Foto bij 225 - Emmeline

Mijn gehele lijf tintelt. De geur van bloed hangt in de gehele zaal, mijn ogen laten het beeld voor me niet los.
Het had maar een aantal seconden gescheeld of ik had daar zo gelegen. Morsdood, leeggebloed. Voor de ogen van Lucien, en Madeleine.
Maar de koningin deed datgene dat niemand verwacht had, dat ene ding dat mijn leven heeft kunnen redden.
De koning is dood.
We zitten daar voor wat wel uren lijkt te zijn. Tot Madeleine uit haar trance lijkt te ontwaken. Ze staat op, trekt de gordijnen open en laat het daglicht naar binnen. In het Frans deelt ze bevelen uit.
Nog steeds kan ik niet in beweging komen. Wel komt de pijn langzaam naar boven.
Waar ik geraakt ben weet ik niet, en ook niet hoe erg het is. Ik voel alleen maar pijn, en leegte. Alsof het gevecht elke emotie uit me geslagen heeft, alsof mijn gevoelens samen met mijn bloed naar buiten gevloeid zijn.
"Emma," Madeleine's stem is het eerste dat ik werkelijk registreer, en voor het eerst in al deze tijd trek ik mijn ogen van Jacques' levenloze lichaam. "Je moet een arts naar je laten kijken. Ik zal mijn beste arts naar jullie vertrekken sturen..." Ze kijkt de zaal rond. Het verbaast me hoe snel ze over kan op de orde van de dag, alsof ze niet net haar eigen echtgenoot vermoord heeft. Ik weet dat ze van binnen kapot moet gaan, verscheurd door verdriet en woede.
Maar ze is sterk. IJzersterk. Ze laat niets zien, niet aan ons ten minste.
"Morgen.. bespreken we de rest. Hoe we nu verder gaan." Ze strijkt haar jurk recht, waar onmiddellijk rode vegen bloed op komen. Ik volg de bewegingen, de felrode vlekken. Mijn maag draait om, maar er komt niets naar boven. Ik ben leeg.

Lucien tilt me naar ons bed, mijn benen te slap om er op te staan. De arts bekijkt mijn wonden, verzorgt ze, en geeft me iets tegen de pijn.
Ik krijg geen woord over mijn lippen. Het kost me te veel moeite, te veel energie. Alles doet pijn.
Lucien ligt naast me, even stil als ik. We weten geen van beiden wat te zeggen, wat te doen.
Zijn vader heeft me net proberen te vermoorden, en was daar bijna in geslaagd. Zijn moeder heeft net mijn leven gered door het leven van zijn vader te nemen. Er zijn niet echt afgesproken zinnetjes die je op zo'n moment kunt uitspreken om de pijn weg te nemen.
Na een lange tijd stil, roerloos naast elkaar te liggen staat Lucien op. Hij port het vuur op, schenkt een glas whiskey in. Terwijl hij naar de vlammen staart kijk ik naar hem.
Hij is net zijn vader verloren. Hij verloor bijna zijn vrouw.
Mijn voeten zijn koud op de vloer, mijn benen zakken bijna ineen. Toch lukt het me om naar hem toe te lopen, de steken en brandende pijn in mijn lichaam negerend.
Vlak voor het vuur sla ik mijn armen om hem heen, mijn gezicht tegen zijn rug. Hij ruikt nog naar de natuur, naar woeste wildernis. Zijn baard is lang, zijn haren ook. Het is niet de Lucien die vertrok, we zijn allebei getekend door de afgelopen weken.
Maar ik geloof niet dat we gebroken zijn.

We slapen allebei amper.
Af en toe lijk ik even weg te zakken, maar ik heb geen idee hoe lang. De dromen die ik heb zijn levensecht, en zorgen voor een bonzend hart en een snelle ademhaling.
'S ochtends brengt een van de kindermeisjes, op advies van Madeleine zo hoor ik later, Julien.
Hij ligt stil in haar armen, zijn oogjes open en vol leven.
Als ik hem overneem, vanuit mijn stoel bij de haard, kan ik niets anders dan huilen. Waar ik gisteren nog dacht dat ik leeg was, mijn tranen op, lijkt er nu een heel mensenleven aan tranen naar buiten te komen.
Lucien zit op de armleuning, en slaat zijn arm om ons heen. Hij drukt een kus op mijn kruin, zacht en voorzichtig. Het zorgt er alleen maar voor dat ik harder huil.
Buiten mijn huilen om is het nog steeds stil.
Julien huilt niet, kijkt enkel met grote ogen naar zijn ouders. Lucien wrijft met een duim over de wang van het jongetje, zijn andere arm nog steeds stevig om me heen geslagen.

Madeleine ontvangt ons in een van de vele vertrekken in de oostvleugel. Er staat thee, verse bloemen en er branden kaarsen. De gordijnen zijn wagenwijd opengeschoven en er klinkt gefluit van jonge vogeltjes buiten.
Julien slaapt in mijn armen, ik heb vanaf het moment dat ik hem vasthield vanochtend niet meer los kunnen laten.
Ik laat mijn thee koud worden, luister enkel naar Lucien en Madeleine die tegen elkaar praten. De woorden ontgaan me echter, ik hoor alleen geluid. Er komt nog steeds geen woord over mijn lippen. Ze lijken er allemaal uitgevochten te zijn.
"Emma?" Madeleine biedt me een koekje aan. Ik schud alleen maar mijn hoofd. Ze lijkt nog iets te willen zeggen, maar slikt de woorden in vlak voor ze ze uitspreekt.
Ik wil schreeuwen, huilen, elke gedachte die er door mijn hoofd gaat er uit gooien, maar het lukt niet. Ik zit op slot.
"Eschieve weet nog van niets. Niemand in het paleis weet van het overlijden, en niemand zal iets weten voor we allemaal unaniem besloten hebben wat we ze zullen vertellen." Ze neemt de zoveelste slok van haar thee. "Maar we zullen het Eschieve toch moeten vertellen. Ze is oud genoeg."
"Ze is nog een kind," gaat Lucien tegen haar in.
"Ze is je jongere zusje, maar ze is inmiddels oud en wijs genoeg om de waarheid te weten." Madeleine zucht. "Hoe hard en hartbrekend die ook moge zijn."
Er wordt op de deur geklopt. Zonder ook maar op te kijken weet ik dat het Eschieve is, begeleid door Winoc. Zo snel als de deur opent, zo snel sluit hij ook weer.
Eschieve kijkt argwanend, eerst naar Lucien, dan naar Madeleine, naar mij, en weer terug naar Madeleine.
Ik kan niet naar haar kijken als Madeleine het haar vertelt.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen