Hoofdstuk 17.


||Torvi Wigglywiggs


Uren had ik gelopen door de Jungle en het stroompje water wat ik volgde werd maar niet groter, ik had een heel groot stuk tussen mij en de Cornuccopia gemaakt. Hopelijk ook vér genoeg van andere Tributen voor de aankomende nacht die begon in te slaan. Ik moest heel rap opzoek naar een veilige plek om mijn spullen te controleren, te zien wat ik verzameld had. In de voorgaande Games, gingen de Beroeps in de nachtelijke uren op jacht, niet voor het wild nee voor andere slapende Tributen.
Op een slinkse wijzen werden ze zo langzaam aan geëlimineerd.
En het was een zonde om gedood te worden, nog voordat je een gedeelte van het spel gespeelt hebt.
Ik wilde eigenlijk wel heel erg graag weten wat ik uit de Hoorn des Overvloeds bij elkaar gegraaid had. Een paar uur rust zou niet mis zijn want ik was wel degelijk van plan de volgende morgen een betere schuilplaats te zoeken. De eerste dag misschien dagen zullen wennen zijn, lastig door te komen zijn door de spanning en angst dat diep in je genesteld zat.
Overal schuilde voor mijn gevoel gevaar.
Elk blaadje kon giftig wezen, of de takken waarover ik heen gelopen had.
Een boom in klimmend dat redelijk gekronkeld lijkt te lopen, wist ik dieper de bladerdekens in te kruipen. Wetende dat de bomen vol spinnen, insecten, slangen, apen en andere dieren kon zitten, kroop ik in stilte verder. Op een brede tak dat overige ligt op een hangmat achtige brug leek nam ik na controle of het wel stevig genoeg was, gecamoufleerd genoeg was, plaats.
Voorzichtig mijn eerste tas van mijn buik afhalend en zo mijn tas van mijn rug begon ik mijn wapens op een stapel bij elkaar te bergen. Eerst de tassen, dan kon ik het daarna rangschrikken. En nu ik nog licht heb van de dagenraad kon ik zo het een en ander nog goed genoeg zien.
Beneden ver beneden dieper in het dal waar ik eerder vandaag nog gelopen heb.
Stond een meisje rond zich te kijken, haar wenkbrauwen had ze gefronst en haar gezicht stond vol angst.
De tassen uitgepakt had ik de volgende buit vergaard: Een Zaklamp met een setje bij batterijen, Veldfles van ijzer en een Veldfles van een soort leder, Lucifers, setje Werpmessen, twee kleine flesjes Iodine, een pakje Crackers, een vreemd soort Zonnebril, gedroogd Vlees en Fruit en Noten, een setje Stompkaarsen en Waxinelichtjes, een Vishaak, een Spil om water uit bomen te tappen, een groot EHBO kistje, een Slaapzak dat warmte vast hield en camouflerend werkt, een Fleecedeken, een gevlochten ijzerachtig draad, een Fileermes, en een kleine pan waarin je eten kon klaarmaken.
Dit was een erg goed vangst vanuit de Hoorn des Overvloeds, vooral voor een kind dat het al verder geschopt had dan menig zou hebben gezegd. Ik hoopte maar dat mijn broers dit thuis allemaal niet te veel zouden bekijken.
En ik hoopte al helemaal dat mijn broers en zuster niet had gezien dat ik een leven had genomen.
Hoe ze hierop zouden reageren wilde ik niet eens weten, de angst alleen al om het voor mij op mijn netvlies te krijgen liet me sidderen.
Kort schudde ik mijn hoofd niet aandenken Torvi, niet aandenken, dit zijn de Games. Je bent nergens veilig in de Arena, dus ik heb gedaan wat ik moest doen. Als ik dat zou onthouden en volhouden zou ik enkele dagen kunnen rekken.
De tassen die ik gestolen had, begon ik gelijkmatig te verdelen. Het een de wapens, de ander het voedsel en de laatste tas het overige wat te gebruiken viel. Veilig schoof ik het richting de stam zodat het niet naar beneden zou kunnen vallen en bekeek vervolgens de lange speer. Het object was veel te groot voor mij en ik kon het maar lastig hanteren. Als ik samen werkte met iemand, een groter persoon kon dit mooi voor hem of haar dienen. Maar ik zou niemand weten dat met een veertien jarige zou willen samenwerken.
Malik had gezegd dat mijn broers en zuster niet te vertrouwen waren.
Familie is toch altijd te vertrouwen?!
Al was het iets anders met bepaalde familieleden van mij!
Wellicht had Malik gelijk en kon ik ze maar beter mijden, hoe minder verdriet het zal doen als ze in mijn omgeving zouden sterven.
De hemel van de Arena begon donkerder te kleuren en het bekende deuntje van het Capitool luidde door de koepel. De introductie klonk enkele lange seconden voort, vooral er een knal werd gelanceerd en een volgende, ik begon met de klappen mee te tellen en kwam na een paar minuten uit op het aantal 11. Er waren vandaag elf kinderen gestorven, één voor één kwam er een foto met naam, district, leeftijd, wapen, moordwapen, doodsoorzaak en aantal dagen in de Arena tevoorschijn.
Met grote ogen bleef ik kijken of niet een van mijn familieleden er tussen zou zitten.
Maar na het tiende slachtoffer gezien te hebben, zag ik Thalia inbeeld komen. Het meisje had de eerste dag niet eens overleefd. Precies zoals ze had voorspelt. Haar zelfvertrouwen was zelfs nog lager dan dat van mij was. En nu dat zij al niet meer leefde begon te toch wel te kriebelen. Want ik wilde niet net als haar zo’n pijnlijke dood, ondergaan.
Het deuntje dreunde weer op en de lucht werd weer donker. De nacht was ingeslagen en de komende uren zou er toch niet veel spektakel gemaakt worden. De eerste Tributen waren al gevallen en voor de komende uren zouden dat genoeg doden wezen.
Het Capitool zou nu druk wezen met de lichamen te waarborgen en in een juiste kist te leggen. Wat er verder mee gebeurde wist ik niet, en wilde ik niet weten. Het enige wat ik wist is, dat de kisten na de spelen thuis kwamen en je je familielid kon begraven.
Het meisje dat op een aardige afstand van mij zat, had een vuur gemaakt.
En een van de belangrijkste regels is, geen vuur dat geen rook en waar rook is, komen Tributen op af.
Je vraagt om gedood te worden, precies zoals voorspelt waren daar al in de verte de luide geluiden van enkele Tributen te horen die zich hadden samen geschoold. Een samenwerkingsverbond hadden gesloten en dus op jacht zijn naar Slachtoffers. Mijn ogen bleven gefixeerd op het meisje dat dicht tegen het vuur zat aangekropen. Ze had geen spullen, geen wapens, niets.
Ik had ook bijna z’n nacht gehad als ik alleen de eerste tas had gepakt.
Struiken ritselde ver in de verte, het meisje leek nog niets door te hebben doordat ze zich op de grond schuil hield.
Zelfs een kind begreep nog dat een boom het veiligste was om in te gaan slapen dan de grond. Vooral als je de omgeving helemaal nog niet kent en dus overal bang voor moet zijn. Tussen de struiken door waren nu glinsterende metalen wapens te zien en lichten van zaklampen schenen tot ver door de Jungle. Gelukkig rijkte de lichten niet tot de kruinen van de toppen van de bomen.
Want daar hield ik me in schuil, hoog boven de vergaarding van het regenwoud verderop waar de andere Tributen nog een weg aan het maken waren naar het slachtoffer. Een groep van zeven potige stevige Tributen, welk Districten samen werkte kon ik niet zien. Maar één van die gasten herkende ik, vanuit District 1. De brede met knalrood gekleurd haar en sproeten.
De vrijwilliger dat nog net mag meedoen omdat hij nog net binnen de termijn van de spelen 17 is.
Het meisje merkte het nu te laat op, ze was al omsingeld.
De groep stond grijnzend, speels en vijandig rond haar en smekend probeerde ze om genade te vragen. De grote jongen met rood haar boog zich naar haar toe en haalde vervolgens uit met zijn lange grote zwaard. Bloed spatte en een ijzingwekkende krijs vulde de omgeving. In elkaar gedoken tussen de bladeren bleef ik het schouwspel volgen.
Tranen rolde er over mijn wangen een kanonslag volgde en een volgend Tribuut was gevallen.
Van de achtenzeventig Tributen waren er nu al twaalf gedood en dat binnen de zessendertig uur. De nacht was nog maar net ingeslagen, tenminste zo voelde het. Want ik begon moe te worden, maar door de vele spanningen durfde ik niet te gaan slapen. De Tributen stonden nog altijd op dezelfde plek vanwaar ze het meisje hadden gedood.
Ze doofde het vuur en liepen luidruchtig, duwend trekkend met elkaar weg.
Uit de richting vanwaar ze gekomen waren. Triomfantelijk.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen