Eschieve ligt haaks langs me heen, met haar hoofd op mijn borstkas. Geanimeerd vertelt ze een verhaal waar ik niks van meekrijg, druk wijzend naar de wolken die boven ons door de lucht heen drijven. Ze heeft me, in vrij letterlijke zin, mee naar buiten gesleept. Weg van Emma en Julien, die alleen oog hebben voor elkaar.
Julien die ik al bijna drie maanden niet heb vastgehouden.
Ik heb mezelf aangepraat dat ik me schuldig voel, al betwijfel ik of dat werkelijk zo is. Ik heb geen grip meer op mijn emoties. Al bestaat de kans dat, zelfs als ik die grip wel had, ik me alsnog niet schuldig zou voelen dat ik mijn zoon al zo lang niet in mijn armen heb gehad. Voor het grootste deel is het niet mijn schuld; ik zat vast in een grot in de middle of nowhere, voor de veiligheid van mezelf en mijn familie. Getroffen door eenzaamheid kon ik me geen fijner beeld voorstellen dan het vasthouden van mijn echtgenote en zoon. Dat gevoel is nog maar tien dagen geleden. Nu is kijken naar mijn zoon alsof ik naar het kind van een vreemde kijk. Ik voel geen connectie, geen vaderlijke band, niets van de dingen waarvan je wordt verteld dat je ze zal voelen.
"Weet je nog?" Eschieve's heldere stem ontwaakt me uit mijn overpeinzingen. "De dag dat mama vertelde dat ze zwanger was van Sebastien waren we ook wolken aan het kijken."
Ik focus me op de wollige vormen, de dag helder in mijn geheugen.
"Zij en papa kwamen erbij liggen, en ze wees er eentje aan. 'Die lijkt op een baby'tje.' zei ze." Aan haar stem is te horen dat ze glimlacht. "Papa wees naar een ander en noemde het een zwangere buik. Ik snapte er niks van, maar ik moest lachen omdat jij heel vies keek. Ik heb jaren niet begrepen waarom, weet je dat? Tot ik me ineens realiseerde dat jij niet dacht aan dat baby'tje in mama's buik, maar aan hoe dat baby'tje er gekomen was."
Ik grijns breed. "Je wordt echt volwassen."
Mijn stem is nog steeds schor. De arts zegt dat ik mijn stembanden echt lelijk beschadigd heb en dat ze slecht genezen door alle stress en emotie. Hij kon me niet vertellen wanneer ik mijn normale stem weer terug zou krijgen.
Eschieve zucht diep. "Deze informatie had ik mijn leven lang kunnen missen."
Mijn vingers kammen voorzichtig door haar haren. Ze doet haar best, zo ontzettend haar best om me beter te laten voelen. Het maakt niet uit hoe vaak ik haar zeg dat ik haar niks kwalijk neem of dat niemand denkt dat het haar schuld is, ze neemt het niet aan. Ik durf nog niet uit te spreken dat haar komst en daarmee het verraden van mijn onderduikplek een verhulde zaligheid was. Er moest een keer een einde komen aan de tirade van de koning, alles wat Eschieve heeft gedaan was het in een stroomversnelling zetten. Ik twijfel er niet aan dat, hoe dan ook, ik en Emma er getraumatiseerd uit waren gekomen.

Van het ene op het andere moment was het gaan regenen. Eschieve was vlak daarvoor al terug naar binnen gegaan voor haar lessen, die tot haar grote ongenoegen weer zijn begonnen. Moeder doet haar best het normale leven weer op te pakken. Ook mij en Emma probeert ze daartoe te sturen, maar dat gaat bijzonder moeizaam. Voor het grootste deel laat ze ons met rust. Het komt neer op 'samen eten' en 'zorg voor je zoon en voor elkaar'. Ze kan de leiding over het koninkrijk niet lang aan. In de besprekingen kwam de conclusie dat ze dat zou doen totdat ik er klaar voor zou zijn, maar dat is schijnveiligheid. Ik weet dat er van me wordt verwacht dat ik binnen nu en een aantal maanden de troon betreed. Ik probeer er niet teveel over na te denken.
Ik heb droge kleren aangetrokken. In stilzwijgend overleg zijn Emma en ik in de bibliotheek gaan zitten. Julien werd onrustig en hebben we afgegeven aan de kindermeisjes. Emma wilde protesteren, zoals altijd wanneer ze loskomt van haar zoon, maar het was halfslachtig. De energie is er niet. Dus nu zitten we samen in de bibliotheek, met een boek in onze schoot, maar we doen niet eens ons best om te doen alsof we aan het lezen zijn. Stilte omringt ons. Zoals het al dagen doet. De woorden op de pagina voor me zwemmen van de pagina af en zinken naar de vloer, waar ze stukslaan tegen de tegels in een onbegrijpelijke wirwar van letters. Ook zij breken de stilte niet. Alleen het tikken van de regen, maar al snel verstompt ook dat.
De stilte duurt niet lang. Heel ver weg klinkt er zachte vioolmuziek. Ben ik nu dan echt mijn verstand verloren? Zorgt de uitputting ervoor dat ik dingen hoor die er niet zijn? Ik twijfel aan alles. Maar aan de lichte frons op Emma's gezicht te zien hoort zij het ook.
Ineens klikt het. In de ruimte naast de bibliotheek is de muziekruimte en iemand is daar aan het spelen. Ik weet niet wie. Ik heb de energie niet om de opties langs te gaan.
De warme klanken zijn door de muren heen slechts zacht, maar de stilte hier is zo overheersend dat het genoeg is om hem te doorbreken. Ik kijk naar Emma, die haar ogen weer op haar boek heeft gericht. Ze lezen niks. Wanneer hebben we voor het laatst fatsoenlijk met elkaar gesproken? Het moet de ochtend van mijn vertrek zijn geweest. Bijna drie maanden. Voorzichtig, alsof de muziek breekt als ik een onverwachte beweging maakt, vouw ik mijn boek dicht en ga ik staan. Ik loop naar Emma en biedt haar mijn hand aan. Twee seconden gaan voorbij voordat ze hem ziet; ze volgt mijn vingers en mijn arm naar mijn gezicht, dat ze een vragende blik aanbiedt. Ik zeg niks, maar wenk haar met een kleine beweging van mijn vingers.
Ze legt haar hand in die van mij.
Ik help haar overeind en trek haar lichaam tegen het mijne. Elke beweging is berekend en bedachtzaam. We zijn allebei zo breekbaar. Maar als we zo tegen elkaar aan staan, vormen we samen een gebroken geheel.
We dansen. De bewegingen zijn klein, kunnen bijna geen dansen worden genoemd omdat we niet meer doen dan mee zwieren op de gedempte muziek. Op dit moment delen we meer emotie met elkaar dan we in de afgelopen dagen durfden te doen.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen