Noë sprong het water in om simpel weg te gaan zwemmen, Qyma vond dat wat minder leuk. Hij stond aan de kant te staren naar zijn harige vriend. Hij zag hoe zijn vriend rondjes zwom, en eenmaal aan de kant nam Noë nog zelfs de moeite zichzelf schoon te maken. Alsof het enig nut had om jezelf schoon te houden als hond.
“Wat doe je?” kwam er bot uit Qyma, die Noë aanstaarde met verwarring.
“Ik heb liever geen vuil in mijn vacht, anders ga ik eruit zien als een van die stenen.” Qyma trok een nog vreemder verward gezicht en schudde toen zijn kop even snel uit om die woorden uit zijn kop te krijgen.
“Ik heb nog nooit een hond moeite zien doen om zichzelf schoon te houden, en ik dacht dat ik je goed kende.” Noë keek op en wandelde langs Qyma.
“Ik was mijzelf normaal in de nacht, ditmaal sliep ik de gehele nacht door.” Noë wist dus niet zelf dat hij maar de helft van de nacht heeft geslapen, maar niemand was daar om dat tegen hem te vertellen.
“Ik blijf het maar vreemd vinden.” Qyma wandelde uiteindelijk achter Noë aan, weer terug naar de rest.
“Zijn we nou alleen maar weggelopen om geen gekreun te horen van D’agon?” zei Qyma terwijl hij nog achter hem aan liep, waarbij Noë simpelweg met “yep,” antwoordde.

Kevalth stond op en keek met onderzoekende ogen naar D’agon, Czabock en D’agon sliepen beide nog, dat gaf hem vrij zicht op wat er was.
D’agon lag op de zij waar hij natuurlijk geen pijn had, en als Kevalth eenmaal op een steen stond dat hem wat groter leek maken, kon hij nog beter staren naar D’agon’s zij.
Wat was het zelf dat hij zag? Hij zag een gat dat groter leek te zijn dan in het begin, nog even en hij kon zijn vinger erin duwen, niet dat hij dat wilde, maar op die manier kon je de grote ieder geval vergelijken.
D’agon was een bruine draak, met een lichtbruine overgang tot zijn buik, maar op zijn zij leek het meer grijs. Heel het structuur leek anders te zijn dan je zou verwachten van een draak.
En het bewoog.
Het verspreide zich ditmaal snel genoeg om het met het oog dat te kunnen zien.
Kevalth schrok ervan toen dat opmerkte en zette een paar stappen achteruit.
Hij liep met een grote boog om D’agon heen om vervolgens Czabock een duwtje te geven.
“Hey, Czabock…? Ik wil je niet lastig vallen… Maar… D’agon ziet er niet heel gezond uit.” Toen Czabock niet zo snel wakker werd, duwde hij nog een paar keer harder.
“Czabock?” Na wat flink porren kreunde Czabock wakker en keek hij lichtelijk chagrijnig op, hij hield er niet zo van om wakker gemaakt te worden. Blijkbaar was dat dus anders als hij wakker wordt van iemand anders gekreun, gelukkig was daar nog enigszins logica in te zien.
“Kevalth, wat is er?” vroeg Czabock bot.
Kevalth keek van Czabock naar D’agon en wees toen heel voorzichtig naar zijn zij. “Dat is volgens mij niet okay…” zei hij met een voorzichtige stem.
Czabock keek ernaar en moest even zijn ogen een paar keer knipperen voor de informatie goed binnen kwam, hetgeen dat op D’agon zat, verspreidde zich over het lichaam.
“Nee, dat is zeker niet oké.” Czabock keek er wat dichter op, maar vertrouwde het zeker niet.
Voor een derde keer gebruikt hij zijn magie om nogmaals te kijken hoe het zat met D’agon’s wond. Opnieuw vond Czabock niets, maar hij merkte wel op dat hij nog meer ‘niets’ vond dan hiervoor.
“Wat het ook is, het groeit steeds sneller. Als het zo door gaat duurt het niet lang tot het heel zijn lichaam heeft overgenomen. Wat nog meer beangstigender is, is het feit dat D’agon niet ademt… Maar… Hij lijkt te leven? Ik weet niet wat er gaande is.” Czabock keek gestrest naar Kevalth die natuurlijk ook niet wist hoe hij hierop moest reageren, Czabock is degene die tot nu toe de dokters rol had overgenomen, hijzelf wist niets ervan.
“Misschien moeten we hem proberen wakker te maken?” Kevalth had al heel wijs een aantal stappen naar achteren gezet. Hij verwachtte dat Czabock hem zou wakker maken.
“Ja, dank je voor dat voorstel, ik zie alweer waar dit heen gaat.” Czabock keek met een neutrale blik naar Kevalth terwijl Kevalth een schamend lachje maakt.
Czabock draaide toen weer om naar D’agon, en wist niet precies hoe hij dit moest gaan doen, hij wandelde even om D’agon heen en tikte hem aan op zijn wang.
“D’agon? Zit er nog leven in je…?” Er kwam geen reactie van hem af, en dat maakte hem eigenlijk verdrietig. Ondanks het maar 4 korte dagen was dat D’agon hier was, hij was erg gehecht geraakt aan D’agon. Hij vertelde al best wat interessante dingen, en had graag meer van hem willen leren.
“D’agon, alsjeblieft, laat ons niet in de steek, niet nu… Ik heb niet eens de kans gehad… Je te helpen…” Czabock zat bij zijn kop, en tikte het nog een aantal keren aan, D’agon leek niet wakker te worden.
“Misschien heeft die virus hem dood gemaakt, en eet het hem nu verder tot er niets meer over blijft… Dat zou een hele efficiënte virus zijn…” zei Kevalth terwijl hij vanaf een afstandje keek.
“Een virus doet dat niet, klinkt meer als een bacterie dan… Als het een virus was, zou het nu proberen verder te leven in ons.” Czabock zei dat nog rustig, maar kon zijn ogen niet weg houden van D’agon.
Toen opeens, kwam er een kleine glimlach op D’agon’s gezicht. “Ik heb je nog niet verlaten, jong.” Zijn ogen opende en dat liet Czabock ook glimlachen.
“Daar ben je weer,” zei hij met vreugd.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen