. . .


Wegrennen. Dat was de eerste gedachte die door Ramóns hoofd schoot. Misschien dat ze hun achtervolgers kwijtraakten in het donker. Zijn benen voelden echter aan als blubber. Verloren keek hij zijn vriend aan.
      Hij las onbegrip in zijn ogen. Een paar tellen verstreken voordat Ayan zijn hoofd opzij draaide en ontdekte wat Ramón zo bang maakte.
      Zijn gezicht verstrakte. Zijn vingers gleden door die van Ramón terwijl hij de blikken van hun beloerders beantwoordde. Zijn schouders zakten niet ineen, zoals die van Ramón, noch trilde hij over zijn hele lichaam.
      Hij stond daar maar, rustig uitademend.
      Ramón wilde hem wegduwen, wilde hem toesissen dat hij zich uit de voeten moest maken. Met zijn lange benen zou hij een kans maken. Smekend keek hij zijn vriend aan.
      ‘Vlucht,’ bracht hij met bevende lippen uit.
      Ayan zei niets, maar hij bleef zijn hand stevig vasthouden. Dat gebaar vertelde hem net zo veel als woorden zouden doen. Hij zou niet wegrennen, niet vluchten als een dier waarop gejaagd werd.
      Een hevige angst omklemde zijn hart. Wat zou er nu met hen gebeuren? De tranen stapelden zich op in zijn ogen, zijn keel deed pijn toen hij slikte.
      De schaduwen kwamen dichterbij. Het waren vier krijgers, allen hielden hun strijdknots in de ene hand en de ander omklemde een fakkel.
      ‘We hebben niets fout gedaan,’ begon Ramón. ‘We wilden gewoon een luchtje scheppen, er is niets aan de hand.’
      ‘Je vader heeft verzocht om je terug naar het paleis te brengen,’ sprak Gwold. De man stond aan het hoofd van de koninklijke lijfwacht en Ramón had hem nog nooit zien glimlachen. ‘Jullie allebei.’
      Jullie allebei.
      Plotseling kreeg Ramón geen lucht meer. Vader had geweten dat hij vannacht met Ayan had afgesproken. Er was geen enkel excuus dat hij kon aandragen – zeker niet omdat vier mannen er net getuige van waren geweest hoe ze met elkaar hadden gezoend.
      Zijn borst verkrampte, hij kon wel janken. Het was alsof de wereld nog donkerder werd, alsof de avondgeluiden die altijd zo bevrijdend hadden gevoeld nu verstomden. Opeens kriebelden er tranen langs zijn wangen.
      Was hij maar in bed blijven liggen, dan was dit slechts een nachtmerrie geweest.
      Ayan pakte nu allebei zijn handen vast en keek hem aan. ‘Wees sterk, lief. Als ze onze liefde niet kunnen omarmen, zijn ze je tranen niet waard. Maar misschien verleent je vader ons gratie. Je bent tenslotte zijn zoon.’ Hij glimlachte, maar zijn mondhoek trilde. ‘Het komt wel goed.’
      Ramón probeerde de brok in zijn keel weg te slikken. Sterk zijn. Sterk zijn. Hij haalde diep adem en rechtte zijn schouders. Hij was een prins. Godenbloed stroomde door zijn aderen. Verhief dat hem niet boven welk gebruik dan ook?
      Eén hand liet hij los, de ander bleef hij vasthouden terwijl hij zich naar de vier wachters draaide en een knikje gaf. Twee van de krijgers gingen hen voor, de anderen wachtten tot Ramón en Ayan hen gepasseerd waren en liepen toen achter hen aan.
      Het gaf hem kracht, dat hij eindelijk Ayans hand kon vasthouden waar anderen bij waren. Spoedig zouden ze zien dat het liefde was dat hen met elkaar verbond. Hij zou afstand nemen van de troon als ze daarom zouden vragen, maar hij zou Ayan niet opgeven. Hij zou hem nooit opgeven.
      Ayans duim streek geruststellend langs die van hem. Hij sprak geen woord, maar hij voelde dat zijn vriend trots was omdat hij zijn tranen kon beheersen.
      Zodra ze bij het paleis arriveerden werden ze bij elkaar weggetrokken. Een hol gevoel nam hem over toen zijn vingers uit die van Ayan glipten. Hij keek over zijn schouder en zag toe hoe zijn vriend werd weggevoerd, een trap af. Al snel verdween hij uit zicht, en de twee krijgers begeleidden hem naar zijn eigen vertrek. Een van hen positioneerde zich zwijgend voor het raam, de ander voor de deur.
      Niemand sprak.
      Ramón zakte op zijn bed neer, rolde op zijn zij en maakte zich klein. Zijn ogen bleven echter droog. In plaats van ruimte te bieden aan de angst, was er een kille woede die zich stilletjes aan steeds verder uitbreidde.

Ramón wist niet hoe lang hij daar op dat bed lag. Eetlust had hij niet, hij deed niet eens een poging om de kamer te verlaten. Hij wachtte en hij wachtte maar, bad tot de goden dat ze hem en Ayan zouden beschermen.
      Een klop op de deur liet de krijger die ervoor stond opzij stappen, daarna ging de deur open.
      ‘Prins Ramón wordt bij Heer Yahuar verwacht,’ sprak een bediende.
      Ramón ging rechtop zitten. Het was alsof er tijdens de nacht stenen in zijn lichaam opgestapeld waren, hij kon zich nauwelijks verroeren. Hij wilde wegkruipen in zijn dekens, zich verstoppen voor het verstrijken van de tijd.
      Sterk zijn.
      Hij zag Ayans vastberaden ogen voor zich, voelde het kneepje in zijn hand. Zonder zich om de twee wachten of de bode te bekommeren deed hij zijn nachtgewaad uit en trok iets anders aan. Eerst zijn katoenen onderkleding, toen de van alpacawol gemaakte poncho met blauwe franjes aan de zomen van zijn mouwen en de onderkant. De poncho die hij eroverheen trok zat losser en was bedekt met gouddraad en edelstenen. De schoudermantel maakte hij vaardig vast, daarna gespte hij zijn sandalen aan.
      Hoewel hij vaak het gevoel had dat zijn opzichtige kleding hem in een hoek dreef, ontleende hij er nu juist kracht aan. Je bent een prins. Je hebt godenbloed. Ze kunnen je niets maken. Hij bleef die woorden herhalen totdat hij de troonzaal bereikte. Zijn ouders zaten al kaarsrecht op hun zetels, zijn jongere broertje en zusje ook. Hij staarde naar de lege plek, die waar de kroonprins hoorde te zitten. Kon hij daar gewoon naartoe lopen? Hij wilde er aanstalten toe maken, maar een hand omklemde plots zijn bovenarm en trok hem de andere kant op, totdat hij recht tegenover zijn vader stond. Daar waar de beklaagden altijd stonden.
      Plotseling voelde alle opsmuk overdadig, misleidend. Hij knielde neer als een gewone man, ontdaan van zijn privileges. Tranen prikten in zijn ogen omdat zijn misstap niet door een vader werd terechtgewezen, maar zijn schanddaad nu publiekelijk werd gemaakt.
      Vanuit geknielde positie keek hij op naar zijn vader. Hij zocht naar mededogen, naar begrip, zonder het te vinden.
      ‘Ramón…’ Zijn stem klonk warmer dan verwacht, gaf hem een beetje hoop. Een diepe zucht blies het weer weg. ‘Verontrustend nieuws is mij ter ore gekomen. Je hebt de Heilige Kus uitgewisseld met niet alleen een laaggeborene, maar ook nog eens een man. Wat heb je daarop te zeggen?’
      Hij twijfelde niet. Sterk zijn. ‘Dat is waar, vader. Ik heb Ayan mijn Kus gegeven omdat… omdat ik van hem hou.’
      Een doodse stilte.
      Een stilte die hem een betere indruk gaf van het aantal toegestroomde mensen dan het geroezemoes dat er eerst was geweest.
      Ook vader zei niets. Ramón hief zijn ogen weer op, liet ze van zijn vader naar zijn moeder glijden. Zijn vader keek geschokt, alsof het geen moment in hem was opgekomen dat Ramón terecht beschuldigd was. Zijn moeder had een hand voor haar mond geslagen, haar gezicht was lijkbleek. Zijn zusje keek verward rond en leek het allemaal niet te bevatten en zijn broertje… Zijn broertje probeerde weinig succesvol een grijns weg te drukken.
      Hij was het. Hij heeft het ze verteld.
      ‘Je kunt niet van een man houden, Ayan,’ klonk het toen. Eindelijk was het alsof hij zijn vader hoorde praten, in plaats van een heerser. ‘Niet op die manier. Je hebt een smet geworpen op onze familie, en op ons rijk, door je zo oneervol te gedragen.’
      Ramón beet op zijn lip. Hij wist niet wat hij moest zeggen. Hoe kon hij uitleggen dat Ayan kussen net zo natuurlijk had gevoeld als ademhalen? Dat het iets was wat hij niet had kunnen stoppen, waar hij met heel zijn lichaam naar verlangd had.
      ‘Het spijt me vader,’ zei hij zacht. ‘Ik wilde niemand verdriet doen.’
      Een diepe zucht. Zijn vader tilde een hand op en gebaarde opzij. Een ogenblik later kwamen er twee krijgers binnen die beiden een bovenarm van Ayan hadden vastgegrepen. Zijn donkere haar zat door de war, zijn gewaad zat scheef. Hardhandig werd hij op de grond geduwd, een paar passen bij Ramón vandaan zodat het onmogelijk was om elkaar aan te raken.
      ‘Jullie weten dat jullie relatie ongehoord is,’ sprak zijn vader. ‘Dat jullie de goden hebben geblasfemeerd door jullie over te geven aan perversiteiten. Zulke obsceniteit kan alleen uit onze maatschappij verdreven worden door het hard aan te pakken. Het zal dan, net als welk wanordelijk gedrag dan ook, met de dood worden bestraft.’
      Met de dood.
      De woorden gonsden door zijn hoofd. Nee – nee dat kan toch niet?
      Ayan hief zijn hoofd op. ‘De prins treft geen blaam. Ik was het, die zich de prins wilde toe-eigenen. Die hem met duistere magie misleid heeft. Er stroomt godenbloed door de aderen van de prins. Niemand – met godenbloed of zonder – heeft het recht om het nazaat van de goden zelf uit te roeien.’
      ‘W-wat?’ stamelde Ramón. Het woord DOOD galmde nog steeds door zijn hoofd, er was weinig ruimte voor iets anders en toch drongen Ayans woorden zijn oren binnen.
      Onthutst draaide hij zijn hoofd opzij. Ayan ving zijn blik. Het was er een van pure liefde, eentje die zijn hart liet huilen omdat hij op hetzelfde moment inzag wat Ayan probeerde te doen.
      Hem vrijspreken. Alle schuld op zichzelf betrekken.
      Hij wilde protesteren, wilde zeggen dat het niet waar was, dat dit niets met duistere magie te maken had, maar het was alsof ieder woord in zijn keel blokkeerde.
      De getuigenis van Ayan leek zijn vader in elk geval gunstiger te stemmen, zijn gezichtsuitdrukking werd iets zachter. ‘En zo kon de boosaardige geest niet langer het licht verdragen en komt de waarheid boven. Je hebt mijn zoon bezoedeld, en daarvoor zul je bloeden. De prins echter… Heeft zich onvoldoende tegen het duister verweerd. Zijn zwakte heeft ons koningshuis bespot, en om die reden zal hij verbannen worden en nooit meer in onze vallei welkom zijn.’
      Ayan kon nog steeds niets uitbrengen. Wat betekende dat – dat hij mocht blijven leven? Dat hij weg kon gaan? En Ayan? Mocht Ayan met hem meegaan?
      ‘Ik accepteer mijn straf,’ zei hij zachtjes, en hij boog zijn hoofd. ‘Maar ik smeek u om Ayan met mij mee te laten gaan. U zult ons nooit meer zien. U…’
      ‘Zwijg!’ blafte zijn vader. ‘Ayan krijgt wat hem toekomt voor het onteren van een godenzoon. En wel meteen!’
      ‘Nee!’ gilde Ramón. Hij sprong overeind, beukte zijn elleboog in het gezicht van de man naast hem en rende naar zijn vriend toe. Met een snelle beweging ontglipte hij aan zijn bewakers.
      Ramón wilde zijn hand pakken, hem mee sleuren, maar Ayans armen gleden om hem heen en drukten hem stevig tegen zich aan.
      ‘Dit is geen strijd die we kunnen winnen,’ fluisterde hij. Er klonk een snik door in zijn stem. ‘Ik hou van je. Ik zou mijn leven honderd keer geven als ik jou daarmee kon redden. Ga hier weg, ga op zoek naar die plaats waar je mag zijn wie je bent. Doe het voor ons.’ Hij keek hem aan, legde zijn hand over Ramóns hart. ‘Hier zal ik altijd zijn. Ik zal over je waken, altijd, overal.’
      Ramón begon te huilen.
      ‘Huil niet, mijn lieve prins.’ Ayan nam zijn wangen tussen zijn handen en kuste zijn lippen. Er schitterden ook tranen in zijn ogen. ‘Laat me nog één keer die mooie glimlach van je zien. Die verdooft iedere pijn.’
      Woest schudde Ramón zijn hoofd. Hij klampte zich weer aan zijn geliefde vast. Hij stierf liever met hem dan achter te blijven.
      ‘Je mag niet weggaan,’ fluisterde hij snikkend. ‘Je had beloofd dat we samen zouden weggaan.’
      ‘Ik ga niet bij je weg,’ fluisterde Ayan terug. ‘Dat je me straks niet zult zien, betekent niet dat ik er niet meer ben. Ik waak over je. Ik zal over je waken totdat je zelf de toegang naar de Gouden Wereld vindt.’
      Handen grepen zijn schouders beet, trokken hem ruw bij Ayan weg.
      Ramón gilde, schreeuwde, sloeg om zich heen. De handen lieten hem niet los. Door een waas van tranen zag hij hoe Ayan naar een verhoging werd geduwd.
      Zijn vader stond op van zijn troon, liep op hem af.
      Op de jongen van wie zijn zoon zo oneindig veel hield.
      Ramón hoorde niet wat er gezegd werd. Hij kon alleen maar naar voren staren, naar de gouden tumi in handen van de man die hem grootgebracht had. Hij draaide Ayan met zijn gezicht naar de zaal, trok zijn hoofd aan zijn haren naar achteren. Toen hief hij het halvemaanvormige mes en sneed die met een snelle haal langs het zachte vlees.
      Het was niet het rond spuitende bloed wat Ramón zag. Het was de berustende blik in zijn ogen, zijn liefdevolle glimlach, de wilskracht om zijn dood onder ogen te zien.
      Ramóns knieën knakten. Hij viel op de grond, en hij huilde en huilde en huilde.

Dagenlang sprak Ramón niet. Hij sprak geen woord tegen zijn ouders, tegen zijn broertje en zusje toen ze hem voorbereidden op zijn vertrek. Met samengeknepen lippen liep hij zes dagen later door de straten. Zijn blik was leeg toen hij langs al die mensen liep voor wie hij ooit dacht te zullen gaan zorgen.
      Voetje voor voetje liep hij verder bij het paleis vandaan.
      Nooit zou hij ernaar terugkeren. Nooit wílde hij ernaar terugkeren.
      Bijna had hij de stad verlaten. Hij trok naar het noorden, zodat hij niet langs het meer hoefde te reizen waar hij zo vaak met Ayan aan gezeten had. Het zou te veel pijn doen.
      Je moet sterk zijn.
      Waar moest hij naartoe gaan? Hoe moest hij in zijn eentje overleven?
      Je moet sterk zijn. Ik zal over je waken, altijd, overal.
      De geplaveide weg ging over in een zandweg, hij liep langs de huizen van de armste gezinnen. Daar waar Ayan was opgegroeid.
      Zijn Ayan. Nu voor altijd weg.
      Er kriebelde weer een traan langs zijn wang.
      Opeens versperde een meisje hem de weg. Ze was een jaar of negen en hield een strijdknots in haar hand.
      ‘Deze was van Ayan,’ zei ze zachtjes. ‘Hier, neem jij hem mee. Samen met zijn boog.’
      Ramóns onderlip begon te trillen. Hij pakte de knots aan, streek over het gladde hout, over de plaats waar Ayans vingers omheen gekruld hadden. Hij keek neer op het meisje, zag de tranen in haar ogen.
      Zij begrijpt het. Zij begrijpt het wel. Dat we van elkaar hielden.
      Hij haalde diep adem, het lukte echter niet om de tranen te verjagen. Nadat hij de pijl-en-boog ook van haar had aangenomen, boog hij zich over haar heen en drukte hij een kus in haar haren.
      Het liefst nam hij haar mee, dit kleine meisje, die net zo’n verlies had geleden als hij. Maar het kon niet. Wat kon een verbannen prins haar nou voor toekomst bieden? Hij was vogelvrijverklaard. Hij was niets meer, niemand.
      Hij hield het nog geen week vol.
      Zonder nog iets te zeggen liet hij haar weer los. Het was alsof er een steen in zijn keel zat. Híj was de reden dat ze haar broer was kwijtgeraakt. Vlug liep hij door. Het schuldgevoel brandde in zijn buik.
      In zijn eentje liep hij verder, de wapens van Ayan dicht tegen zich aangedrukt. Hij liep verder en verder, totdat de zon onderging en de wereld steeds kouder werd.
      En niet alleen de wereld.
      Er sloop een kou in zijn hart, eentje die alle kinderlijke onschuld verkilde. Ramón was dood. Gestorven met de liefde van zijn leven.
      Maar hij zou de herinnering aan Ayan levend houden.
      Hij zou de naam Ayan met trots dragen, hij zou worden wie niet meer had mogen bestaan en op een dag zou hij terugkeren en het bloed door deze vallei laten golven.

Reacties (2)

  • Helvar

    Oh nooo :C

    1 jaar geleden
  • Necessity

    Ayan! Nee!
    Super geschreven dit 😊

    1 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen