Foto bij 240. - Lucien

"Het verbaast me dat je ze nog niet bent aangevlogen." De herberg is verlaten, ik en Winoc zijn de enige twee. Emma is al naar bed, evenals de herbergierfamilie. Ik lach zachtjes, nippend aan de whiskey die Winoc meenam uit het paleis. Eigenlijk voor zijn ouders, maar 'wat niet weet, wat niet deert', zoals hij het zelf zei. Hoewel het bier hier goed te drinken is, merk ik dat, na het nemen van de eerste slok, ik de sterke drank stiekem best heb gemist.
"Ik heb op het punt gestaan, geloof me. Daar zouden we alleen ook niks mee opschieten. Er is niemand die zou geloven dat ik de échte prins ben, het zou er alleen maar voor zorgen dat ik in de cel eindig."
Winoc zucht. "Daar heb je ook wel een punt. Al hoop ik dat jullie wel akkoord gaan om hier iets aan te gaan doen. Dit kan zo niet, Lucien."
"Weet ik, weet ik. Nu jij hier bent moet dat makkelijker worden. Van jou is bekend dat je banden hebt met hogere officieren."
Hij grijnst. "Wat heb je eigenlijk gezegd over hoe wij elkaar kennen?"
"Oh, dat is een heel dramatisch verhaal geworden." snuif ik. "Ons dorp is een paar jaar terug geplunderd door een criminele bende. Alles werd platgebrand en we hadden niks meer. Als broekie in het leger was jij gestationeerd op een plek dichtbij en jullie kwamen om te helpen. Jij en ik raakten aan de praat tijdens de wederopbouw en de rest is geschiedenis."
"Onze machtsverhouding is enigszins verschoven, hoor ik."
"Haal je niks in je hoofd, hè?" zeg ik lachend. We proosten en alsof er in de afgelopen jaren niks veranderd is trekt Winoc een pakje kaarten uit zijn zak.

De dagen daarna slaat het weer om - de zon verschuilt zich achter de wolken, de warme zomerwind maakt plaats voor een bijna ijzige bries. Op een ochtend willen Emma en ik weer gaan slapen, in de veronderstelling dat het nog donker is, als Jehanne komt vragen of we willen helpen in de keuken. Het bleek al laat in de ochtend te zijn, maar door de donkere wolken die zich samenpakten op de horizon leek het nog nacht.
Het moment dat Emma en ik naar beneden komen kondigt Gilles aan dat vandaag de perfecte dag is om te trouwen. Meteen is het volk in de herberg enthousiast, wat ons de kans ontneemt om te weigeren. Eén blik op Emma vertelt me dat we dat toch niet willen. We gaan akkoord, al weet ik niet hoe deze mensen in een paar uur een bruiloft gaan plannen.
Het blijkt dat als ze hier zeggen 'weinig poespas', dat ze dat ook daadwerkelijk bedoelen. Vlak na de lunch worden ik en Emma naar een open veld begeleid. Emma draagt een zachtblauwe jurk, geleend van Jehanne. Haar haren zijn zorgvuldig ingevlochten en opgestoken. De jonge meisjes in het dorp zijn op zoek gegaan naar veldbloemen, die vervolgens in de vlechten zijn gestoken. Ze draagt geen make-up, geen juwelen behalve een dun, zilveren kettinkje dat we mee hadden om eventueel te verkopen. Ze is beeldschoon; ik kan mijn ogen niet van haar afhouden.
Ik ben eveneens onder handen genomen - gewassen en geschoren, en vervolgens in het zondagse goed van Simon gehesen. Werkelijk het hele dorp stond paraat te helpen. Ze zijn ook allemaal uitgelopen om de ceremonie bij te wonen; een groep van ongeveer vijfenzeventig mensen hebben zich om de boom verzameld.
Hoewel er geen zonsondergang op een warme zomeravond aan te pas komt, voelt dit moment bijna nog magischer. De lucht is donkergrijs, maar hier en daar kruipen er toch nog zonnestralen doorheen. Eén daarvan landt precies op de boom die wij hebben uitgekozen. Vincent voltrekt het huwelijk, grijnzend staat hij bij de boom als wij samen komen aangelopen. Wanneer we tegenover elkaar gaan staan knipoog ik naar haar; een talent dat ik niet heb, dus ze schiet in de lach. Er heerst geen enkele spanning.
We nemen elkaars handen, Vincent zegt wat, maar ik hoor amper wat precies omdat ik alleen maar heel verliefd naar Emma kan kijken. Als het tijd is voor onze geloftes, moet ik worden aangetikt om uit mijn trance wakker te worden. Het levert me zacht gelach op uit het publiek.
"Maria." De naam klinkt natuurlijk op mijn tong, alsof het zo moet zijn. "Maria. Maria. Maria. Elke keer dat ik je naam zeg, word ik verliefder op je. Als ik hem noem, kijk je me aan en ik hoop dat je daar nooit mee stopt. Je verwondert me, verbaast me. Ik heb je lief, zo veel dat ik soms het idee heb dat mijn hart in duizend stukken uiteen gaat spatten. En mocht dat ooit gebeuren, weet dan dat elk van die duizend stukken tot het einde der tijden aan jou zal toebehoren. Ik ben eindeloos dankbaar dat ik vandaag met je mag trouwen. Ik hoop dat het de eerste is in een reeks ongeplande avonturen die we samen beleven."
Emma kijkt me door haar tranen lachend aan. Heel voorzichtig veeg ik er eentje van haar kin. "Jouw beurt." fluister ik.
"Remí." begint ze. "In het begin vond ik je een lastpak. Ik vond je eigenzinnig en je volgde geen enkele regel. Uiteindelijk bleek dat precies waar ik het allerverliefsd op zou worden. Elke dag is met jou een avontuur, een droom, en ik hoop dat het nooit stopt. De toekomst is niet te voorspellen, maar zolang ik hem met jou mag doorbrengen vind ik dat niet erg. Niemand weet wat er komt na het leven, maar dat hoeft ook niet. Ook daar zal ik je vinden. Zelfs als ik ophoud te bestaan, weet ik je te vinden. Voor altijd zal ik de jouwe zijn."
Mijn woorden blijven steken in mijn keel. Nog steeds kan ik haar alleen maar heel verliefd aankijken; Vincent bindt een lint om onze verstrengelde handen. Het ding is versleten en gerafeld, maar traditie zegt dat het geluk van alle stellen die er ooit mee zijn getrouwd nu aan ons wordt overgedragen. Vincent heeft zijn handen amper terug getrokken voordat ik Emma in mijn armen trek en haar kus.
Alsof God het zo bedoeld heeft horen we diep gerommel, schiet er een flits door de lucht en voelen we de eerste druppels op onze huid.
"Ik hou van je." fluistert Emma tegen mijn wang. "Zo, zo, zo ontzettend veel."
"Ik ook van jou." We moeten terug of we zullen volledig doorweekt zijn, maar ik wil nog niet. "Emma, Maria, het maakt me echt niet uit. Ik hou gewoon van je."

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen