. . .


Jequetepeque Valley, 695 A.D.


Prins Ramóns voetstappen galmden tussen de met geel en rood beschilderde muren van de gang terwijl hij zich naar het ceremoniële plein haastte. Opwinding verspreidde zich door zijn lijf. Het was twaalf zonnen geleden dat de jagers het gebergte in waren getrokken om aan de ceremoniële jacht deel te nemen. Ramón had niets liever gewild dan meedoen – dat was altijd al een droom van hem geweest. Hij was echter de zoon van de heerser. Met de onrust die in de valleien rondom die van hen heerste, had vader besloten dat hij beter binnen de muren van het paleis kon blijven.
      Het was niet zo dat Ramón het niet begreep. Zijn oudere broer Jávec was twee jaar geleden door een andere stam gevangengenomen. Vader had geprobeerd hem terug te kopen; zodra zijn bloedbanden echter bekend werden, was dat reden geweest om Jávecs keel door te snijden. Ramón was nu de troonopvolger en zijn vader was meer beschermend dan ooit.
      Ondanks die tragedie wilde Ramón zich ook bewijzen. Hij was vijftien. Hij was ook een man. Ook hij wilde de adrenaline voelen wanneer hij zich stilletjes door het struikgewas bewoog, op zoek naar een geschikte prooi. Hoe vaak had hij wel niet gedroomd dat hij het grootste hert zou binnenslepen? Misschien dat de goden hem zelfs een jaguar stuurden!
      Misschien de volgende keer. Zijn vader wist niet hoe goed hij de afgelopen maanden geoefend had, dat hij regelmatig ’s nachts het paleis uit glipte om samen met Ayan de wapens te kruisen. Zijn hart begon sneller te kloppen toen hij aan zijn vriend dacht.
      Ayan was niet zijn officiële krijgsmeester. Dat was meester Gyron. Een man die zelfs zijn vader nog in de vechtkunst onderwezen had. Zijn overwinningen waren legendarisch – maar dat nam niet weg dat hij oud was en dat iedere oefening geforceerd voelde. Hoe anders was dat met Ayan. Snel waren zijn bewegingen, speels de blik in zijn ogen, uitdagend zijn lach. Hij bewoog zo gracieus dat het soms was alsof hij Ramón ermee betoverde. In het licht van de maan kon Ramón uren naar hem kijken, terwijl hij met zijn strijdknots zwaaide en met de punt erbovenop op onzichtbare vijanden in sloeg.
      Ramón wrong zich tussen de mensen door naar voren. Sommigen mopperden binnensmonds – totdat ze ontdekten dat hij degene was die hen opzij duwde en ze vlug een verontschuldiging mompelden. Vooraan de menigte blijf hij stilstaan. Vijftien krijgers stonden in drie rijen opgesteld; hun jachttrofeeën hadden ze voor zich uitgestald.
      In tegenstelling tot de anderen had Ramón geen enkele interesse in de gevelde dieren. In plaats daarvan schoten zijn ogen langs de krijgers tot ze op Ayan bleven rusten. Hij stond in de tweede rij, helemaal aan de andere kant. Zijn gezichtsuitdrukking was net zo serieus als die van de anderen, al werd zijn blik warmer toen zijn ogen die van Ramón kruisten. Automatisch kwam er een glimlach om Ramóns lippen. Het liefst holde hij naar zijn vriend toe om zijn armen stevig om hem heen te slaan, maar dat was niet gepast. Zeker niet voor een prins.

Er werd een rijke maaltijd aangevangen waarvoor alle krijgers waren uitgenodigd. Het was een van de weinige gelegenheden waarbij Ayan ook aan de koninklijke tafel zat. Hoewel hij slechts een paar plaatsen bij Ramón vandaan zat, probeerde Ramón niet te veel naar zijn vriend te kijken. In plaats daarvan richtte hij zich op het hertenvlees op zijn bord. Het was niet het door de jagers geslachte vlees dat door hen gegeten werd; dat zou bewaard worden om tijdens de ceremonie aan de goden te offeren.
      Met kleine hapjes at Ramón van het vlees. Veel honger had hij niet, dat was meestal zo op de dagen dat hij had afgesproken om ’s nachts zijn kamer uit te sluipen. Hij was altijd bang dat iemand hem betrapte – en toch hield dat hem nooit tegen om Ayan op te zoeken. Meestal kon hij de zenuwen wel goed in bedwang houden, op momenten dat hij hem lang niet had gezien was hij zo opgewonden dat hij dat moeilijker vond.
      Tussen de vele geluiden door kon Ramón moeiteloos de stem van zijn vriend herkennen. Die was altijd energiek, hoe lang hij ook praatte. Het maakte hem een goede verteller, Ramón kon uren naar hem luisteren als hij vertelde over de avonturen die hij had meegemaakt. Avonturen waar hij alleen maar over kon dromen.
      De keren dat hij de vallei uit was geweest waren op één hand te tellen. Heel af en toe was hij met zijn vader meegegaan als ze een van de andere koningshuizen bezochten. Dat werd echter hoe langer hoe minder; de andere clans stelden zich steeds vijandiger tegenover elkaar op. Vruchtbare grond was in het geding, jachtvelden raakten verlaten of mysterieuze ziektes doodden hun gewassen, waarvan naburige valleien de schuld kregen.
      Terwijl zijn gedachten afdwaalden, deden zijn ogen dat ook. Ze rustten op Ayan. Zijn zwarte haar viel op zijn schouders, waarbij de twee plukken boven zijn oren naar achteren gevlochten waren. In tegenstelling tot Ramón was zijn haar onbedekt, waardoor het glom in het licht van de zon dat door de open luiken naar binnen viel. Zelf droeg de prins een gouden hoofdtooi in de vorm van een arendskop. Vergeleken met die van zijn vader stelde het niet veel voor; die van hem was veel groter en bevatte niet alleen de kop van een vogel, maar het dier werd met gestrekte vleugels uitgebeeld.
      Ayan droeg helemaal geen goud, ook niet in zijn oren. Hoewel het zijn lage klasse benadrukte, vond Ramón het mooi. Zelf had hij soms het gevoel dat hij helemaal weggestopt werd onder juwelen en overdadige kleding. Het gaf hem weleens het gevoel alsof hij alleen de zoon van een koning was. Iemand waarmee gepronkt kon worden, iemand waar anderen naar moesten opkijken.
      Al begreep Ramón nooit goed waarom. Tenslotte was hij zo vrij als een vogel in een kooi. Hij mocht niet mee met de jacht, hij kon niet zonder gezelschap het paleis verlaten en hij mocht niet samen zijn met degene met wie hij wilde samen zijn.
      Alsof zijn vriend zijn gedachten kon horen, draaide hij zijn gezicht even opzij en hield Ramóns blik vast. Hij gaf hem een vlugge knipoog, alsof hij wilde zeggen dat hij zich daar niet zo druk over moest maken. Zijn wangen werden warm en hij keek vlug weer naar zijn bord voordat iemand het merkte. Toch kon hij de glimlach om zijn lippen niet stoppen.
      ‘Wat is er, Ramón?’ klonk het vlak naast zijn oor. ‘Waarom eet je zo weinig?’
      Ramón keek opzij. De berekenende blik in Santui’s ogen bezorgde hem een knoop in zijn maag. Zijn broertje was slechts één jaar jonger dan hij, maar hij gedroeg zich vaak alsof hij ouder was en alsof hij alle wijsheid in pacht had. Zodra de mogelijkheid zich voordeed waarop hij zich kon afgeven op iets wat de kroonprins deed, liet hij die kans niet voorbijgaan.
      Jaloezie, zei Ayan altijd. Hij moest zich er niets van aantrekken.
      Het was echter niet makkelijk om de sluwe, wolfachtige grijns te negeren, en die tartende ogen die hem altijd deden vrezen dat zijn broertje meer wist dan hij zou moeten weten.
      ‘Het is niets,’ antwoordde hij zacht. ‘Gewoon een beetje last van de maag.’
      ‘Oh…’ klonk het verrast. ‘Juist vandaag… Dat kan toch geen toeval zijn?’
      Ramón zweeg. Tijdens de rest van het banket durfde hij niet meer in Ayans richting te kijken.

De opmerking van zijn broertje zorgde er bijna voor dat hij in zijn bed bleef liggen. Toch overtuigde hij zichzelf ervan dat het niets te betekenen had en dat hij zijn vriend niet de hele nacht in de kou kon laten wachten omdat hij een lafaard was.
      Ramón wilde immers geen lafaard zijn.
      Hij wilde net zo heldhaftig als zijn drie jaar oudere vriend zijn.
      En dus glipte hij onder de dekens vandaan en schoot een wollen mantel aan. De tegels voelden koud onder zijn voeten toen hij naar het venster liep en erdoorheen naar buiten klom. Zijn handen en voeten vonden behendig de uitsteeksels die hij al maanden gebruikte om naar beneden te klimmen en na enkele ogenblikken liet hij zich met een plof op de grond neervallen. Tussen de hoge struiken en de muren van het paleis in was een smalle doorgang die voorkwam dat de planten de muren bekleedden. De bladeren ritselden wanneer ze zachtjes zijn schouder raakten.
      Ramón wist waar de wachters gestationeerd stonden. Dit had hij al zo vaak gedaan dat hij zelfs met zijn ogen dicht de weg nog zou kunnen vinden. Hij bereikte het einde van de paleistuinen, glipte door een heg en snel wandelde in de richting van het meer. Nachtvogels schreeuwden naar elkaar in het duister, boven het water zeilden vleermuizen die op muggen jacht maakten en hij hoorde in de verte een plons. Bij iedere stap die hij zette, werd het gegons van de krekels en cicaden luider.
      Het waren geluiden die Ramón heerlijk vond, trouw begeleidden ze hem op weg naar zijn vriend. Hij ging er nog harder door lopen, totdat hij het bomengroepje bereikte dat hen buiten het zicht van anderen stelde. De maan was het enige gezicht dat op hen neer zou kijken.
      ‘Ayan!’ riep Ramón enthousiast toen hij zijn vriend op een omgevallen boomstam zag zitten. Eindelijk, na al die lange dagen en nachten, kon hij hem in zijn armen sluiten.
      Ayan keek op en grijnsde naar hem. ‘Daar is mijn knappe prins.’ Hij kwam overeind en draaide zich naar Ramón toe.
      Ramón aarzelde niet, hij klampte zich aan zijn vriend vast en sloot zijn ogen toen hij hem eindelijk vasthield. Zijn borstkas ging wild op en neer.
      Ayans vingers streken door Ramóns haren. Zoals altijd kreeg hij kippenvel wanneer de nagels van de jongen lichtjes over zijn hoofdhuid schraapten. Alleen daarom droeg hij zijn hoofdtooi liever niet.
      Hij keek op. Ayan was een stuk groter dan hij, atletisch gebouwd en hij behoorde tot een van de langste mannen van hun volk. Ramón daarentegen was aan de kleine kant, ze scheelden ruim een kop.
      ‘Ik heb je gemist, kleintje.’ Er lag een plagende lach om zijn lippen omdat Ramón het niet leuk vond om zo genoemd te worden – of dat beweerde hij in ieder geval altijd. Als hij heel eerlijk was, vond hij het niet zo erg als zijn vriend hem zo noemde.
      Ramóns handen streken op en neer over Ayans rug. De stof was dunner dan dat van het gewaad dat hij zelf droeg en hij kon zijn sterke rugspieren erdoorheen voelen. Hij bloosde. ‘Ik heb jou ook gemist,’ zei hij zacht.
      Ayan liet zijn hand vanuit Ramóns haar naar zijn kaak glijden en streek met zijn duim over zijn wang. Daarna boog hij zijn hoofd en plaatste zachtjes zijn lippen op die van zijn prins.
      Ramón gloeide van top tot teen. Zijn vingers balden zich tot vuisten rondom de stof van Ayans kleding, zijn benen voelden zo zwak dat hij bang was er anders doorheen te zakken.
      Hij kuste zijn vriend terug. Zijn hart fladderde vlugger dan de vleugels van een kolibrie – net zo hevig als bij hun eerste kus, al weer zo veel maanden geleden. Iedere keer was het weer spannend, iedere keer dacht hij even niet meer aan het feit dat er nooit een toekomst voor hen zou zijn.
      Zijn lippen weken van elkaar en zijn tong vond die van Ayan. Wat liefdevol en teder begon, mondde algauw uit in iets hartstochtelijks wat onvermijdelijk was wanneer je een relatie geheim probeerde te houden voor de rest van de wereld.
      Toen Ramón een beetje buiten adem begon te raken, trok zijn vriend zich terug en kuste plagerig het puntje van zijn neus. Zijn vingers vervlochten met die van Ramón en hij zette een paar stappen opzij. Hij zakte met zijn rug tegen een boom aan en trok Ramón in zijn armen. Ramón nestelde zich tegen zijn lief aan en genoot van zijn gespierde armen om hem heen.
      Ramón draaide zich iets in zijn omhelzing zodat hij zijn vriend kon aankijken. ‘Vertel me over de jacht!’
      ‘Geduld, majesteit,’ plaagde Ayan. Hij kuste zijn kin en trok hem steviger tegen zich aan.
      Ramón legde zijn hand over die van zijn vriend en leunde weer tegen hem aan, zijn oor vlak boven zijn hart.
      Ayan stelde hem niet teleur. Hij vertelde hoe hij tussen de bomen door sloop, hoe Belcyan zijn prooi probeerde af te pakken en hoe hij over beken sprong en over de rotsen klauterde om het grootste hert te pakken te krijgen. Ramón kon het scherp voor zich zien, hij dacht het gevelde dier echt te kunnen zien toen Ayan dat aan hem beschreef en hij voelde zich zelfs een beetje bedroefd doordat zo’n mooi beest had moeten sterven.
      ‘Ik hoop dat ik de volgende keer mee mag,’ zei hij. ‘Dat we samen door het woud kunnen rennen om het mooiste offer te vinden.’
      Hij keek weer naar Ayans gezicht toen hij stil bleef. De blik in zijn ogen was triest. Ramón ging rechterop zitten. ‘Wat is er?’
      Ayan legde een vinger onder zijn kin en kuste hem heel lichtjes. ‘Ik hou van je, lieve Ramón. Met je bronzen huid en gouden ogen. Ik herinner me het nog als de dag van gisteren, dat je vol zelfvertrouwen zei dat je een wedstrijd sparren wel van me zou winnen.’
      Ramóns wangen werden warm.
      Met slechts een paar slagen had Ayan hem op zijn knieën gedwongen.
      Ayan had hem niet laten winnen, zoals zo veel anderen wel deden. Hij was toen twaalf geweest. Toen al had Ayan zijn aandacht al getrokken, met zijn leuke lach en zijn snelle reflexen. Zijn eerlijkheid had Ramón altijd gewaardeerd; ondanks het godenbloed dat door zijn aderen stroomde had hij de prins nooit naar de mond gepraat.
      In plaats van Ramón te zeggen dat hij een geweldige krijger zou worden en een jaar later opzettelijk van hem te verliezen, had Ayan hem gezegd dat hij hem wel wat vaardigheden kon bijbrengen. Vanaf toen waren hun nachtelijke afspraakjes begonnen. Eerst was de oudere jongen zijn leermeester geweest, daarna zijn vriend en nu zijn geliefde.
      Zijn geliefde die zich nu zorgen maakte. Hij had vaker gezegd dat hij van hem hield, maar deze keer klonk het anders.
      ‘Ik hou ook van jou,’ antwoordde Ramón simpel. ‘Daar zal niemand wat aan kunnen veranderen. Wat ze ook van ons zullen vinden.’
      Ayan streelde zijn wang. ‘Je bent moedig. Dat ben je altijd al geweest. En daarom moet je nu ook moedig zijn.’
      Verward keek Ramón de ander aan. ‘Wat bedoel je? Wat moet ik doen?’
      ‘Mij laten gaan, lieverd.’ Er blonk een traan in Ayans oog. ‘Dit tussen ons – dat had er nooit mogen zijn. Ik had het al veel eerder moeten stoppen, maar ik kon het niet. Ik was te zwak.’
      Ramón schudde zijn hoofd. Ayan kon niet zwak zijn. Dat kon gewoon niet. Hij had het mis. ‘Waarom?’ fluisterde hij.
      ‘Omdat het niet hoort. Jij en ik.’
      ‘Maar ik hou van jou. En jij van mij.’ Hij haalde diep adem. ‘Waarom zou het dan verkeerd zijn? We doen er toch niemand pijn mee?’
      ‘Nee.’ Ayan beet op zijn lip. ‘Wij doen niemand pijn. Maar ze zullen het niet begrijpen. Ze zullen ons wel pijn doen, Ramón. Ze zullen jou pijn doen.’
      Ramón was niet bang.
      Niet voor díé pijn, althans. Wel voor de pijn die hij zou voelen als Ayan hem nooit meer in zijn armen zou houden.
      ‘We kunnen weggaan,’ zei hij, en hij keek zijn vriend met hernieuwde moed aan. ‘We kunnen weggaan van hier. Naar een plek waar mensen ons wel begrijpen. Waar ze het niet erg vinden. Die plek moet er zijn – dat moet gewoon.’
      ‘Lieverd…’ Ayan zuchtte – de zucht trof Ramón als een dolksteek in zijn borst. ‘Je bent een prins. Je kunt niet zomaar weggaan. Zeker niet na wat je broer is overkomen.’
      ‘Santui kan mijn taken overnemen. Hij kan niet wachten de heerserstooi op te zetten. Ik hoef dat niet.’ Hij pakte Ayans handen vast. ‘Ik wil alleen bij jou zijn. Vergaderingen hebben me altijd al verveeld, ik krijg altijd alleen maar standjes dat ik weg zit te dromen. En dan droom ik over jou, Ayan, over een wereld waar we niet in het holst van de nacht buiten te stad hoeven te sluipen om elkaar te ontmoeten.’
      Ayan was even stil. Zijn vingers gleden langs de omtrekken van Ramóns gezicht. Het gaf Ayan een onbehagelijk gevoel, alsof hij op het punt stond om afscheid te nemen en hij de contouren in zijn geheugen wilde griffen.
      ‘Je gaat toch niet weg hè?’ zei hij kleintjes. ‘Ayan, je laat me toch niet in de steek? Ik hou van je. Ik hou meer van jou dan van wat dan ook.’
      ‘Je bent vijftien, Ramón. Je wordt wel weer verliefd…’
      ‘Maar niet op een meisje!’
      Hij wist gewoon dat dat niet zou gaan gebeuren. Waarom begreep hij ook niet, maar ze hadden gewoon nooit zijn aandacht vast kunnen houden.
      ‘Dat weet je niet,’ hield Ayan vol.
      Ze wisten allebei dat het een leugen was.
      ‘Jij maakt mij gelukkig,’ zei Ramón zacht. ‘Ik wil bij jou blijven. Het kan me niet schelen waar.’
      Hij drukte zijn lippen weer tegen die van zijn lief. Zijn wangen waren nat van de tranen. Hij draaide zich zodat hun bovenlichamen naar elkaar toe gedraaid waren, omvatte Ayans kaken met zijn handen en kuste hem vuriger dan hij ooit gedaan had.
      Even voelde hij weerstand, daarna gleden Ayans vingers weer door zijn haren en kuste hem terug.
      Na de kus rustten ze met hun voorhoofden tegen elkaar aan. Ze keken elkaar diep in de ogen, zagen dingen die geen buitenstaander ooit zou begrijpen.
      ‘Goed,’ fluisterde Ayan toen. ‘Dan gaan we weg.’
      Ramón wilde opgelucht ademhalen.
      De adem stokte echter in zijn keel. Vanuit zijn ooghoeken zag hij een schim staan met een fakkel in zijn hand. En daarnaast nog één, en nog één.
      Hij verstijfde.

Reacties (2)

  • Sunnyrainbow

    O spannend begin!

    1 jaar geleden
  • Helvar

    Ja, pfffff, je gunt je personages ook nooit wat :C

    1 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen