Foto bij 231 - Emmeline

Daar, in zijn armen, bedenk ik een plan.
Een plan dat ik eerst bij Madeleine neer zal moeten leggen, dat goedgekeurd moet worden, maar een plan waar ik volledig achter sta.
En Madeleine gaat akkoord. Mijn ouders ook, die zelfs beloven voor Julien te zorgen.
Lucien is het allergelukkigst buiten de kasteelmuren. In vrijheid, waar hij kan doen wat hij wil. Dat kan hij niet als prins, dat weet hij zeker.
Maar ik wil hem laten zien dat er een kans is voor ons om een normaal leven te leiden, en toch koning en koningin te zijn.
Twee ochtenden later wek ik hem met een glimlach op mijn gezicht.
Hij kijkt me enkel vragend aan. "Vrolijk?"
Ik knik en wijs naar onze, volledig ingepakte, koffers. De meest doorsnee, simpele kleding is ingepakt. Enkel het hoogst noodzakelijke. "We gaan op reis."
"Op reis?" Hij wrijft nog slaap uit zijn ogen.
"Het land in. Onder de mensen...," ik leun op zijn borstkas. "Zonder kroon. Gewoon als Lucien en Emma.. of misschien zelfs niet eens onder onze eigen namen."
Hij kijkt me nog steeds verward aan. "Em.."
"Je moeder vindt het goed. Alles is geregeld. Niemand weet precies hoe we er uit zien, Luce.. Dit is dé manier om even vrij te zijn van al het gedoe."
Ik zie een ondeugende, speelse twinkeling in zijn ogen. "Alleen jij en ik?"
"Alleen jij en ik."

We reizen te paard. De lichte lente-regen komt onverwacht, maar we lachen terwijl onze buitenkleding druipend nat wordt. Lucien is net weer het jonge jongetje dat ik kende.
We sporen onze paarden aan om sneller te rijden, op zoek naar een herberg om te overnachten.
Ik geloof nog steeds niet helemaal dat dit me gelukt is, en natuurlijk ben ik ergens nog steeds bang. Dat we herkend worden, achterna gezeten door een grote horde mensen. Koningsgezind, of misschien juist helemaal niet.
Maar door Lucien's blijdschap, zijn pure geluk, schuif ik die zorgen aan de kant.
We zijn even helemaal weg. Geen zorgen over de toekomst, over het regeren van een land. Gewoon even simpelweg Lucien en Emma, of Remí en Maria, zoals we besloten hebben door het leven te gaan onder het volk.
De link is anders misschien toch nét te makkelijk gelegd, zelfs als mensen niet precies weten hoe we er uit zien.

Het wordt donker, buiten, en mijn buik rammelt. Ik ben dan ook dolgelukkig dat we een herberg treffen, de lichten aan en het geluid van mensen al buiten hoorbaar.
Het is druk, binnen. Mannen drinken bier, er worden maaltijden geserveerd.
We stappen samen binnen, onwennig. Lucien mag dan recentelijk nog zo onder het volk geweest zijn, voor mij is het jaren geleden. Ik denk niet dat ik ooit echt in een herberg ben geweest, en het voelt... vreemd.
Lucien pakt mijn hand en loopt met me naar de bar, waar een man met een lange baard bier serveert.
In het vloeiend en accentloos Frans bestelt hij voor ons allebei een maaltijd, en informeert hij naar een kamer.
"Est-ce qu'elle travaille?" Vraagt de bebaarde man vluchtig en in plat Frans. Ik kijk Lucien vragend aan.
"Hij vraagt of je.. aan het werken bent."
Nogmaals kijk ik hem vragend aan, tot Lucien me door een simpele gezichtsuitdrukking laat weten wat hij werkelijk bedoelt.
"Oh! Oh..." De opmerking laat me blozen. Me zorgen maken over herkend worden is dus nergens voor nodig, de mensen hier denken blijkbaar dus eerder dat ik door Lucien uit een bordeel opgepikt ben.
"Elle ne travaille pas, nous cherchons juste une chambre pour rester. Nous traversons."
De man achter te tap haalt zijn schouders op en reikt Lucien een sleutel aan. Als Lucien die aan wil nemen, trekt de man hem vluchtig naar achter.
"Montrez-moi d'abord une preuve de paiement."
Lucien trekt een paar munten uit zijn zak, die de man even vluchtig aanneemt, in ruil voor de sleutel.

De kamer is klein en donker, enkel verlicht door een olielamp. Het bed voelt als een grote houten plank, maar door de bevrijde en blije blik op Luciens gezicht is dat het helemaal waard.
We leggen onze spullen neer, verwisselen onze doorweekte kleding voor droge en haasten ons terug naar beneden, waar ons eten bijna onmiddellijk geserveerd wordt.
Het bord dampt, zo heet is het, en de geur die er vanaf komt is heerlijk.
De herberg is nog voller dan ik me kan herinneren, alsof er in de afgelopen twintig minuten tientallen mensen bijgekomen zijn.
Ook Lucien lijkt het opgevallen te zijn, en hij schiet een van de mannen naast ons aan.
"Waarom is het zo druk? Is er iets bijzonders, vanavond?"
De mannen aan de tafel lachen. "Iets bijzonders? Heb je het niet gehoord, dan?"
Lucien haalt zijn schouders op. "Gehoord?"
"Man, waar ben je geweest de afgelopen dagen...." Hij laat even een stilte vallen op de plek waar normaal gesproken een naam zou komen.
Lucien kijkt mij aan, en antwoordt dan, "Remí. Op doorreis. Mijn.. vriendin, Maria, en ik, we zijn onderweg naar Noord-Frankrijk, een familiebezoek."
"Ah. Nou, vriend, laat me je dit vertellen." Hij schuift Lucien een van hun vele glazen gevuld met bier toe. "Je gaat iets meemaken dat je nooit meer zult vergeten."
Hij klinkt zijn glas tegen het glas dat hij net aan Lucien schonk en kijkt zijn maten, naast hem aan de tafel, grijnzend aan.
"We hebben gisteren het nieuws gekregen dat de kroonprins van Frankrijk en zijn vrouw ons dorp zullen komen bezoeken. We hebben geen idee waarom, maar dit zal het eerst worden dat iemand uit die hele familie ons een blik waardig gunt..."
We kunnen het allebei niet laten om elkaar verward aan te kijken. Heeft iemand ons bezoek aangekondigd? Dat was niet het idee, we zouden geheim houden dat we überhaupt op een reis door het land waren.
"Ze hebben ons genoeg uit te leggen, overigens.. Die oude valt ineens dood neer, en dat moeten we zomaar accepteren? Wordt zijn tweede zoon ineens koning, zometeen... We weten niet eens hoe de goede man er uit ziet, of of hij wel spoort!"
Hij neemt een slok van zijn bier. "Ach, alles beter dan die broer van hem.." Hij proost nogmaals met zijn vrienden. "En die prinses... Goed, ik heb gehoord dat ze sensationnel is.."

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen