. . .


Geagiteerd sloeg hij met zijn armen heen en weer – wat nu vleugels waren. Ze voelden nu al vermoeid. ‘Een vleermuis? Waarom een fucking vleermuis?! Wat is er mis met een hond ofzo?!’ Hij wilde het schreeuwen, maar het enige wat uit zijn mond – of bek – kwam was een furieus gepiep.
      Scarlett lachte zachtjes, blijkbaar beheerste ze de vleermuistaal. Waarom ook niet. Hij zakte naar beneden en bleef op de tafel staan. Ongemakkelijk liep hij een stukje, waarbij hij zijn vlerken als voorpoten gebruikte. Erg comfortabel was het niet en hij uitte een gefrustreerde grom.
      ‘We hebben altijd al een connectie met vleermuizen gehad. Het is makkelijker om van gedaante te wisselen in deze vorm.’
      ‘Maar ik haat vleermuizen! En het is klaarlichte dag!’
      ‘Je moet je gewoon in de schaduwen verbergen.’
      ’Je moet verdomme opsodemieteren met al dit achterlijke gedoe. Ik ga naar mijn eigen fucking begrafenis, laat me op z’n minst zelf bepalen hóé ik erbij loop!’
      ‘Ik ben geen tovenaar, Juice. Mijn krachten zijn beperkt.’
      Juice geloofde er niets van. Hij voelde gewoon dat ze hem ook in een hond kon veranderen.
      Met een zucht gaf ze toe. Ze vouwde haar handen om hem heen en hij voelde dat zijn lichaam gloeiend heet werd. Zijn ogen zagen niets dan donkere vlekken, maar toen zijn zicht terugkeerde bevond hij zich hoger op de tafel. Hij keek naar beneden en zag een zwarte vacht met bruine vlekken op zijn poten en borst.
      ‘Je bent wel een puppy. Een Dobermann-puppy.’
      Juice sprong van de tafel af. Onmiddellijk voelde hij zich een heel stuk energieker en hij holde een paar rondjes door de kamer. Voor hij het wist, hing zijn tong uit zijn bek.
      Fuck, dit is echt te weird.
      ‘Nou Rakker, laten we gaan.’
      Juice wilde haar een boze blik toewerpen vanwege de duffe naam, maar in plaats daarvan gromde hij alleen. Haar hand gleed grinnikend over zijn hoofd.

Omdat Abigail wist dat Scarlett geen hond had en het een beetje vreemd was als het dier weer na een dag verdween, was het Ephraim die hem een halsband omdeed en aanlijnde. Waarom de man meeging, wist hij niet precies. Scarlett had hem verteld dat hij zich had voorgedaan als een stagiaire in het mortuarium en hij zou deze keer zelfs het afscheid leiden.
      Het regende zachtjes toen ze op de begraafplaats aankwamen.
      Ik laat je zo los, maar blijf in de buurt, droeg Ephraim hem op.
      De stem van de man voelde stroperig in zijn hoofd en gaf hem een lichte hoofdpijn. Zijn ‘oké’ kwam eruit als een zacht kefje. De vingers van de Duisterling dwaalden even langs zijn hals, daarna maakte hij de lijn los en stapte een gebouw binnen.
      Juice nam aan dat hij binnen niet gewenst was en dus struinde hij maar wat langs het kerkhof. Het duurde niet lang voordat hij bekende stenen zag. Half-Sack. Tara. Donna. Opie – een leeg graf, realiseerde hij zich. Gemma, zag hij tot zijn verbijstering.
      Een zwaar gevoel in zijn borst zorgde ervoor dat hij het moeilijk vond om terug te keren. Straks zag hij zijn eigen graf. Een lege kist.
      En Abigail.
      Zijn Abigail, die dacht dat hij dood was.
      Zijn ogen jeukten, tranen kwamen echter niet. Misschien konden honden wel niet huilen.
      De regen doorweekte zijn vacht en langzaam slenterde hij terug en ging op zoek naar zijn eigen steen. Het was een mooie grijze steen waar een gedicht in gebeiteld was:
      Softly the leaves of memory fall
      Gently I gather and treasure them all
      Unseen, unheard you are always near
      So missed so loved so very dear


Zijn naam, geboorte- en sterfdatum stonden eronder. Het was alsof hij het nu pas voor het eerst écht besefte. Hij was dood. Juice was niet meer.
      Wie of wat hij nu was, wist hij niet eens.
      Voetstappen leidden hem af. Er kwam een stoet aangelopen. Een aantal in zwart geklede mannen droegen de kist, Ephraim voorop. Normaal gesproken zouden het zijn broeders zijn geweest die de kist vasthielden. Nu waren het vreemden.
      En daar liep ze, achter de kist. Scarlett liep naast haar en hield een paraplu boven haar hoofd. Abigail droeg een zwarte jurk en een zwarte sluier, ondanks de slapeloze nachten en al het verdriet was ze nog net zo mooi als de dag dat hij haar voor het eerst had gezien. Haar hand flitste langs haar ogen terwijl ze tranen wegveegde. Een zielig geluidje ontglipte zijn lippen toen hij zag dat ze de ring droeg die hij haar nooit had kunnen geven.
      Zijn borst verkrampte. Hij wilde ook huilen, dat kon echter niet in deze gedaante.
      Er liep een kleine menigte achter haar aan. Meer mensen dan gedacht, realiseerde hij zich met een schok. Hij dacht dat Abigail de enige was die om hem zou rouwen, maar hij zag Chibs en Tig, Venus en Lyla. Zelfs zijn zus – en wacht, zelfs zijn moeder. Zijn zus huilde, en hij meende zelfs een traan op zijn moeders wang te zien.
      Van tussen de struiken keek Juice toe hoe iedereen dichterbij kwam. Op een paar meter van hem bleven ze staan. Haar parfum steeg boven die van alle anderen uit en het riep zo’n schrijnend verlangen in hem op dat hij zijn nagels in de aarde begroef.
      Er werden woorden gesproken toen de kist werd neergezet, bloemen werden erop neergelaten. Langzaam liepen de mensen langs en fluisterden een groet. Juice was te geëmotioneerd om te kunnen reageren.
      Abigail was de enige naar wie hij kon kijken.
      Ze bleef het langst bij het graf. Scarlett stond aan de ene kant naast haar, Ephraim aan de andere kant. Hij gromde zacht toen de man een hand op haar schouder legde. Het was niet eerlijk. Hij wilde haar ook aanraken, hij wilde haar ook vasthouden.
      Opeens begon ze te huilen. Ze zonk op haar knieën neer en huilde zo hartverscheurend dat Juice in elkaar dook. Zijn meisje, zijn liefde – ze had zo’n diep verdriet en dat terwijl hij helemaal niet dood was. Niet helemaal.
      Scarlett wilde naast haar neerknielen, maar Ephraim hield haar met een handgebaar tegen.
      ‘Ga jij maar naar haar toe. Ik denk dat je aanwezigheid haar meer zal kunnen troosten dan wij.
      Juice aarzelde. Hij was maar een hond. Ze zou hem niet herkennen.
      Toch kwam hij schoorvoetend uit zijn schuilplaats vandaan en liep naar haar toe. Bij iedere stap leken haar uithalen wanhopiger te worden. Het verscheurde hem, verstijfde hem.
      Hij ging tegen haar aan zitten en leunde met zijn kop tegen haar schouder. Ze keek opzij, keek hem recht aan.
      ‘Ik ben het,’ probeerde hij haar te vertellen. ‘Ik ben het lieverd.’
      Haar vingers streken over zijn natte vacht en het volgende moment omhelsde ze hem en begroef ze huilend haar gezicht tegen zijn kop. Haar tranen drupten op hem en hij rilde. Hij wreef zijn kop in een troostend gebaar tegen haar aan.
      Wist ze het maar.
      Wist ze maar dat hij het was.

Reacties (1)

  • VampireMouse

    Omg 😱 strsks maak je mij nog aan het huilen!

    1 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen