Foto bij 222. - Lucien

De dagen tikken weg. Elke dag mis ik thuis meer. Na een week kwam ik in een goede routine. Hout verzamelen, jagen, wapens herstellen. Na twee weken kwam daar het verzorgen van de planten rondom mijn grot bij, om mezelf bezig te houden. Na vijf weken deed ik alleen wat nodig was, maar de dagen duurden nog steeds veel te lang. Ik kon alleen maar denken aan thuis. Aan Emma. Aan Julien. Aan Eschieve, Sebastien, aan moeder. Aan de dingen die daar momenteel aan de hand zijn en aan hoe ik niet kan helpen.
We zitten in week zes en ik besluit een risico te nemen waarvoor Emma me absoluut de nek om zou draaien, maar mijn krullen zijn ongebruikelijk lang en ik heb me in bijna twee maanden niet geschoren. Gehuld in de simpele wollen mantel ben ik zo goed als onherkenbaar als de prins. Waarschijnlijk. Op het punt van vertrek twijfel ik sterk, maar ik móét onder de mensen komen, anders maak ik mezelf nog eens van kant. Damiane laat ik staan. Hij zou een te duidelijke hint zijn dat ik niet de landloper ben die ik wil voorstellen. Hij briest ontevreden. Ik klop hem op zijn flank. "Ik ben er snel weer." beloof ik hem.

'Snel' wordt de volgende ochtend. Het dichtstbijzijnde dorp is een goede twee uur lopen en hoewel ik goed beschonken was kon ik me nog wel bedenken dat midden in de nacht teruggaan een bijzonder slecht idee was. Of was het de barman geweest, die me een kamer had aangeboden? Ondanks de kater voel ik me herboren, het sociale contact heeft wonderen gedaan. Die avond ga ik weer, zij het met het voornemen om iets minder te drinken. Ik word hartelijk ontvangen door barman en vaste bezoekers. Ik grijns als de pul met bier voor me neergezet wordt. Niemand hier weet wie ik ben, of heeft verwachtingen van me. Niemand hier wil iets van me. Ik ben simpelweg een kameraad. Een gelijke. Voor ik het weet draait de ruimte en voel ik me warm en meer dan gelukkig. Hier kan ik aan wennen.
"Eén warme honingmede, alstublieft." zegt een warme stem naast me. Ik kijk op van de bijna-vechtpartij die zich in één van de hoeken van de herberg voltrekt. Naast me staat een jonge vrouw, haar mantel druipend van de regen buiten. Haar vingers zijn rood van de kou. Alsof ze doorheeft dat ik naar haar kijk, kijkt ze naar me op. Haar ogen zijn donkerbruin, verborgen in de schaduwen. Ze gunt me een voorzichtige glimlach. Ik weet niet zo goed waarom, maar ik leg twee munten op de bar voordat zij kan betalen. Haar wenkbrauwen fronsen zich.
"Ik heb zelf geld."
"Ik doe het graag." zeg ik simpelweg, grijnzend. Er is iets aan haar...
Opnieuw die voorzichtige glimlach. De barman zet een dampende mok voor haar neer en dankbaar vouwt ze haar vingers eromheen. De barman beoogt haar bezorgd.
"Ik zou die zware mantel afdoen. Als 'ie zo nat is krijg je het er alleen maar kouder van. Ik kan hem voor je ophangen waar niemand erbij kan."
Ze twijfelt, maar knikt dan. Haar handen gaan omhoog om de kap af te doen en daarmee onthult ze lange, donkere krullen.
Mijn maag verdraait zich. Ik word overspoeld met een gevoel van wanhoop. Voor me staat Emma. Althans, iemand die heel erg op haar lijkt. Emma is in het kasteel. vertel ik mezelf, maar ik wil het niet geloven. Ik wil dat Emma hier staat, vlak voor me. Zou ze Julien meenemen? Zouden we hem samen in slaap wiegen alvorens elkaar alle hoeken van de herbergkamer te laten zien? Mijn hart hamert in mijn borstkas.
"Piers? Ben je er nog?"
Het duurt even voordat ik doorheb dat de barman het tegen mij heeft. Hij gebruikt de schuilnaam die ik gisteren heb gegeven.
"Ja... ja." Ik knik. "Ik moet gaan."
De barman lijkt niet overtuigd. "Er zijn nog kamers vrij boven."
Ik schud mijn hoofd. "Nee, nee, dankjewel. Ik moet terug naar..." Terug naar waar? Ik wil terug naar het paleis. Naar mijn familie. Het leek zo'n mooi droom leven; leven van en in de natuur, bekend worden met de bewoners van het dorp, de enige zorg zijnde hoe ik aan geld zou komen voor de volgende pul bier. Misschien als ik op mijn achttiende van huis was gevlucht had dit mijn leven kunnen zijn. Maar nu... Ik mis thuis. Ik mis mijn moeder, mijn broertje en mijn zusje. Ik mis mijn zoon en bovenal mis ik Emma. "Huis." zeg ik uiteindelijk. Ik trek mijn mantel over mijn hoofd en vlucht de herberg uit voordat de barman me tegen kan spreken.

Ik ga toch terug naar de kroeg, al is het nu meer om mijn eenzaamheid weg te drinken. Ik zit alleen in een hoek in plaats van aan de bar en kijk toe hoe het volk een schijnbaar zorgeloos leven leidt. Mijn roes slaap ik tot diep in de middag uit. En dan, op de dag dat ik hier zeven-en-een-halve week zit, word ik wakker en ben ik niet alleen. Voor me zit Eschieve. Ik reageer niet zo adequaat als zou moeten: ik blijf liggen en knijp mijn ogen dicht, overtuigd dat ik nog droom.
"Je ziet er slecht uit." deelt ze me mee. Geen droom. Eschieve is hier. Haar kleding is vuil en haar blonde haren zitten verborgen onder een pet. Haar hoofd iets opzij gekanteld terwijl ze me bestudeerd. "Heb je gedronken?"
Eén... twee... drie seconden tikken weg voordat ik met een ruk overeind schiet, mijn hand bijna in de smeulende resten van mijn kampvuur plant en ik word overvallen door een duizelingwekkende koppijn. Eschieve... grijnst.
"Je hebt gedronken."
"Wat doe je hier?" Mijn stem schor.
"Ik miste je." zegt ze, alsof dat heel vanzelfsprekend is. "Je bent twee maanden weg!"
Ik blijf even stil. Ik wil niet dat ze denkt dat ik niet blij ben, maar... "Eschieve, het is levensgevaarlijk dat je hier bent. Het hele kasteel denkt dat ik oorlog aan het voeren ben!"
"Als ze jou nog niet gevonden hebben, zullen ze mij ook niet vinden." briest ze. "Daarbij, het is weken geleden dat vader liet blijken dat ik bestond. Hij heeft niet door dat ik weg ben, dat weet ik zeker. Ik moest je zien. Ik ben uren naar je op zoek geweest! De enige reden dat ik het heb gevonden is omdat jij me hebt leren spoorzoeken en in het dorp werd gesproken van een donkere vreemdeling..."
Omdat ze vader noemt, ben ik om. Ze helpt met het vuur weer aanwakkeren en we roosteren de laatste stukken vos die ik nog heb bij wijze van ontbijt, terwijl ze me ondertussen op de hoogte brengt van alles wat er in het paleis gebeurt. Het komt er op neer dat vader tegen niemand meer praat... Behalve Emma. Mijn Emma. De gedachte maakt me misselijk. Geen twijfel dat Emma haar mannetje staat, maar het staat me niet aan. Ik wil haar helpen. Desondanks is de spanning binnen de muren om te snijden. Vader doet steeds vreemdere dingen en maakt steeds meer bizarre beslissingen. Bericht vanuit het Ottomaanse Rijk is godzijdank onderschept door moeder, maar het feit dat vader dus geen bericht krijgt maakt hem onrustig en onberekenbaar. Ik denk terug aan de woede-uitbarstingen van de man; het kasteel is simpelweg niet veilig. Hoe lang nog voordat de bom barst?
Eschieve omhelst me bij haar afscheid. "Ik hoop dat je snel terug bent." fluistert ze tegen mijn borstkas. Ik hou haar zo dicht mogelijk tegen me aan en kus haar hoofd.
"Ik ook, lieve schat."
Er sprankelt iets in haar ogen dat ik niet begrijp. Ze gaat op haar tenen staan om mijn wang te kussen. "Ik zie je snel? belooft ze me.
"Niet door het dorp terug." waarschuw ik haar. "Noord tot je de rivier vindt, die volgen...."
"...tot ik het kasteel zie en dan rechtstreeks daarop af. En dóór het water om geen spoor achter te laten." maakt ze af. "Ik snap het. Ik kom veilig thuis, Lucien."
Hoe veilig is thuis? schiet het door mijn hoofd als ze tussen de bomen verdwijnt.

Vier dagen later ontwaak ik door geritsel bij de ingang van de grot. Met mijn ogen dicht zoeken mijn handen naar mijn pijl en boog, die ik na een onaangename verassing met een das altijd binnen handbereik houd, met een pijl op de pees.
"In de naam van de koning, verroer u niet!" galmt een stem, weerkaatsend op de stenen wanden. Mijn ogen vliegen open. Ze staan niet langer bij de ingang van de grot; met zijn zessen torenen ze boven me uit, gekleed in de onmiskenbare kleding van de Koninklijke Wacht. Mijn hart staat stil. Ik meen iets van berouw te zien in de ogen van een paar van hen, maar het is duidelijk aan wiens kant ze staan: die van de koning.
Ik word geboeid en mee naar buiten getrokken. Op één van de paarden gezet. Alsof ik een crimineel van het vuilste soort ben. Er wordt niet tegen me gesproken.
Tegen zonsondergang komen we bij het paleis. Ik word van het paard gehaald, nog steeds geboeid, en er is enige twijfel waar ze me heen moeten brengen.
"Er zijn orders." zegt de commandant uiteindelijk, zij het met spijt in zijn blik. "Breng hem naar de kerkers."
Ik wil protesteren, roepen dat ze het hebben tegen de prins, maar ze volgen orders van de koning. En die, gok ik zo, vindt dat ik hoogverraad heb gepleegd. Ik mag van geluk spreken als ik niet binnen nu en een uur word opgehangen.
Wanneer we de onheilsspellende trappen naar de kerkers betreden, schreeuwt iemand mijn naam.
Eschieve.
Huilend rent ze naar ons toe. Ik weet dat de wachters haar normaal zouden wegsturen en mij ruw mee naar beneden zouden trekken. Maar ze gunnen ons deze tijd. Misschien omdat ze medelijden hebben. Misschien omdat ze weten dat ik middernacht niet meer levend haal. Ik weet het niet.
"Laat hem los! Laat hem vrij!" snikt ze. Ze komt te dichtbij - twee andere wachters grijpen haar bij haar bovenarmen. Ze stribbelt fel tegen. "Hij heeft niks gedaan! Lucien! Lucien, het spijt me! LAAT HEM LOS! Lucien... Lucien, het is mijn schuld!" Ze blijft proberen los te komen, maar de wachters zijn veel en veel te sterk. Morgenochtend zullen de blauwe plekken haar op haar armen staan. "Ik wilde alleen maar... Een boek en wat whiskey... Het spijt me zo, Luce! Ze snapten me toen ik probeerde weg te komen!" Ze geeft het eindelijk op en hangt lamgeslagen in de greep van de wachters. "Ik heb ze geprobeerd te verkeerde kant op te sturen, maar..." Ze schudt haar hoofd. Berouw stroomt uit elke porie van haar lichaam.
Het heeft lang genoeg geduurd. Een bevel wordt gesnauwd en met een ruk aan mijn schouder word ik gedwongen verder de trap af te lopen. Eschieve gilt, een geluid dat door merg en been gaat. Ze snikt en ze huilt en ze vloekt, maar hoe verder we de kerkers ingaan, hoe meer het geluid verstompt.
Ik twijfel geen moment aan het feit dat Eschieve haar best heeft gedaan om de wacht op een dwaalspoor te zetten. Maar de lessen in spoorzoeken die ik heb gevolgd, heeft ieder lid van de Koninklijke Wacht ook geleerd.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen