Foto bij 227 - Emmeline

Het duurt een aantal seconden voor ik doorheb wat hij omhoog houdt. Door alles dat er gebeurd is was ik vergeten dat het hier überhaupt nog staat - levensgevaarlijk.
Het is voor het eerst in meer dan vierentwintig uur dat het me lukt om iets uit te spreken. Ik ben al bijna vergeten hoe het voelt om te praten als ik vlug het flesje uit zijn handen trek. "Nee!"
Zo met het flesje in mijn handen weet ik even niet wat ik er mee moet, of wat ik met mezelf moet. Ik voel me uitgeput, enkel door die beweging en het vormen van één woord.
De vluchtige beweging zorgt er voor dat ik duizel, maar het lukt me om niet om te vallen. "Gif."
Wat doe je met ongebruikt gif? Ik kan het niet zomaar weggooien, of in het vuur gooien.
"Gif?"
Ik knik alleen maar, en staar naar het flesje in mijn handen. Als ik dit nou allemaal een dag eerder had gedaan, misschien zelfs een aantal uur eerder. Als ik eerder gedurfd had om het gif te gebruiken, was dit alles niet gebeurd. Dan was de koning rustig overleden, zonder bloederig einde.
De puzzelstukjes lijken voor Lucien op zijn plaats te vallen, zo lijkt het in ieder geval. "Oh."
Hij lijkt ook te begrijpen dat een uitgebreide uitleg er niet in zit, in ieder geval niet nu. Hij neemt het flesje van me over.
"Goed.. Een zorg voor morgen." Hij zet het terug op zijn oude plek, verborgen door de vaas. Een zwakke glimlach ligt op zijn gezicht.

We slapen weer niet, maar de nacht lijkt langer te duren dan ooit tevoren. Het wordt maar niet licht buiten.
Julien kirt in zijn wieg, klaarwakker net zoals zijn ouders. In de afgelopen uren zijn we weer in bed gaan liggen, al heeft dat niet bijgedragen aan de slaap.
Ik til onze zoon uit zijn wieg en kruip terug het bed in. Het kleine jongetje, donkere haren wild en mond in een eeuwige glimlach, leg ik tussen mij en zijn vader in.
Zijn ogen bestuderen alles dat ze zien, en eindigen op zijn eigen handen, die hij in de lucht gestoken heeft.
Hij ruikt naar baby, naar onschuld, en ik vermaak me door enkel te kijken naar het kind dat zijn eigen handen voor de zoveelste keer ontdekt.
"Ja, dat zijn je handen," fluister ik tegen hem, een vreemde soort rust in mijn lijf. Ik schrik even van mijn eigen stem, maar besluit dan dat het goed is, zo. Ik heb mijn woorden gevonden. Mijn hand gaat op zoek naar die van Lucien, die ik daarna stevig vasthoud. Lucien drukt op zijn beurt een kus op de rug van mijn hand, ademloos en zonder woorden. Ik zie hem glimlachen.
Even vergeten we alle misère. Even is er geen dode vader meer, geen moord, geen oorlog. Alleen wij drie.

Dat gevoel blijft natuurlijk niet lang.
Vandaag delen we iedereen binnen de muren van het paleis mede dat hun koning gestorven is. Dat, voor zolang het nodig is, Madeleine zijn rol overneemt. Tot Lucien en ik er klaar voor zijn.
Klaar voelen we ons nu nog alles behalve. Ik krijg er amper een hele zin uit, Lucien loopt als een halve zombie rond.
Maar we moeten door. We moeten vooruit kijken.
Een absurde gedachte, als je bedenkt dat ik eergisteren nog dacht dat ik geen toekomst meer had. Dat mijn leven zou eindigen op de koude, stenen vloer van een van de zalen in het paleis. Doodgebloed.
Daar mag ik nu niet meer aan denken.
We zijn allebei gekleed in ons meest formele rouwkostuum. Zelfs Julien heeft de nationale kleuren van rouw aan.
Het paleis reageert.. wel, verschillend.
Er zijn mensen die huilen. Sommigen kijken geschrokken, anderen laten geen enkele emotie zien. En ik zie ze er ook tussen, hoe erg ze ook hun best doen om het te verbergen, die glimlachen.
De begrafenis wordt geregeld. Honderden mensen stellen ons duizenden vragen, uitnodigingen worden zo snel mogelijk verstuurd.
Voor eenieder is de koning een natuurlijke, onverwachte dood gestorven. Zijn kist is dicht, niemand zal zien dat hij.. een onnatuurlijk, bloederig einde heeft gezien.
Niemand behalve Madeleine, Lucien, de wachten en ik zullen dat beeld ooit hoeven te zien.
Het beeld zal waarschijnlijk nooit meer helemaal uit mijn hoofd verdwijnen, maar ik houd me groot terwijl de condoleances binnenstromen.
Het doet me denken aan het overlijden van Aleran, dat voor iedereen ook als een schok kwam.
Ik wil niets liever dan me opsluiten in mijn vertrekken, met een boek en een glas wijn. Nee, een fles.
Maar dat kan niet.
Het leven gaat door. Lucien en ik zullen de draad weer op moeten pakken, samen met Madeleine en Eschieve.
Ach, Eschieve. Haar schuldgevoel blijft de kop opsteken, Lucien kan het niet wegpraten. Ze houdt zich groot, doet wat er van haar verwacht wordt, maar ik zie dat ook zij kapot gaat vanbinnen. Wij allemaal.
Maar niemand praat er over. Dat kunnen we niet, lijkt het wel. Alsof het onderwerp voor iedereen achter slot en grendel is gegaan, om nooit meer over gesproken te worden. Misschien gaan we allemaal wel geloven in het verhaal dat we opgehangen hebben, over de natuurlijke dood. Een hart dat er mee stopt is een prachtig einde. Het lichaam dat niet meer kan. Vredig genoeg.
Niet dat Jacques dat verdiend zou hebben. In ieder geval de Jacques in de laatste maanden van zijn leven.
Mijn zwakke lichaam sleept me de dag door, en ook de dag daarna, en de dag daarna. De slaap vatten we niet, moeizaam komen we vooruit. Ik ben uitgeput, spreek enkel tegen Julien, Lucien krijgt amper drie woorden per keer uit me. Ik voel me schuldig, maar het lukt me niet. Ik wil hem vertellen hoeveel ik van hem houd, dat ik niet wil dat hij ooit nog weggaat, dat ik wil dat hij me vasthoudt en me nooit meer laat gaan. Maar ik kan alleen tegen hem aanstaan bij het haardvuur, mijn gezicht tegen zijn rug en mijn armen om zijn lijf.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen