Foto bij 220. - Lucien

Het ene moment ben ik met de liefde van mijn leven verbonden door oogcontact, het volgende moment zit er een poort tussen ons in. Het voelt alsof ik van haar losgeknipt wordt. Er is nu een leven binnen de muren... en mijn leven. Zelfs over de muren heen hoor ik mijn zoon krijsen en ik zie voor me hoe Emmeline hem tegen haar boezem drukt en hem sust, net onder haar sleutelbeen met een hand langs de zijkant van zijn gezicht. Dezelfde plek waar ze mij troost als ik niet goed genoeg verberg dat ik een nachtmerrie heb gehad. Hoewel er slechts enkele tientallen meters tussen ons in zitten, huilt mijn hart door hoeveel ik haar mis. Ik spoor Damiane aan, wetend dat als we eenmaal aan de bosrand zijn, hij zelf de weg bepaald. Niemand weet waar ik precies ga verblijven, zelfs ik nog niet. Op het moment dat de poort achter mij sloot, werd mijn leven in de handen van een ander gelegd. Of het God is of het lot weet ik niet, maar ik kan alleen maar bidden dat het me goed gezind is.

Damiane vindt drie grotten voordat ik besluit me te settelen. De afstand tussen mij en het kasteel voelt pijnlijk groot en dat is precies waarom ik hier wél blijf. De eerste twee voelden te dichtbij, te kwetsbaar. Elke tak die onderweg brak zorgde voor een golf van adrenaline en angst dat mijn vader me gevolgd was. Een deel van me roept dat deze grot nog steeds niet ver weg genoeg is, dat ik nog steeds te makkelijk te vinden ben, dat ik weer op mijn paard moet gaan zitten en door moet reizen.
Als je daar naar luistert, zit je uiteindelijk alsnog in het Ottomaanse Rijk. wijs ik mezelf terecht. Ik ben kapot, zowel emotioneel als fysiek, en alsof het een avond als alle anderen is ligt er een migraine-aanval op de loer. Alleen kan ik hier niet wegkruipen in Emma's armen. Als een duiveltje op mijn schouder is de volgende gedachte dat ik hier ook niet naar het gehuil van Julien hoef te luisteren.
Ik vertel mezelf dat ik mijn zoon mis. Ik weet niet hoe erg ik dat meen.

Het blijft drie dagen regenen. Huiverig om in dit weer te gaan jagen ga ik op rap tempo door mijn rantsoenen uit het kasteel heen. Ik kan wel een mooie voorraad water aanleggen, maar uiteindelijk raakt mijn hout op maar vooral ook mijn eten. En dus, wanneer de avond valt, pak ik mijn boog en verstop ik me diep in mijn mantel - en ga er op uit.
Het moment dat ik me in de begroeiing verstop ben ik alle tegenzin vergeten. Het duurt niet lang voordat er een eekhoorn over de takken boven me schiet. Wanneer hij blijft zitten, leg ik heel voorzichtig een pijl op mijn boog en richt. In die beweging ritselen de bosjes; de eekhoorn richt zijn aandacht op het geluid, ziet hoe ik de boog aanspan en is er vandoor voordat ik de pijl los kan laten. Ik rol mijn ogen en laat de boog weer zakken. Ik kom in beweging en vind uiteindelijk een kleine open plek. Er zijn verschillende sporen te vinden, waarop ik de keuze maak op de koude natte bosgrond te gaan liggen in de hoop dat er snel iets voorbij komt. Het is inmiddels volledig donker en ik kan alleen maar afgaan op het licht van de halve maan. In mijn zak zit een vuurslag en een kleine kaars, maar ik ben bang dat zelfs dat kleine vlammetje eventuele dieren af zal schrikken. En dus blijf ik liggen in het donker, en probeer niet te vloeken wanneer regen weer aanwakkert. Mijn maag laat van zich horen. Mijn schouders verkrampen in de ongemakkelijke positie en de kou. Als ik mijn ogen dichtdoe, zie ik een stomende badkuip voor me. En Emma, die klaar staat op mijn haar te wassen en me te scheren, voordat haar handen over mijn borstkas naar beneden glijden en...
Ik schud mezelf uit de dagdroom, al is mijn lichaam het daar duidelijk niet mee eens. Ik negeer het verlangen voor zover dat gaat en doe nog meer mijn best me te focussen op de open plek en eventuele bezoekers. Dat is, zo blijkt, met de gedachte van Emma en een badkuip een verloren zaak. Met een zucht vis ik de kaars uit mijn zak, doe een schietgebedje dat de lont niet nat is, en kets hem aan met de vuurslag. Het warme licht helpt me de weg terug naar de grot te vinden. Ik leg mijn laatste hout op het stervende vuur en vul mijn maag met droog brood en wijn. Alleen de gedachte aan een vers stuk vlees doet me watertanden. Morgen weer een dag.
Ik wikkel mezelf in een deken en rust mijn hoofd op een zadeltas. Normaal gebruik ik daarvoor mijn mantel, maar die is doorweekt.
Ik kan de slaap niet vatten. De maan staat hoog aan de hemel wanneer ik het opgeef en een dichtbundel uit een van de tassen opgraaf. Uiteindelijk val ik zittend tegen de grotwand in slaap. Ik droom over Emma; een doodnormale avond, waar we samen in bed liggen. We lezen. Genieten van elkaars gezelschap. Doen alsof we het vervelend vinden als de ander een poging doet tot de liefde bedrijven, maar uiteindelijk wordt er altijd opgegeven.

Ik doe mijn ogen open en Emma is weg. In plaats daarvan wordt ik verblind door een heldere ochtend waarop het voor het eerst lijkt dat het niet de hele dag gaat regenen. Terwijl ik mijn laatste stukken gedroogd vlees op knaag, realiseer ik me dat ik in alle heimwee van gisteren geen enkel moment aan mijn zoon heb gedacht.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen