Foto bij 223 - Emmeline

Zes druppels. Niet meer dan dat, maar ook niet minder. Onder geen beding minder, dan werkt het niet. En ik mag het al helemaal niet op mijn huid krijgen, het gif niet verspreiden.
Die instructies blijf ik opdreunen in mijn hoofd. Vandaag is het zover, heb ik me voorgenomen. Ik kan het niet blijven uitstellen.
Wie weet wat er kan gebeuren als ik nog een seconde langer wacht.
Ik word ruw uit het mantra gehaald door gebons op mijn deur. Het flesje verschuil ik, met bonkend hart, achter een vaas met bloeiende bloemen.
Nog voor ik antwoord kan geven worden de deuren al opengegooid.
Ik wil iets mopperen over het binnenvallen, dat ik onbedekt had kunnen zijn.
Maar de woorden verstommen nog voor ik ze uitspreek, en ik voel al het bloed uit mijn gezicht wegtrekken. Het zijn wachten van de koning, vier van hen. Hun blik staat donker.
"Wat..?" Ik weet niet wat te zeggen. Ik ken deze mannen, ze beschermen de koning ten aller tijde en hebben me regelmatig naar zijn vertrekken begeleid. Maar dat komen ze nu niet doen, niet zoals normaal gesproken in ieder geval.
"Koning's orders." Twee van hen lopen naar me toe en forceren, hardhandig en emotieloos, mijn armen op mijn rug.
Ik wil vragen stellen, smeken, maar er komt niets uit mijn keel. Dit kan niets goeds betekenen, dat voel ik in elke cel in mijn lichaam.

De deur van de zaal wordt met grof geweld dichtgegooid, en vervolgens op slot gedraaid. Er is niemand aanwezig, de gordijnen zijn dichtgeschoven en kaarsen branden.
Een vergelijkbare angst heb ik niet eerder gevoeld. Het voelt alsof ik ten dode opgeschreven ben. Het lijkt uren te duren, zo helemaal alleen in de donkere zaal. Ik ijsbeer, schreeuw om een antwoord, maar ik hoor niets.
En dan wordt de sleutel omgedraaid en komt de koning binnen, omringd door wachten. Achter hem, Madeleine, haar beide armen vastgehouden door sterke mannen. En achter haar, een zicht dat mijn adem wegneemt en er voor zorgt dat ik bijna flauwval. Lucien, vastgebonden armen, tegengehouden door zes mannen.
"Lucien," het is maar een fluistering als onze ogen elkaar ontmoeten.
"ZWIJG!" Jacques' stem buldert door de zaal. Hardhandig wordt Lucien op een stoel in de hoek van de ruimte gezet, en onmiddellijk nog zwaarder vastgebonden.
"Jij wist dit." Het is geen vraag, het is een constatering. Hij spreekt tegen Madeleine, en tegen mij. "Jullie wisten dit allemaal. Jullie..." Hij gebaart zijn wachten om zijn vrouw op een stoel te plaatsen. Madeleine's blik staat vol angst, haar gezicht wit weggetrokken.
"Hoogverraad! Samenwerken om mij tegen te werken, om jullie land te verraden, jullie koning." Hij heeft een hand op de dolk in zijn riem gelegd en trekt het ding langzaam tevoorschijn. "Alsof ik gek ben. Alsof ik er nooit achter zou komen..."
Met de dolk loopt hij naar een van de vele wandkleden toe. Alle namen van de Castellon familie staan er op afgebeeld, en met één flinke uithaal van het mes snijdt hij Lucien's naam er af.
"Ik had het kunnen weten. Lucien...," hij draait zich abrupt om. "Je hebt het nooit in je gehad om een goede leider te worden. Te... eigenwijs, te dom. Je hebt nooit hetzelfde gekund als je broer."
Met een gekletter landt de dolk op de grond. Het geluid zorgt voor een gerinkel in mijn oren, maar het lijkt de koning niets te doen. Hij beent op mij af, tot ik zijn warme adem bijna op mijn huid kan voelen.
"Maar toen kwam jij." Zijn blik staat giftig. "Ik had je na Aleran's dood eigenhandig onder de guillotine moeten leggen."
Het is doodstil in de zaal. Niemand durft iets te zeggen. Ik kan zweren dat mijn hartslag te horen is.
"Maar dan...," Als ik net had gezworen dat zijn ogen vuur spuwden, doen ze dat nu nog duizend malen heftiger. "Had ik nu het plezier niet gehad om het leven uit je ogen te zien verdwijnen."
Hij gebaart vier van zijn wachten om naar ons toe te komen. Ik kan nog steeds niets uitbrengen, sta aan de grond genageld.
De mannen staan naast en achter me. Ik ben ingesloten door de koning en zijn wachten. Er is geen uitweg meer.
"Kniel."
"Nee."
Het verbaast me bijna dat mijn stem het nog doet, laat staan dat het dit woord produceert.
"Nee?" Zijn stem wordt nog killer. "Obtenir l'enfant."
Meteen laat ik me op mijn knieën zakken, alsof zijn woorden pijlen in mijn benen geschoten hebben.
"Dat dacht ik al." Hij grijnst breed.
Twee extra wachten komen aangelopen. Ze dragen allebei een zwaard. Ik zie mijn leven aan me voorbij flitsen, wil mijn ogen sluiten en de pijn van het metaal dat me doorboort aanvaarden, maar voel niets.
"Er is natuurlijk niets aan als ik je simpelweg aan mijn zwaard rijg, dus lijkt het me beter als je een kans krijgt om jezelf te verdedigen."
De vier mannen hijsen me weer omhoog, het knielen was enkel een dominantie-keuze van de koning.
Ze overhandigen me een zwaard. Ik dank God voor de zwaardvechtlessen die ik van Lucien kreeg. Het mogen er dan niet al te veel geweest zijn, mijn zwangerschap gooide roet in het eten, maar ik weet op zijn minst de basisbeginselen.
"Jacques.." Madeleine spreekt voor het eerst. "Dit is niet.."
"Zwijg, vrouw. Bij jou kom ik nog wel." Hij neemt zijn zwaard aan en laat zijn bonten cape van zijn schouders glijden.
Mijn zwaard is korter en lichter, en ik draag niets om me te beschermen. Het zou me niets verbazen als de koning dat wel doet. Hij mag dan in jaren niet gevochten hebben, hij heeft zich hier vast op voorbereid.
Mijn ogen flitsen naar Lucien, die nog steeds vast zit op zijn stoel. Ik kan niets tegen hem zeggen, en hij niets tegen mij.
"Lucien kan je niet helpen, Emmeline," ons oogcontact moet hem opgevallen zijn. "Als je weigert, hang ik hem en jullie zoon onmiddellijk op."
De wachten lopen terug naar hun eerdere positie. De deur wordt op slot gedraaid.
"Als je verliest, hebben ze nog een kans.. Misschien spaar ik hun allebei wel, als ik in een goede bui ben. Zonder jouw aanwezigheid zal Lucien misschien wél gehoorzaam zijn."
"En als ik win?"
De koning lacht, hard en demonisch. "Geen optie."

Het geluid van metaal op metaal is het enige dat ik nog hoor naast mijn eigen hartslag. Ik ruik bloed, proef bloed, zie sterretjes.
Ik heb een aantal goede slagen uitgedeeld, maar de koning is verreweg in het voordeel.
Ik voel alleen nog maar pijn. Mijn lichaam gaat door, vecht voor Lucien, voor Julien. Maar mijn armen voelen beurs, hebben moeite met het zwaard nog omhoog houden. Mijn hart gaat tekeer, mijn ademhaling onregelmatig en in stoten.
Met een onverwachte beweging weet de koning me, nogmaals, op mijn knieën te krijgen. Het gekletter van mijn zwaard op de stenen ondergrond zorgt voor een laatste stoot energie, het laatste beetje levenslust of vechtlust. Ik zie Jacques zijn zwaard heffen.
"Lucien." Mijn ogen vinden hem, voor wat de laatste keer zal zijn. "Je t'aime. Je vous aime. Alsjeblieft... niet kijken. Sluit je ogen."

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen