Foto bij 243 - Emmeline

Vanaf het moment dat ik weet hoe de avond er uit zal zien, bonst mijn hart in mijn keel. Ik houd het dienblad maar amper recht, zo erg trillen mijn handen.
Lucien werpt me zo af en toe vanaf de andere kant van de kamer een glimlach toe.
Ik schenk regelmatig het glas van de zogenaamde prinses regelmatig bij, te regelmatig als je mij vraagt. De prins houdt zich wat meer in, hij is overduidelijk de iets intelligentere van de twee.
"U ziet er uitstekend uit voor iemand die recentelijk een kind heeft gekregen," complimenteert de hertog de prinses. "Mijn felicitaties, overigens."
Ze glimlacht en neemt de complimenten met enthousiasme aan. Ze kirt over wat een geweldig, prachtig kind het is. Dat hij zo goed alles kan dat een kind van zijn leeftijd zou moeten kunnen. Hoe veel hij op haar lijkt.
Nee, wil ik schreeuwen, hij lijkt niet op jou, of op mij. Hij lijkt op zijn vader.
"Julien Louis Jacques Reginald Castellon," hij heft zijn glas. "Wat een mond vol, maar wat een prachtige naam."
"Ach," neemt de prins over, "we hebben er niet al te lang over na hoeven denken."
"Nee, de vernoemingen zijn een prachtig gebaar. Naar jullie beider vaders, en...?" de hertog doet alsof hij niet weet waar de tweede naam vandaan komt, terwijl hij goed op de hoogte is van onze familiegeschiedenissen. Hij heeft in een grijs verleden nog handel gedreven met een van onze gewesten, toen nog geleid door mijn broer.
"Oh, niets bijzonders," wuift de prins het weg, "geen vernoeming."
Over mijn overleden broer is bij het Franse volk immers niets tot nauwelijks iets bekend. Mijn ouders houden hem stil, en er is niemand die nieuwsgierig is naar de overleden kroonprins van Schotland. Ze weten niet beter dat mijn oudere broer nu kroonprins is.
De manier waarop hij over hem spreekt, niets bijzonders, zorgt er alleen nog meer voor dat ik de kan met wijn op zijn hoofd kapot moet slaan.
De zoveelste glimlach van Lucien. Jehanne, die van een paar meter verderop met een vragende blik naar me kijkt. Ik kijk echter strak vooruit, laat het gesprek over me heen glijden.

De hertog en de andere gasten spreken over onderwerpen die me niet interesseren, en dat is maar goed ook.
Telkens als het gesprek persoonlijker wordt, en dat gebeurt elke vijf minuten, erger ik me groen en geel aan alle onwaarheden die de oplichters spuwen.
De mensen die weten van het bedrog proberen het gesprek telkens zo te sturen dat nog een beetje van het zorgvuldig gesponnen verhaal van de oplichters begint te ontrafelen.
Zo hebben ze Julien al vier maanden ouder gemaakt dan hij werkelijk is, hebben ze geen weet over 'de situatie in Portugal' en dachten ze bij het noemen van een aantal namen aan hele andere personen.
Meerdere mensen aan de tafel beginnen, duidelijk zichtbaar, vraagtekens te zetten bij hun gedrag. Jammer genoeg lijken er nog te veel mensen overtuigd van het hele toneelstuk, of schuiven ze het af op de wijn, die in overvloede vloeit.
Als ik naar de gang loop om mijn kan bij te laten vullen, schiet Jehanne me aan.
"Maria? Gaat het goed? Je ziet zo bleek," ze legt een hand op mijn schouder.
Ik knik. "Ja.. Ja, prima. Ik voel me gewoon niet helemaal lekker. Een beetje moe, en ik mis..."
"Julien. Ja, dat snap ik. Toevallig, dat jullie zoon dezelfde naam heeft als die van de prins en prinses. Hebben jullie hem vernoemd?"
"Zo zou je het kunnen noemen, ja..." Het ophouden van de schijn wordt me elke seconde een beetje meer te veel. Ik gris een leeg glas van een tafel, giet het vol met wijn en sla het glas achterover.
Jehanne kijkt me met open mond aan. "Dat kun je niet zomaar doen!"
Ik veeg mijn mond af met de rug van mijn hand. "We betalen het je vader terug, maak je geen zorgen."
"Wat zullen de prins en prinses wel niet denken als ze wijn ruiken in je adem?"
"Denk je echt dat ze dat zullen ruiken? Die twee halve zolen zijn zelf al te ver heen om hun verhaal goed te vertellen!" Ik sla mijn hand voor mijn mond en hoop en bid dat Jehanne niet meteen moord en brand gaat roepen.
Ze kijkt me nog geschokter aan. "Dat kun je niet zeggen..."
"Ik...," ik zet het glas terug. "Het spijt me dat je dat moest horen. Ik voel me gewoon.."
Hoe voel ik me eigenlijk? Gefrustreerd, vermoeid, woedend. Emotioneel, door alle verhalen, en door het gemis van mijn kind. Verdrietig, omdat we afscheid moeten nemen van dit zelf opgebouwde leven. Angstig, dat mensen zometeen woedend op ons zullen zijn als ze horen dat we tegen ze gelogen hebben.
"Raar. Sorry."
Ze pakt haar eigen kan. "Hopelijk kunnen we zo naar huis. Je ziet er uit alsof je de slaap goed kunt gebruiken."

In de zaal hangt een rare sfeer als we allebei terugkeren.
De toon van het gesprek wordt met de seconde minder vrolijk, maar aangezien de bedriegers nog aangesproken worden met 'prins' en 'prinses', lijkt de echte bom nog niet gebarsten.
Ik voel me niet goed, dat besef ik me ook elke seconde meer en meer. Zenuwachtig, duizelig..
Maar Lucien staat nog steeds aan de andere kant van de zaal. Hij heeft zo af en toe oogcontact met de hertog, die hem dan bemoedigend toeknikt. Nog heel eventjes, zegt hij dan zonder geluid tegen mij. Houd nog heel eventjes vol.
Maar ik kan niet meer. Niet meer heel eventjes wachten, geen minuut langer van deze oplichters die onze naam zwart maken, mensen het leven zuur maken en er zelf alleen maar beter van worden. Ze verdienen dit mooie leventje niet meer, zeker niet als ze alleen de mooie dingen krijgen.
De verhalen, de rijkdom, het aanzien. Maar niet het verdriet van een agressieve echtgenoot verliezen, aangevallen worden door het Portugese koningshuis, een moordaanslag door je eigen schoonvader. Het gemis van je kind. Dat is nog wel dat me het meest dwars zit. Ze gebruiken zijn naam als dat van hun eigen kind, maar ze hoeven hem niet te missen. Gebruiken hem alleen maar als een goed verhaal.
Dat lieve, onschuldige jongetje, met krullen en ogen die exact die van zijn vader zijn.
En nog voor ik mezelf kan tegenhouden, heeft mijn mond al gesproken. "Schaamt U uzelf niet, prinses?"

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen