Een zwart grote draak komt aanvliegen op een lege vlakte. Zijn klauwen en bek bebloed.
Zijn felle diep blauwe ogen lijken bijna licht te geven tijdens het schemeren. Twee jongere draakjes leken hem op te wachten, maar de grotere leek niet dat geïnteresseerd in ze.
“Waar ben je geweest?” Vroeg de zwart groene jonge draak die met een scheve kop hem aankeek. Waarbij hij antwoorden met wat stomende lucht uit zijn neusgaten. En met de woorden. “Gaat je niets aan.”
De zwart groene draak zuchtte diep en wandelde van hem af om vervolgens tegen een boom aan te liggen.
“Wat heb je nu weer vermoord? Een groep herten? De wezens van een dorp hier verderop?” De zwart rode jongere draak was niet zo onder de indruk van zijn ongeïnteresseerde antwoord en vroeg dus door.
“Oh? Heeft dat dorp weer wat volk? Misschien moet ik ze een bezoekje brengen binnenkort.” De jongere draak schudde teleurgesteld met zijn kop en wandelde dan ook maar van hem weg.
“Och Za’afiel, je ruikt wel erg lekker hoor!” Een rottweiler stond voor de zwarte draak dat de naam Za’afiel scheen te hebben, en kwispelde blij en geïnteresseerd met zijn staart.
De zwarte draak begon te buigen, zodat zijn kop dichter bij de hond kwam.
“Als je het zo lekker vindt ruiken, misschien moet ik mijn bek maar open doen, zodat jij je kan verenigen met al die heerlijke geurtjes.” De draak begon te grijnzen waarbij de hond stopte met kwispelen.
“Laten we dat maar niet doen…” Hij zette een paar stappen achteruit en ging weer terug zitten bij zijn vriend. Een Akita inu achtige hond.
“Waarom zijn we eigenlijk gebleven bij deze groep? We zijn geen eens draken.” De rottweiler draait zich om naar zijn sprekende vriendje en weet eigenlijk niet echt het antwoord op die vraag.
“Ik weet het niet, Noë… Misschien komt het door het gratis voedsel wat we soms kunnen krijgen.” Noë keek zijn vriend kort aan alsof dat nooit het antwoord kon wezen, maar om eerlijk te zijn wist hij echter ook geen antwoord.
“Laten we gewoon zeggen dat, dat het antwoord is,” knikte Noë rustig.

De zwart groene draak keek zijn broer aan wanneer hij naar hem toe wandelde.
“Zeg maar niets, ik weet ook niet wat ik hiervan moet zeggen.” De zwart rode draak kwam naast hem zitten en keek toen richting Za’afiel.
“Je zou van een vader toch verwachten dat hij iets om ons zou geven.” De zwart groene draak keek op naar de ander wachtend op een antwoord, maar zijn broer leek meer geïnteresseerd in het bekijken van hun vader Za’afiel.
“Weet je zeker dat je wat anders van hem zou verwachten dan, Kevalth?” De zwart groene draak met de naam Kevalth leek te zuchtte. Hij zou het niet erg hebben gevonden als zijn vader eens meer naar zijn kinderen omkeek. Het was al erg genoeg dat ze hun moeder hadden verloren kort na hun geboorte, en aangezien deze jonge draken net een jaar oud zijn maakte dat hun nog redelijk afhankelijk van hun vader. In deze situatie hadden ze geen keus om vroeg volwassen te worden, maar niemand had gezegd dat het makkelijk was om op te groeien in een draken familie.
“Czabock? Ik heb honger…” Kevalth legde zijn hoofd neer en keek met zijn ogen op naar Czabock.
“Ik kan wel wat proberen om wat te vangen, we kunnen anders proberen vis te gaan vangen, dat lukt meestal wel.” Czabock leek eindelijk klaar te zijn met staren naar hun vader, en stond toen op om op weg te gaan wandelen.
“Klinkt niet als een slecht plan.” Kevalth stond toen ook maar op, en wandelde samen met zijn broer naar het water om een poging te wagen vissen eruit te slaan.
Deze wezens leefde dus in een openlucht, vlakbij een meer en een bos. Hoe de honden en draken bij elkaar bleven wonen was misschien een vreemd raadsel, maar ze gaven elkaar ieder geval gezelschap enigszins.
Terwijl de jonge draken aan het vissen waren, hoorde ze wat ritselen verderop. Kevalth keek als eerste om, terwijl Czabock nog wat vissen uit het water probeerde te halen.
“Wat is dat?” vroeg Kevalth terwijl hij richting het bos keek.
“Dat zijn bomen,” zei Czabock terug wat bijna als een serieus antwoord klonk.
“Dat was niet wat ik bedoelde, ik bedoelde dat.” Met zijn klauw liet Kevalth zien wat hij bedoelde.
Tussen de bomen en struiken leek een gewaad steeds dichterbij te komen. Het werd steeds groter en groter. En niet veel later begon het eruit te zien als één bruine vlek.
Ondertussen keek Czabock op en keek er ook aandachtig naar. Het bruin gekleurde gewaad leek nog steeds dichterbij te komen, en wanneer het dicht genoeg kwam, zagen ze dat het een bruine draak leek te zijn die angstig wegrende van… Iets. Er leek niets te zijn, maar wat het ook was. Het moest echt iets engs zijn geweest.
De draak rende door tot hij uiteindelijk het meer bereikte. Wat hem zonder enige moeite liet verdwijnen onderwater.
De draak schrok op en begon vermoeiend te hijgen wanneer hij aan de kant van het meer kwam.
“Ik ben D’agon,” hijgde de draak.
Czabock en Kevalth keken elkaar aan, ze wisten niet hoe ze precies hierop moesten reageren.
“Aangenaam… Ik ben Czabock.” D’agon probeerde te knikken maar bleef hijgend liggen. Hij zag er niet uit als een gewone draak. Hij leek iets molliger en steviger. Een soort aarde draak, om het een simpele beschrijving te geven. De vleugels leek ook niet groot genoeg om hem te kunnen dragen. Wat misschien wel meer weggaf dat het een aarde draak was.
“Laat mij maar hier even liggen…” Kevalth en Czabock knikte en ging met de vis vandoor, maar voordat ze vertrokken gaf Kevalth hem een paar visjes waarbij D’agon een beetje van moest glimlachen.
De jonge draken gingen terug naar hun eerdere lig plek bij de boom. En begonnen daar aan hun maal. Za’afiel leek totaal niet geïnteresseerd en had blijkbaar besloten een dutje te gaan doen.
De honden daarentegen. Zij waren het bos ingevlucht om te schuilen van deze nieuwe aanwinst.

Reacties (1)

  • Promare

    Natuurlijk zijn er draken :')

    1 maand geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen