Foto bij 246. - Lucien

Buiten schijnt de zon. Ze baant zich een weg door de luiken en wekt ons met haar warme gloed. Er fluiten vogels. Vogels die ik thuis nooit eerder heb gehoord. Het voelt alsof ze speciaal voor ons zingen. Ik trek Emma dichter tegen me aan, nestel mijn neus in haar hals en adem haar in. Ze ruikt naar Maria. Maria ruikt naar de harde zeep die we hier gebruiken, naar bier en alle geurige kruiden die in overvloed worden gebruikt in de keuken. Maria ruikt naar het normale leven.
"Goedemorgen." fluistert Emma.
"Goedemorgen, schoonheid." fluister ik terug. Tot de morgenstond stonden we gisteren samen achter de bar, te drinken met de stamgasten. Naast de teleurstelling over de oplichters leken mensen wel degelijk door te hebben dat Remí en Maria ook afscheid aan het nemen waren. Vandaag is dat dat ook werkelijk zo. Vandaag gaan we ze vertellen wie we echt zijn. Ik ben ontspannen. Ik mis mijn moeder en Eschieve en Sebastien. Ik mis de onstuimigheid van Parijs, hoe bekakt ze daar ook kunnen zijn. Ik mis de bibliotheek. Ik mis Julien.
Voor het eerst, realiseer ik me, meen ik dat echt. Ik vertel mezelf niet dat ik me zo voel omdat het van me verwacht word. Ik mis mijn zoon, zo erg zelfs dat me hem voorstellen een steek door mijn hart jaagt.
"Klaar voor?"
Emma knikt. Ze kust me, voor de laatste keer als Maria. Edouard heeft vanuit zijn huis kleding laten komen die meer geschikt is voor een koningspaar, als eerste aanwijzing voor de mensen hier. De stof is zo zacht dat hij slijmerig voelt tegen mijn huid. Blijkbaar trek ik er een vies gezicht bij, want Emma schiet in de lach. "Het went wel weer." belooft ze.
"Nooit gedacht dat ik die krabbelige kleding zou gaan missen." We vouwen de kleding netjes op om het zo terug te geven aan Jehanne en haar vader. Dan kunnen zij bepalen wat ze ermee gaan doen. Momenteel lijkt het erop dat ze de kamer gaan omzetten tot een soort mini-museum.
Emma strijkt haar rok glad. De jurk is een zachtoranje kleur die het roze in haar wangen omhoog haalt. Haar krullen heeft ze vakkundig in elkaar gedraaid en op haar achterhoofd vastgepind. Ze ziet er bijna weer uit zoals thuis. Mijn pak is van een rijke, zwarte stof met een goudgekleurde riem. Het voelt bijna buitenaards om weer zoiets aan te hebben, al is het niks bij de kleding die we in het paleis krijgen. Emma biedt me haar hand aan. "Het is echt tijd om te gaan."
Ik kus haar voorhoofd met een glimlach. "Het was me een eer tijd te mogen doorbrengen met je, Maria."
"Ik zal je missen, Remí."

"Stiekem wist ik het altijd." Bernard klapt me op mijn bovenarm. "Veel te welbespraakt voor een Zuidenaar." Zo zijn er wel meer mensen die zeggen het 'altijd geweten te hebben'. Anderen zijn stomverbaasd, en weer anderen denken dat ze opnieuw in de maling worden genomen. Pas als Jehanne het voorval bij het diner herhaalt, geloven ze ons.
We lachen met deze mensen, die in de afgelopen tijd bijna familie zijn geworden. Dagelijks zagen we elkaar, dronken we met elkaar. Aan dit leven ga ik niet alleen Maria missen. Ook deze mensen, stuk voor stuk, zullen een stukje van mij in hun hart houden dat ik niet mee terug kan nemen naar huis.
We schenken nog wat drank, want 'dat is beste remedie tegen een kater', aldus Simon. En dan wordt er nog meer geschonken, want waarom zou je drinken als je er niks van voelt. Ik en Emma houden af, wetend dat wij te paard terug naar het noorden gaan. Onze identiteit mag dan bekend zijn, er is geen koets voor ons gestuurd. We moeten alsnog zelf de weg terug zien te vinden, zij het onder begeleiding van Winoc. Die is op dit moment afscheid aan het nemen van zijn ouders, die hij niet half zoveel gezien heeft als de bedoeling was op deze vakantie. Ik heb hem gisteravond al tig keer beloofd dat - zodra de kroning achter de rug is - hij het nog eens over mag doen, maar daar wilde hij niks van horen. Emma en ik waren het er vrij snel over eens dat als hij zelf niet gaat, dat we hem wel dwingen.
Het is al veel te laat, we hadden allang vertrokken moeten zijn. Winoc staat, glimlachend en met zijn armen over elkaar, tegen de deurpost geleund terwijl hij wacht en wij ons laatste afscheid nemen. Er wordt op ons geproost, en dan nog eens en dan nog eens. We worden bedankt, toegejuicht en bejubeld. Tegen de tijd dat we eindelijk op het paard zitten zijn er nog maar een paar uren daglicht over. Ach, zo zij het.
Het hele dorp is uitgelopen om Maria en Remí uit te zwaaien. Kleine kinderen rennen achter ons aan tot hun kleine beentjes ze niet meer kunnen dragen. Emma en ik zitten bijna achterstevoren in ons zadel, zwaaiend naar de menigte die blij terug zwaait. Een bitterzoet einde voor een fantastisch avontuur. Ik had van te voren niet durven dromen dat het hierop uit zou lopen, met of zonder dubbelgangers.
Thuis roept de plicht. Ik ben me bewust van het feit dat de kroning niet lang meer op zich zal laten wachten. De voorbereidingen zullen al in gang zijn gezet. Niet eerder voelde ik me er zo klaar voor als dat ik dat nu doe. Schijn, misschien. Een high waar ik op zit na de warme tijd op het platteland.
Dan pas merk ik dat Emma naar me zit te staren. Ik grijns naar haar. "Wat?"
Ze schudt haar hoofd. "Niks. Ik probeer je gewoon zo goed mogelijk te herinneren. Als Remí."
"Ongeacht hoe onze toneelspeler eruit zag, zien Remí en ik er wel hetzelfde uit, schoonheid."
Er schiet iets van weemoed door haar ogen, maar het verdwijnt al snel. "Dat klopt, maar Remí heeft een baard. Ik heb zo het vermoeden dat hoe je er nu uit ziet, je moeder je niet eens zal begroeten, maar je direct doorstuurt naar de barbier."
Ik wil een gevat antwoord teruggeven, maar besef me dat ze gelijk heeft. "Gelukkig ben ik zonder baard net zo knap."

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen