Een nacht vervolgde, het enige waar D’agon aan kon denken op dit moment was de pijn. Het voelde alsof iemand hem van binnenuit probeerde te verbranden. Hij schreeuwde het uit, terwijl iedereen er wakker van werd.
“Kan iemand die jankerd laten ophouden met krijsen, zou ik heel erg waarderen.” Za’afiel draaide zich simpelweg om, in een poging het gekrijs van D’agon te negeren.
“Wees niet zo egoïstisch, D’agon lijdt van pijn.” Czabock stond op, sinds hij tegenwoordig bij hem sliep.
Opnieuw probeerde Czabock met zijn spreuk hem te genezen, maar opnieuw vond hij niets.
“Ik snap het niet… Er zou iets moeten zitten, maar het enige wat ik kan vinden is niets.” Czabock kijkt op naar Kevalth, die erbij kwam te staan.
“Er zit daadwerkelijk wel iets, ik denk niet dat iemand uit het niets zo zou krijsen.” Czabock schudt zijn kop alsof Kevalth niet begreep wat hij zojuist bedoelde.
“Ik bedoel, er zit letterlijk niets.” Kevalth keek hem maar zonder begrip, wat zou hij nou bedoelen met ‘letterlijk niets’, dat klinkt alleen maar vreemd.
Na een korte tijd van creperen, leek het weer even beter te gaan met D’agon, hij lag daar maar, zwaar te ademen. Czabock hoopte nog dat hij wakker zou worden, maar het zag er niet goed uit.
“Ieder geval is dat mormel gestopt met schreeuwen,” kwam er nog uit Za’afiel voor hij verder probeerde te slapen.

“De grote wezens gedragen zich maar raar, Noë.” De rottweiler keek naar hem om weer terug naar de draken.
“Er zal vast wel iets ernstigs aan de hand zijn, maar hij lijkt niet gewond. Ik ruik geen bloed, misschien is hij ziek.” De rottweiler schudde zijn kop, “Dan zouden we dat toch ook wel ruiken?”
De Akita rekte zich even uit en wandelde toen naar het bos toe, achtervolgd door zijn zwarte vriend.
“Waar ga je heen?” vroeg hij hem nog na, maar Noë leek niet echt te antwoorden.
Ze wandelde even door het bos, het had geen vast pad, alles leek dichtgegroeid, maar ze wandelde naar een ander meer.
“Ik zocht gewoon een andere plek om te liggen,” Qyma draaide zijn kop even scheef, en ging toen naast hem zitten.
“Je bent ook maar een rare, we hadden daar ook een prima meer om te liggen, die draken hebben ons nog nooit aangevallen.” Noë bleef opnieuw stil, misschien was hij al in slaap gevallen, Qyma dacht dat tenminste, en ging zelf probeerde zijn ogen te sluiten.
Niet veel later stond Noë weer op, en staarde Qyma aan terwijl hij sliep. Dat was het enige wat Noë deed. Staren naar zijn vriend, tot hij weer terug ging liggen.

Czabock lag naast D’agon toen D’agon wakker werd, kreunend en al. Het liet hem overeind schieten, meteen te bedenken wat hij nu voor D’agon kon betekenen.
“Hey, jonge draak.” Hij probeerde een lach door zijn pijn heen te persen, en keek hem toen wat afwezig aan.
“Ik ga het niet overleven, of wel?” Czabock keek hem alleen aan voor hij begon te spreken.
“Is er misschien iets wat je ons moet vertellen? Wat er precies gebeurd is?” D’agon keek kort op naar Czabock en verlegde zijn kop toen, er was daadwerkelijk iets, maar of hij dat ook ging zeggen?
“Ik weet niet wat er gebeurd is, jongen.” Hij klonk verdrietig, en bleef maar staren in afwezigheid.
“Het was zeker iets dramatisch, maar je moet het mij vertellen, anders kan ik je niet helpen.” D’agon kwam voorzichtig overeind en schudde toen zijn kop, hij durfde Czabock niet meer aan te kijken.
“Ze stopte iets in me, een naald. Spraken een vreemde taal, en… Ik brak uit. Ik weet niet meer dan dat, het was vrij koud en hard. Meer dan dat.” Opnieuw schudde hij zijn kop. “Je hebt niets aan deze informatie.” Czabock keek met een bezorgde blik naar hem, maar inderdaad, hij wist niet wat hij hiervan moest maken en keek toen even van hem weg om te denken.
“Ik voelde letterlijk niets met mijn spreuk, alsof er niets meer zat. Mijn gok is, is dat iets is veranderd waardoor ik het niet kan voelen met magie. Of je bent dood aan het gaan van binnenuit… Dat klinkt nog gruwelijker.” Het werd eventjes stil nadat Czabock dat zei, hij ging opnieuw liggen en liet D’agon ook rustig neer komen.
“Als dit echt mijn dood zou zijn, dan snap ik waarom ze geen moeite deden mij achterna te zitten. Ik zou dan toch als dood opgeschreven worden.” D’agon klonk verdrietig en sloot zijn ogen. Hij zuchtte nog even diep en zwaar, Czabock wist niet wat hij voor hem kon doen. Hij keek hem aan, wachtend tot hij in slaap viel, maar hij kon zichzelf niet eens lang wakker houden. Hij blijft een jonge draak.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen