Foto bij 235 - Emmeline

Als mijn moeder me nu zou zien, zou ze me voor gek verklaren.
Mijn vader zou schande van me spreken, zich schamen dat ik me tot deze stand zou verlagen. Madeleine zou alleen maar glimlachend toekijken.
Ik sta met mijn handen in een kom vol deeg, meel over mijn gezicht verspreid van al het kneden. Het is warm in de keukens, veel te warm, en de geuren die er zich verspreiden ruiken simpelweg hemels.
Het is van de gekken, dat we ons zo uitsloven voor twee toneelspelers die niet eens iets te maken hebben met het koninklijk huis, maar het voelt ook goed.
Voor het eerst in tijden maak ik me geen zorgen om het beeld dat mensen van me hebben, of me voorbeeldig gedragen. Hier, in deze gloeiend hete keukens, omringd door eten en etensresten, ben ik simpelweg Marie.
Lucien en ik hebben ons achtergrondverhaal al helemaal uitgewerkt - we zijn Remí en Maria, uit het zuiden van Frankrijk, op reis naar onze familie in het verre Noorden. We willen ons verloven, erg graag, maar dat kan alleen met toestemming van mijn ouders. Daarom zijn we op reis, licht bepakt, en zwaar verliefd.
En liefde zorgt er voor dat je rare dingen gaat doen, zoals helpen met het maken van een driegangen diner voor tien wildvreemde mensen, waaronder twee mensen die doen alsof ze de kroonprins en prinses zijn.
Ik wil de mensen hier vertellen dat ze er in geluisd worden, dat het allemaal niet echt is. Dat ze hun geld geven aan oplichters, aan fraudeurs.
Maar dat kan niet, want niet alleen zou niemand me geloven, ik kan het ook niet bewijzen. Ik bracht niets van waarde met me mee, en er is niets waarmee ik kan aantonen dat ik werkelijk Emmeline, princess of Scots ben. Lucien ziet er momenteel sowieso meer uit als een simpele koopman dan een prins, met het baardje en het lange haar, dus niemand zou ons geloven.
      De dubbele deuren van de keuken zwaaien open, en de herbergier komt binnen, delen geslacht zwijn op een schaal uitgestald.
Lucien, Remí, loopt achter hem, zijn licht bebloede handen afvegend aan een schort dat hij van de herbergier kreeg.
"We moeten deze man in dienst nemen," lacht de man terwijl hij de hompen vlees neerlegt, "hij had binnen een mum van tijd zo drie zwijnen neer. En goede ook, met veel vlees.." Hij slaat Lucien tegen zijn schouder en grijnst.
"Wat kan ik zeggen.." Lucien glimlacht breed, "ik ben een goede jager."
"Heb je ook zo op Maria gejaagd, Remí?" joelt een van de keukenhulpjes, Pierre.
Mijn wangen worden rood, gelukkig verborgen door de hoeveelheid meel die ik over mijn gezicht heb verspreid tijdens het heen en weer duwen van het deeg.
"Ik heb eerder op hem gejaagd," weet ik uiteindelijk uit te stoten, terwijl ik een prachtig brood van het deeg weet te vormen.
Lucien haalt zijn schouders op. "De meningen zijn daarover verdeeld..," hij knipoogt naar me. "Het was een wederzijdse jacht, laten we het daar op houden.."
Jehanne, die verschillende kruiden door elkaar mengt in de hoek van de keuken, maakt een geforceerd kokhals-geluid.

Het zwijn is gebraden, elk gerecht staat dampend heet klaar om naar het huis van de sherrif verhuisd te worden.
Ik ben uitgeput, mijn benen doen pijn van al het staan, en mijn handen ruiken naar vet, meel en zout, maar ik ben op een rare manier tevreden.
Terwijl de herbergier en een van zijn goede vrienden het eten naar de sherrif brengen, schenkt Jehanne ons onze drankjes in.
De herberg zit minder vol dan voorgaande avonden, enkel de stamgasten verblijven nu hier. De rest van het dorp is druk met zich klaarmaken voor het eventuele vervolgbezoek van de kroonprins en prinses.
Lucien drinkt van zijn bier, zijn arm zorgvuldig en beschermend om mij heen geslagen.
Hier is hij geen prins, en is het voor elke man dus makkelijker om op mij, een simpele vrouw, te jagen. De hoeveelheid knipogen en charmante zinnen die ik al ontvangen heb zijn niet op twee handen te tellen.
Oh, als ze eens zouden weten tegen wie ze het hebben...
"Wat een schavuiten!" Een man met een lange baard en nog langer haar stapt de herberg in. "Ondankbare rijkeluisjes!"
Jehanne reikt hem meteen een pul bier aan. "Wat is er aan de hand, Bernard?"
"Ik gaf dat koninklijke addergebroed een van mijn beste zwaarden.. Handgesmeden, met edelstenen die ik tijden bewaard heb, voor het meest speciale werk dat ik ooit zou maken..." Hij neemt meteen een heleboel slokken en slaat de pul met een klap op de bar. "En hij was niet eens dankbaar! Vroeg waar het echte goud was. Goud! Alsof ik dat kan betalen.. Dat zwaard was meer waard dan mijn hele huis!"
Niemand durft iets te zeggen.
"Ik kan zometeen mijn gezin niet eens onderhouden omdat ik dat ondankbaar stuk adel zoiets waardevols heb gegeven!"
Ik wil iets zeggen, de eerste zijn om de stilte te doorbreken, maar ik durf het niet. Bang dat mensen me zometeen zien als een soort landverrader, en me aan de hoogste boom opknopen.
Lucien zegt ook niets, bestelt enkel een nieuw biertje voor de man bij Jehanne.
"Waarom willen deze mensen ineens zoveel van ons? Hebben zij niet met goud belegde muren, fluwelen jurken en maaltijden ter overvloede? Kunnen zij ons niet iets schenken? Waarom moeten wij ze nog rijker maken dan ze al zijn? Laat die prins maar met iets komen. We kunnen genoeg gebruiken.. Nieuwe ramen voor de kerk, of kleren voor onze kinderen."
Hij blijft maar slokken nemen uit zijn glas, het schuim blijft hangen in zijn baard en zorgt er voor dat hij er uit ziet als iemand met een enge ziekte.
Het gesprek verstomt, en langzaam aan beginnen mensen over andere dingen te praten. Niemand durft een slecht woord uit te spreken over de adel.
Dan neemt de man, Bernard, nog een slok, en spreekt hij de woorden die mijn schuldgevoel alleen maar groter maken. "Deze mensen hebben zelf ook een kind, toch? Waar is hun medeleven? Mijn kinderen sterven van de honger als dit zo door gaat, terwijl die van hun in een gouden wiegje kan slapen."

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen