Foto bij 236. - Lucien

Bernard raast door en zorgt er op die manier voor dat mijn schuldgevoel, maar ook mijn woede, uiteindelijk een hoogtepunt bereiken. Ik sla mijn pul op de tafel, mompel iets onverstaanbaars over een luchtje scheppen en been de herberg uit. De deur heeft amper tijd om dicht te slaan, want Emma komt achter me aan gesneld. Ik negeer haar, geen zin om een scène te schoppen midden op straat.
"Remí." hoor ik haar stem. En dan wat dringender: "Remí! Werkelijk waar, Luc- Remí!"
Uiteindelijk krijgt ze me te pakken aan de rand van het dorp; ze grijpt mijn arm en laat niet los voordat ik stop met lopen.
"Praat met me." gebied ze.
"Dit kan niet!" snauw ik met een armgebaar, waarmee ik mezelf onbedoeld los trek. "Deze mensen geven alles wat ze hebben, omdat ze denken dat het moet! Dat heeft niks te maken met die bedriegers! Als ze wisten wie we waren..." Gefrustreerd haal ik mijn handen door mijn haren - ze zitten vol met klitten en vuil en volgens mij ook wat zwijnenbloed. "Dit is niet hoe ik bekend wil staan! Ik wil niet dat mensen denken dat ik iets van ze wil!" Ik draai me met een ruk om en begin te ijsberen. "En dan het feit dat dit wél bedriegers zijn! Hoeveel mensen hebben ze al rijkdommen afhandig gemaakt? Hoeveel kinderen zijn met honger naar bed gegaan, omdat zij..." Ik ben op zoek naar iets om te slaan, maar er is niks dat er bevredigend genoeg uitziet. "Ze zouden aan de galg moeten!"
"Lucien..." Emma's stem is zacht, vol van medeleven. Ik heb mijn eigen naam de laatste dagen zo weinig gehoord dat ik hem bijna ben ontwend. Hijgend kijk ik haar aan. "Ik voel me hetzelfde." zegt ze. "Met elk woord van Bernard voelde ik me zieker met schuldgevoel. Je wéét dat ik dit even ellendig vind als jij." Het klinkt alsof er iets gaat komen dat ik liever niet zou horen. "Maar we kunnen niet helpen."
Het voelt alsof ik in mijn maag getrapt word. Hoe waar deze woorden ook zijn, ik verafschuw ze.
"We kunnen toch ook niet hulpeloos toekijken!"
Ze komt naar me toegelopen - weloverwogen stappen, tot ze vlak voor me staat. Ze neemt mijn gezicht in haar handen.
"We gaan er iets op verzinnen. We gaan een oplossing vinden. Dit is niet onze... niet jouw schuld."
Ik sluit mijn ogen. Ik doe mijn best haar woorden te geloven, maar het is moeilijk. Waar is het beeld dat wij rijkdommen opeisen begonnen? Is het altijd zo geweest, was ik gewoon zo blind voor de wereld buiten het kasteel dat ik het niet zag? Niet wilde zien?
Verslagen leun ik tegen Emma's aanraking aan. "Ik ben slecht in niets doen."
"Weet ik toch." Ze kust mijn neus. "Hier is een idee: morgen ga je op jacht."
Ik trek een gezicht. "En dan?"
"En dan stop je niet bij één, twee of drie prooien. Je jaagt door tot je niet meer kan lopen. En dan gaan we samen alles slachten. Ik twijfel niet dat Vincent en Jehanne ons hun slachthut gunnen. Ze zullen vast komen helpen. En dan, als we alles hebben geslacht, gaan we het dorp in en het verdelen. Iedereen krijgt evenveel. Gezinnen met kinderen krijgen extra voor hun kroost. Vlees is een luxe hier, en het voedzaamste dat we ze kunnen bieden. Het is geen permanente oplossing, maar we doen in ieder geval niet niks."
Een glimlach krult mijn lippen. "Ik zal nooit begrijpen hoe ik zoveel geluk heb dat jij mijn vrouw bent."
Haar ogen sprankelen speels in het maanlicht. "Herinner dat. Ooit ga je me een vloek noemen."

Terug in de kroeg zit Bernard zijn frustratie nog steeds weg te drinken. Ik vertel Johanne al zijn drank op onze rekening te zetten. Dit zorgt voor wat opgetrokken wenkbrauwen, maar Emma liegt ons daar soepel uit door te zeggen dat we de afgelopen weken regelmatig vlees uit mijn jacht hebben verkocht en dat zij regelmatig haar hulp aanbiedt bij boeren en andere werklieden, waardoor we enigszins hebben kunnen sparen. Bernard bedankt ons door de pul naar ons op te heffen alvorens hem in één keer leeg te drinken.
"We zijn kapot." zegt Emma tegen het gezelschap. Het is geen leugen - ik voel me gesloopt, alsof ik zeven dagen aaneen heb gevochten, maar ik voel me ook... voldaan. Alsof ik ergens aan heb bijgedragen. We bieden iedereen goedenacht en Emma neemt mijn hand om me naar onze kamer te leiden. Bovenaan de trap, voor onze deur, staat ze stil en draait zich naar me om. "Als we deze deur doorgaan," zegt ze stellig. "laten we deze problemen buiten. Het heeft geen zin om ons er vanavond druk over te maken. Morgen weer een nieuwe dag."
Na een korte aarzeling beaam ik dat. "Morgen weer een nieuwe dag."
Ze kust me en opent de deur. De deur sluit. Binnen omhelst ze me en kust me opnieuw. Met Emma in mijn armen is het makkelijk om alles te vergeten. Onze kus wordt intenser; frustraties worden er in gegoten, maar ook het geluk en de vrijheid die we afgelopen dagen hebben gevoeld. De voldoening die we halen uit het simpele leven en het zorgeloze contact met de dorpelingen.
Ik til Emma op; ze slaat haar benen om mijn middel en kreunt gelukzalig wanneer ik haar kaak en dan haar nek kus.
Ik duw haar tegen de muur om haar omhoog te houden. Haar nagels krassen door het katoen over mijn rug - het doet me rillen.
"Lucien." fluistert ze, ademloos. Ik grijns en kus haar weer. Mijn handen gaan over haar lichaam, die van haar volgen hetzelfde pad over mijn lijf. Haar vingers trekken aan mijn haar, iets dat zo een heftig effect op me heeft dat ik bijna door mijn knieën zak. Emma lacht verheugd. Haar ogen staan zo ondeugend dat ik direct verlang naar het volgende moment dat ze aan mijn haar trekt. Ik begraaf mijn gezicht weer in haar nek, waar ik de dunne huid kus, lik, zuig tot ik fantastische geluiden uit Emma's mond hoor komen. In mijn hoofd zijn de namen Emma en Maria door elkaar aan het dansen. Ze zijn dezelfde persoon, en tegelijkertijd zo verschillend. Ik twijfel er niet aan dat beide namen over mijn lippen vallen die nacht, maar het kan me niet schelen.
"Verdomme, Lucien!" klaagt ze heel unlady-like, als mijn vingers over naar dijen en heupen teveel afstand houden. Ik lach, ademloos, en kus haar. Alsof ze weet dat dat is hoe ze me laat doen wat zij wil, trekt ze aan mijn haar.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen