Het schuiven van metaal is nogal een luid geluid. Niet fijn om aan te horen. Sinds dat Za’afiel had verteld waar D’agon last van heeft, of beter gezegd, wordt. Ging het de volgende dagen redelijk rap. In plaats van dat het zichtbaar was dat het spul zich verplaatsten, was het hoorbaar. D’agon werd steeds wanhopiger en wist niet wat hij moest doen. Hij probeerde het van zich af te trekken, maar tevergeefs. Het leek alsof hij geen kracht genoeg had om het te laten bewegen. Hij smeekte Czabock om hem te doden, maar dat was niet wat Czabock ooit kon doen. Za’afiel zag er het plezier niet in, D’agon leed al zoveel, precies de reden waarom Za’afiel hem niet zou willen vermoorden. Kevalth was in de tussentijd nog niet terug gekomen, maar ze wisten wel dat hij terug zou komen. Hij kon niet lang zonder zijn broer, en misschien lag hij gewoon ergens te verstoppen in de buurt. Het geluid van het schrapende metaal was reden genoeg om niet in de buurt te komen.
Op het moment kwam D’agon in de laatste stadia van zijn lot.
Het was stil, zo ontzettend stil.
Czabock kon de bladeren van de bomen horen ritselen, het geluid van natuur kwam eindelijk weer boven dat van D’agon uit, en dat voelde fijn. Compleet rustgevend zelfs.
Czabock maakte een hele diep zucht, en terwijl hij uitademde voelde hij zichzelf weer rustiger worden.
De bruine kleur dat D’agon ooit had gehad, was nu vergaan tot een saai grijze kleur. Zijn stevige bouw bleef, en ergens kon je wel zien dat het nog steeds D’agon was.
Czabock keek hem aan, maar zijn blik had geen specifiek emotie. Misschien kwam dat omdat hij niet wist hoe hij zich moest voelen. Misschien voelde hij zich schuldig over het feit dat hij D’agon niet kon helpen. Of misschien voelde hij verdrietig, omdat hij het gevoel had dat hij zijn vriend kwijt is. Of juist blij, omdat in een bepaalde manier, hij nog steeds bij hem is.
Maar wanner wordt D’agon eigenlijk wakker?
“We kunnen hem nu wel uit zijn lijden verlossen,” Za’afiel kwam grijnzend aanlopen, het feit dat de smeekpartijen voorbij zijn betekend dat, dat D’agon hem geen plezier meer bracht, of te wel, D’agon mag nu eindelijk sterven van hem.
“We gaan niemand uit hun lijden verlossen.” Za’afiel sloot zijn ogen kort en knikte begrijpelijk.
“Dat is waar, we vermoorden niemand als we dat blik verwoesten.” Czabock keek snel, maar woest naar zijn vader. Hij was er totaal niet mee eens wat hij zei.
“We gaan niemand vermoorden, ga terug naar je plek…” Za’afiel grinnikte opnieuw en wandelde maar weer terug naar zijn plek.
De twee honden hebben een plekje bij Czabock gevonden en zijn daar gaan liggen, ondanks dat draken en honden niet goed horen te gaan bij elkaar, Czabock zou ze vast wel gaan missen als ze opeens zou verdwijnen. Die twee honden waren namelijk een betere steun dan zijn vader ooit zou zijn. En dan is er nog Kevalth, die nog steeds niet was terug gekomen. Hij begon nu wel echt zorgen om hem te maken, maar hij gaf de hoop niet op, op hem.
Czabock keek om naar de honden. “Ik ga Kevalth zoeken, blijven jullie maar letten op D’agon.” De honden draaide hun koppen vragend scheef.
“Kunnen wij niet beter Kevalth zoeken? Wij kunnen hem wel opspeuren als je wil?” Czabock glimlachte naar ze en schudde toen zijn kop.
“Wij draken hebben ook een sterke neus hoor, helaas iets minder goed om te speuren naar ziektes, maar als het gaat om wezens vinden zijn wij best goed,” lachte hij.
De honden knikte en bleven bij D’agon liggen, terwijl Czabock naar het bos liep, de kant op waar Kevalth voor het laatst was gezien.
Czabock zocht rond, door het bos. Probeerde een geur op te vangen van zijn broer, maar leek het niet te kunnen vinden. Misschien had hij toch die honden moeten vragen, hij wilde het niet opgeven.
Na een tijdje kwam hij bij een vreemd gebouw, een gebouw dat leek af te stammen van de mensentijd, aangezien de mensen de enige waren die grote gebouwen maakte… Zover ging zijn kennis over de mensheid nog. Zou Kevalth hier in de buurt zijn? Hij riep naar zijn naam, maar hoorde niets. De zoektocht duurde al voor uren, en Czabock begon moe te worden. Op het moment was hijzelf ook bang om te verdwalen, en hoopte dat hijzelf ooit dus nog de weg terug kon vinden. Op het moment was het vinden van Kevalth wel wat belangrijker.
“Ik moet echt even rusten…” Het zoeken werd Czabock even teveel, en ruste even uit tegen een grote rots. De rots voelde nog warm terwijl de zonnestralen al eventjes verdwenen waren. De steen had de warmte nog goed bewaard, het liet Czabock compleet ontspannen.
Rustig ademde Czabock diep in. Bijna alsof hij aan het mediteren was. Hij voelde hoe zijn poten lichtjes tintelde vanwege al dat lopen, en een warme gloed in zijn buik dat hem rustig maakte.
De gedachte dat hij Kevalth nog niet gevonden had, maakte hem wat onrustig, het warme gevoel leek meer op te gloeien. Hij probeerde zijn ogen open te doen om verder te gaan zoeken, maar kreeg dat niet voor elkaar. De warme gloed ging over tijd pijn, en op een of andere manier had hij het gevoel alsof hij het moest loslaten, wat het ook was.
Hij ademde uit. Onbewust duurde dat misschien wel een paar minuten, in die uitbeademing voelde hij de warmte uit een spatten. Hij voelde een vibratie over de grond en keek toen uiteindelijk op. Een gele ring verspreide zich uit, terwijl hij het middelpunt was. En die ring verdween in de verte waar hij nog even een tijdje naar toe keek.
Opeens kwam er een ring terug, een groene ring. En eenmaal toen het hem bereikte voelde dat als een soort vertrouwen. Hij kende deze ring, maar waarvan?
Dit gevoel had hij eens eerder. Het moment dat Kevalth in dat ravijn was gevallen.
Czabock schrok op en renden richting de plek waar de groene ring vandaan leek te komen, het leek te pulseren. De groene ring leek elke keer zijn kant op te gaan. En elke keer als hij ermee geraakt werd voelde hij dat vertrouwelijke gevoel. Hij wist nu zeker dat het Kevalth was, en hij was gewond. Hij rende zo snel als hij kon erop af, verder het bos in. En daar kwam hij hem tegen.
“Kevalth? Kevalth!” Hij gleed bijna tegen hem aan door de snelheid waarin hij rende, en keek hem snel onderzoekend aan.
“Kom op, Kevalth? Wordt wakker!” Snel met zijn klauw probeerde hij zijn genezingsspreuk om te zien of hij hem kon helpen. Kevalth was best zwaar gewond, maar waarvan? Hij lag dit keer niet in een klif, maar zijn vleugels waren wel in een slechte staat.
Czabock keek om Kevalth heen en merkte een aantal gebroken dikke takken op, hij keek omhoog en zag dat een aantal bomen een flinke klap heeft gehad.
“Oh, Kevalth…” Kevalth had duidelijk de kunst van vliegen nog niet onder de knie, Za’afiel had Kevalth altijd al gespot om het feit dat hij slecht kon vliegen, het maakte Kevalth alleen maar meer onzeker. Hij wilde vast in het geheim leren vliegen zodat hij niet hoeft te schamen om anderen, of ons…
Czabock’s klauw gloeide een hele felle groene kleur, en probeerde alles te helen wat hij kon, maar Kevalth’s vleugels waren niet makkelijk. Die moesten eerst goed gespalkt worden voor hij ze kon genezen, anders kon het misschien gebeuren dat het heel verkeerd geneest, maar dit was iets wat hij niet in zijn eentje kon doen. Kevalth moest met hem mee naar huis, hij moest wakker worden…
“Kevalth? Alsjeblieft?” Hij smeekte zijn broertje om wakker te worden, maar er gebeurde nog niet veel, het enige wat Kevalth deed was een zachte kreun. Het gaf ieder geval informatie dat hij nog leefde.
“Misschien kan ik je helpen, jonge draak?” Een vrouwelijke stem liet Czabock flink schrikken, zeker aangezien het zo plots aankwam. Hij draaide zich om.
“Ik ben Phoebe, aangenaam.”

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen