj! - Een oogverblindende vonkenregen daalde vlak naast mij neer en ik zag hoe een deel van de bladeren langzaam wegbrandde en het gat vergrote, zodat ik de draak nog beter kon zien. Baardmeneer had één van zijn vuurbommen gegooid. “Hier is iemand!” hoorde ik Elfenmeisje roepen. Ik gooide één van mijn normale chackrams naar de draak, raak! Daarna stapte ik opzij om Elfenmeisje via het gat in het vizier te krijgen. Inderdaad, er zat een klein mannetje bovenin de gigantische naaldboom. Azathoth almachtig.... Wat deed ze nu weer? We waren in gevecht met een bosdraak! Ik keek verbijsterd van domheid toe hoe Elfenmeisje de naaldboom in klom om het mannetje te redden. Waarom doet ze dat niet ná het gevecht?!
“Aaaahh!” Mevrouw Dood schreeuwde het uit van de pijn en viel bewusteloos naar beneden. Roerloos bleef zij naast de trap-takken liggen. Haar spreuk was zeker mislukt, waardoor ze de volle laag kreeg! Paars-smeulende brandvlekken bedekten haar normaal zo nette kledij. Ik sprong terug in positie en gooide mijn tweede chackram naar de draak, ook mijn magische exemplaar viel automatisch opnieuw aan. Oh oh.... Ik kon nog net opzij springen om te voorkomen dat de draak zich recht bovenop mij stortte, toen hij door het gat in het bladerdak sprong. - Grrrrr! - Geelgloeiende slangenogen, kokend van woede, tanden als berenvallen, nog geen meter van mij af. Vanuit mijn ooghoek zag ik het bewusteloze hoopje mens liggen dat Mevrouw Dood was en in een oogwenk draaide ik me om en rende op haar af. Terwijl ik dat deed trok ik mijn ritual knife waarop ik de spreuk losliet die ik al kende sinds mijn geboorte, Darkness. Een pikzwarte wolk vormde zich in een straal van 6 meter om mij heen en ontnam de draak het zicht op mij en de zwaar gewonde vrouw.
- Raahhhrrr! - Hoorde ik Brocks oorlogskreet weer, gevolgd door een klap die mij voor me liet zien dat hij boven op de draak gesprongen was. Dit vermoeden werd bevestigd toen ik woeste vleugelslagen hoorde en wind voelde waaien langs mijn pikzwarte haren. Eerst moest ik Mevrouw Dood redden, voordat ze haar bijnaam eer aan zou doen, Brock kon wel voor zichzelf zorgen, hoopte ik. Mijn hart bonsde achterin mijn keel. De helende woorden kwamen stotterend over mijn lippen terwijl ik mijn rechterhand op het slachtoffer liet rusten. In mijn linkerhand hield ik de ritual knife vast, die nog steeds duisternis uitstraalde.
Ik hoorde woeste geluiden van zowel Brock als de draak, hoog boven mij in de lucht, maar al dat ik zag was duisternis. Net toen ik mijn ritual knife terug schoof in zijn schede, om de duisternis te stoppen en te kunnen zien wat er gebeurde hoorde ik de gil van Brock. Een vallende Brock. En toen de duisternis in de schede implodeerde zag ik hem ook, een vallende Brock. Ik trok mijn trillende handen van de weer ademende Mevrouw Dood af en hief ze op naar Brock. Oh wat viel hij snel! Ik bad tot Azathoth. Help, oh almachtige, help deze man, laat hem niet sterven. Paniek laaide in mij op toen ik mij besefte dat ik Brock niet helpen kon. Standaard koos ik er ‘s ochtends voor om mijn Trickery spreuken voor te bereiden, zoals Copy cat en Invisibility. Zou ik Brock met deze onbewuste keuze de dood in hebben gejaagd? Door niet voor mijn Void spreuken te kiezen? Zoals Feather fall, Levitate en zelfs Fly?! Welke nu ontzettend goed van pas zouden komen!!?! Ik hield mijn handen van schrik en schuldgevoel voor mijn mond en kon niets meer. Alleen maar toekijken naar het steeds sneller vallende, schreeuwende lichaam dat mijn vriend was. Ja, mijn vriend. - Bammm!!! -
De klap ging door merg en been. Brocks lichaam lag gebroken op de grond. Ik hoorde een suizend geluid en zag dat de draak ook ter aarde stortte. Ik wist dat ik moest haasten, dat ik naar Brock toe moest springen en hem opzij moest slepen, als hij door het lichaam van de draak werd geraakt was het zeker met hem gedaan. Maar ik stond daar maar. Ik stond daar versteend, als een klein, nutteloos en bang meisje, met haar lelijke, paarse handen voor haar mond geslagen. - Baaaaam!!!! - Een nog harde klap toen het drakenlichaam een krater sloeg in de rotsbodem direct naast Brock, en daarmee zijn laatste levenskracht verloor. Hierna was het alsof ik toekeek vanuit de hemel, naar mijn eigen lichaam, wat zich los maakte uit de trans en nu toch op Brock afsprong. Bij hem neerknielde, haar handen op zijn gebroken lichaam legde en Azathoth en iedere andere god die luisterde aanriep, om haar vriend te genezen. Een zucht van opluchting ontsnapte toen ook Brock weer begon te ademen en zijn wonden langzaam leken te genezen. Ik werd terug gezogen in mijn eigen lichaam. Toen Brock zijn ogen open deed en er weer voldoende aan toe leek te zijn stond ik op en liep terug naar Mevrouw Dood, om haar verder te genezen.
Toen ook zij weer was hersteld klom ik de takken-trap op om mijn chackrams van boven terug te halen. Aan de andere kant van het bladerdak klom ik weer naar beneden en zag ik Elfenmeisje staan met de persoon die zij gered had. Ik probeerde niet naar Brock te kijken, die ondertussen weer overeind gekomen was en wankel op zijn benen stond, en richtte me tot de persoon die door Elfenmeisje was gered. Het was een mannelijke halfling. Ik vroeg hem wie hij was, waarop hij antwoordde “Ik ben professor Tristis, van de Universiteit van Liepstad.” “Helemaal niet.” hoorde ik Mevrouw Dood, die overeind kwam en haar kledij schoon klopte. “jij bent geen professor.” zei ze, terwijl ze elegant als altijd op hem afliep. “Uhhh...” De man kreeg een blos op zijn wangen. “Vertel ons de waarheid, we hebben je gered.” zei Elfenmeisje. “Nou... Oké ik moest deze boeken terug naar de universiteit brengen.” hij klopte op zijn tas. “Laat zien.” zei ik. “Uhh...” probeerde hij tevergeefs tegen te sputteren. Ik haalde de boeken al uit zijn tas. “Deze twee lijken me gewoon geschiedenisboeken.” zei ik terwijl ik ze aan Elfenmeisje gaf. “Maar deze...” ik voelde een magische aura van het derde boek afkomen. “Deze is magisch verzegeld.” ik wees op een metalen slot, wat het boek dicht hield. Brock trok zijn met drakenbloed gekleurde zwaard en hield hem tegen het slot.
- Click - Het slot sprong open. Toch handig, zo’n magisch zwaard. Vol verwachting opende ik het boek. Verwoed liet ik mijn uitgebreide talenkennis los op de mysterieuze teksten. Ik baalde ontzettend toen ik er niets uit op kon maken. Ook de anderen werden er niet veel wijzer van. “Hoeveel krijg je ervoor betaald, om deze boeken terug te brengen naar de Universiteit?” vroeg Brock de halfling. Wauw, dacht ik, hij is net zo’n beetje opgestaan uit de dood en nu al is geld het enige waar hij aan denkt? Hoe materialistisch kun je zijn. Wreed en materialistisch, maar toch mijn vriend? “200 goudstukken.” antwoordde de halfling. “Spreek de waarheid.” zei Mevrouw Dood hem streng. “400 goudstukken...” mompelde hij toen, zijn ogen neerslaand. “Dan gaan wij die boeken terugbrengen en krijgen wij die 400 goudstukken.” zei Brock, alsof dat definitief, democratisch was besloten. We namen de halfling en onderdelen van de draak als trofeeën mee terug naar onze huifkar.


“En hoeveel geld heb je dan in dat huis van jou en je vrouw?” vroeg Brock aan de halfling. Het ging alweer over geld... “2000 goudstukken.” “En hoeveel geld heb je er dan voor over zodat wij je vrouw laten leven?” vroeg Brock. “Waaat?!” riep de halfling verschrikt uit. Het was gezellig in de huifkar zo te horen, Azathoth zij dank had ik mijn eigen paard. Ik trok hem aan de teugels en liet hem een heel eind bij de kar weg galopperen.
Ik dacht weer aan die vreselijke nachtmerries. “Harder.” Spoorde ik mijn trouwe ros aan, waarvan ik zo blij was dat ik hem nog had na dat beangstigende gevecht met die hobgoblins aan het begin van ons drakenavontuur. Ik keek naar de kop van mijn paard, hij was niet meer verbrijzeld, in had hem aardig kunnen herstellen. Mijn ogen bleven rusten op de holle oogkassen van het paard. Ik dacht aan moeders dode ogen... Mevrouw Dood en Brock bewusteloos, of erger, op de stenen bodem van het drakenhol. Dood. Holle oogkassen. Bloed. Overal bloed. “Harder!” Riep ik woest uit naar mijn paard. Ik voelde de wind door mijn haren, de zon op mijn gezicht. Rot toch op met de zon en de blauwe lucht. In Azathoth’s naam! “Aaaahhhhrrrr!” Schreeuwde ik uit. Toen ik weer een beetje op adem kwam keek ik over mijn schouder, heel in de verte zag ik de huifkar nog. Ik stuurde mijn paard bij en minderde vaart om weer iets dichter bij de huifkar in de buurt te komen.
Toen ik langzamer reed keek ik naar de ketting om mijn hals, het amulet glom zilverachtig in het zonlicht. Ik voelde aan de donkerbruine lijnen die erop waren geschilderd. “Afzwering”, dat betekende het eerste symbool. Ik herkende het nu. Plotseling wist ik wat voor amulet het was en wat ik vanuit mijn ooghoek had zien verdwijnen zodra ik het amulet de eerste keer om deed. Het amulet beschermde mij tegen een bepaalde soort magie, magie waarmee wezens mij probeerden te vinden, ik had een magisch oog zien verdwijnen zodra ik het amulet omdeed! Mijn hart begon alweer sneller te slaan. Wie had mij op magische wijze in de gaten gehouden? Ik dacht aan de Gentleman, wie mij ook als ik onzichtbaar was had kunnen zien, ik dacht aan Azathoth, zou hij inderdaad altijd met mij zijn? Op deze wijze? Zoals mij vroeger was geleerd? Toen dacht ik aan moeder.... Zou ze mij in de gaten houden? Mij zoeken? “Hé Emo! Emo kom eens, ik wil wat vragen!” verstoorde Brock mijn gedachtegangen. Woest en angstig stormde ik opnieuw ver weg met mijn skeletton horse.


Ik reed rustig een eindje voor de huifkar uit. Het - tik tok tik tok - van mijn paard zijn hoefgetrappel werkte rustgevend. Het pad liep over een verhoogde zandrug, aan weerszijden begroeid door robuuste moeraseiken. Naast de laan waaronder ik mij begaf waren er in de verre verte amper bomen te zien. De paarse, giftige poelen waren al ver achter ons, maar drassig was het landschap nog wel. Ondiepe waterpartijen en rietkragen vormden een spel van mozaïek voor zover mijn richt reek. Recht vooruit zag ik een kleur verschijnen die niet paste in het blauwgroene moeraslandschap, knalrood. Naarmate ik dichterbij kwam kon ik ook de kleur geel onderscheiden op zeer herkenbare objecten. Huifkarren, circustenten... Verrast versnelde ik tot draf. “Tristan! Ceria!” riep ik enthousiast. “Wat doen jullie hier?” vroeg ik toen ik voor hen tot stilstand kwam. “We zijn op weg naar de volgende stad, voor een volgende voorstelling.” antwoordde Tristan. “Wat is er aan de hand?” vroeg ik, ik merkte direct de verdrietige ondertoon op in Tristans stem. Ondertussen waren mijn metgezellen ook gearriveerd en sprongen ze uit de huifkar om de circusmensen te begroeten. “Eén van de zusjes Microlis is vanochtend verdwenen.” vertelde Tristan. Ik herinnerde mij de drie kleine meisjes, een drieling met extreem kleine hoofden. “Ze ging plassen, maar is niet teruggekomen.” vulde Ceria hem aan terwijl ze naar een grote boom in het moeras wees. “En jullie hebben haar niet gezocht?” vroeg ik verontwaardigd. Bange gezichten keken mij aan en zeiden genoeg. Met een zucht spoorde ik mijn paard aan en galoppeerde ik op de aangewezen boom af.

Ik sprong soepel van mijn paard en liep om de boom heen. Azathoth almachtig... Ik zag metersbrede sporen van platgedrukt riet, veel te breed voor zo’n klein meisje. Met mijn hand op mijn mace sloop ik door het drassige moerasland. Ik voelde het koude water in mijn schoenen trekken. - Plons - Mijn metgezellen waren achter mij aan gekomen en waadde mee door de poel. “Hier!” hoorde ik Mevrouw Dood roepen, we snelden ons erop af. Het meisje lag op haar buik langs het riet, met haar gezicht onderwater, dood. “Aaaahhhhh!!!” hoorden we geschreeuw. In een par grote stappen was ik bij mijn paard, ik sprong op zijn rug en galoppeerde zo goed als dat kon door het ondiepe water, in de richting waar de schreeuw vandaan kwam. “Aaaahhhh!!” Nog een schreeuw, van een andere kant, ik keerde en galoppeerde erop af. “Aaahhh!” Nou zeg! Waar ben je? Dacht ik toen er weer een schreeuw klonk vanuit een andere richting. Zou er een monster zitten, wat alweer een nieuw slachtoffer te pakken gekregen had? “Waah!” klonk er nu met een ander stemgeluid, vanaf mijn hoogte bovenop mijn paard overzag ik het nabije riet en zag ik nog net hoe Mevrouw Dood gegrepen werd door twee gigantische, blauw met witte poten. Ze viel op handen en voeten in het water, de poten probeerden haar het achterliggende riet in te sleuren maar ze wist zich los te trappen en kroop snel naar voren, naar het midden van de poel, waar ze hijgend overeind kwam. We stormden met zijn allen op haar af. “Ze moeten mij wel hebben vandaag.” mompelde ze met een van pijn vertrokken gezicht, haar bloedende wond in haar zij dichtdrukkend met haar handen. Ik sprong van mijn paard. Rug aan rug stonden we daar met zijn vijven, in het midden van een poel. Rondom de poel bevond zich een dichte kraag van twee meter hoog riet. In die kraag huisde het onbekende monster. Mijn paard stond vlak naast ons, mijn skeletton trol direct naast het riet, als lokaas. Onze wapens en spreuken hielden we gereed en we wachten af.
- Zjoef! - - Zoef! - Was het enige wat we hoorden, naast het geritsel van grote poten in het nabije riet. - Splash! - “Woah...” Geschrokken strompelde Brock achteruit. We keken om en zagen een gigantische blauwe spin met witte poten en patronen op zijn dikke lijf. Twee venijnig klappende kaken bevonden zich vlak bij Brocks hoofd. Razendsnel haalde de spin uit met zijn puntige voorpoten en deelde rake klappen uit aan Brock. Wat de spin echter niet had zien aankomen waren de magische houten speer van Eelfenmeisje, de vuurbom van Baardmeneer en mijn Bloodbath spreuk die hem tegelijkertijd troffen. - Ieehhhhhh! - klonk het gekrijs van de vlammende spin door merg en been, bloed stroomde uit zijn 8 ogen. - Zjoef! - Zo plotseling als de spin was verschenen was hij ook weer verdwenen. Ik borg mijn ritual knife weer op, zolang als ik zou blijven bloeden, zou de spin in ieder geval met mij mee bloeden. Mocht hij zich nu niet meer willen laten zien, dan zou hij het in ieder geval niet overleven. Smerig monster, zo’n klein meisje pakken... Wat haar hele leven nog voor zich had. - Bam! - Baardmeneer gooide een vuurbom op de plek waar hij het riet dacht te horen ritselen. De bom sloeg een gat in de rietkraag en modder spatte op, maar we hoorden geen pijnlijke kreten van de spin. - Zjoef! - Daar was hij weer! Vlak voor Mevrouw Dood! Met zijn allen sprongen we er op af en sloegen de reeds verzwakte spin ter aarde. Pfoe. Ik veegde het zweet van mijn voorhoofd. “Hé Emo, kun je hier ook niet zo’n ondood skeletton monster van maken?” Vroeg Brock me hoopvol. Ik liep echter alweer weg, naar het arme, dode meisje. Meggie heette ze. Ik nam het lichaampje voorzichtig in mijn armen en bracht haar terug naar haar nu hysterisch huilende zusjes.

Tristan bedankte ons voor onze hulp en gaf ons een klein, houten kistje. Mevrouw Dood pakte hem aan en opende hem. Ik herkende het mes dat er in lag als een shapeshifters bane. Hmm... Ik was benieuwd of hij ooit van pas zou komen. We bedankten Tristan en de anderen, wenste hen veel sterkte met hun verlies en klommen in de huifkar, om onze weg te vervolgen met de nep-professor naar zijn Universiteit in de grote stad. Zelf klom ik weer op mijn paard. “Rijd gewoon met ons mee.” riep Mevrouw Dood naar me. Ik vond echter dat ik al wel weer lang genoeg in hun gezelschap had verkeerd. “Hé Emo, als we de vrouw van deze nep-professor vermoorden, kun jij haar dan terugbrengen als een ondode?” riep Brock naar me. Ik stoof weer weg op mijn paard, alleen de zonsondergang tegemoet.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen