Jequetepeque Valley, 697 A.D.


Stemmen. Ayan bleef stilstaan, zijn vingers verstijfden rondom de speer in zijn hand. Was er echt iemand in de buurt of verbeeldde hij dit zich? Hij hield zijn adem in, probeerde alle oerwoudgeluiden weg te filteren. Het gebeurde wel vaker dat hij zich dingen in het hoofd haalde die er helemaal niet waren. Dat fluisteringen hem achtervolgden. Eerst troostte het hem, het had geleken alsof zijn lief nog steeds bij hem was. Wekenlang had hij hardop gesproken, vastklampend aan de gedachte dat zijn vriend hem nog steeds kon horen. Een antwoord kreeg hij echter nooit, en het voelde alsof de afstand tussen hen steeds groter werd. Uiteindelijk was het hem alleen maar gaan frustreren. Hij had Ayan losgelaten, had moeten accepteren dat hijzelf nog de enige versie was die van Ayan over was. Hij zou nooit zo dapper zijn als Ayan, en toch probeerde hij hem op deze manier te eren. Ramón had niet in de wildernis kunnen overleven, maar Ayan wel. Dat had hij zich dag tot dag verteld. Het had hem door de dagen heen gesleurd. Hij had voor zichzelf een onderkomen gebouwd, slaagde erin om zijn eigen voedsel te verzamelen. Eenzaamheid was zijn grootste vijand – maar toch was ook dat er een die hem nooit in zijn handelen belemmerde. In zijn beleving was Ayan overal tegen opgewassen, en daardoor was hij dat ook.
      Soms troostte hij zich met de gedachte dat ze samen waren gevloeid tot een nieuw persoon, maar het nam de bitterheid die hij voelde nooit weg. Hij zou het zijn volk nooit vergeven. Hij wist niet hoe, maar hij zou deze gruweldaad niet onbestraft laten.
      Nu hij weer mensenstemmen hoorde, nu hij eraan herinnerd werd dat er ook nog anderen bestonden, voelde hij die vastberadenheid groeien. Hij bevond zich niet meer in de buurt van de vallei waar hij was opgegroeid, de kans dat het mannen waren die hij kende was te verwaarlozen. Toch was hij benieuwd wat de vreemdelingen wél kwamen doen, want in de maanden dat hij hier nu zijn leven leidde was hij nog geen andere ziel tegengekomen.
      Voorzichtig liep hij op zijn blote voeten door het struikgewas, erop beducht zo min mogelijk geluid te maken. Hij had al zo vaak herten beslopen dat het hem natuurlijk afging en juist zijn zelfvertrouwen zorgde ervoor dat hij zich in stilte kon voortbewegen. Hij bereikte de oever van een rivier en gluurde langs de stam van een boom.
      Inderdaad, op de andere oever stond een groepje van acht mannen. Ze hielden rijkversierde speren vast – ceremoniële wapens, dacht hij. Dit moest net zoiets zijn als de jacht waar hij vroeger zo graag aan had willen deelnemen. In een flits zag hij weer alle karkassen in de ontvangsthal van het paleis liggen. Vlak daarachter stond Ayan. Hun ogen ontmoetten elkaar en…
      Ayan kneep zijn ogen dicht.
      Die tijd was voorbij.
      Eraan terugdenken had geen zin. Hij was er niet meer. Hij kwam nooit meer terug. Ayan haalde diep adem, duwde de herinneringen weg en focuste zich weer op de mensen aan de andere kant van het water.
      De gewaden die ze droegen waren felgekleurd, waarbij paars en roze de boventoon voerden. Een tijdje bleef Ayan bewegingloos naar hen staren. Hij leefde al zo lang afgezonderd dat hij niet wist hoe hij zou reageren als een van hen plotseling tegenover hem zou staan. Vroeger was hij nooit bang geweest voor mensen. Hij was nieuwsgierig aangelegd, vond het leuk om te praten met mensen uit verschillende klassen.
      Nu vulde slechts een kille haat hem wanneer hij aan mensen dacht. Hij dacht alleen maar aan hoe meedogenloos ze konden zijn, hoe vreselijk hun besluiten konden zijn, hoeveel pijn ze anderen aandeden.
      Mensen – ze waren nergens goed voor.
      Hij kon zich maar beter uit hun buurt houden. Alleen zijn met de natuur, zo had hij de dagen de laatste periode doorgebracht en het beviel hem. De natuur gaf hem dingen, terwijl mensen het alleen maar afnamen. Hij scheurde zijn blik van de jagers los en draaide zich om. Plotseling wilde hij alleen maar weg. De herinneringen worstelden zich weer naar boven, hij bleef Ayan maar voor zich zien. Eerst is zijn krijgerstenue, later in het simpele gewaad dat hij aan had gehad toen ze elkaar ’s nachts opzochten. Een brok zette zich in zijn keel vast terwijl hij terugdacht aan hoe ze elkaar gekust hadden, hoe ze besloten hadden dat ze samen weg wilden gaan.
      Ayan haalde diep adem.
      Hij wist wat er straks kwam.
      De hatelijke blik in de ogen van zijn vader, de liefde op het gezicht van Ayan. Het schrille contrast. De één gaf alles, de ander nam alles. Het mes dat langs Ayans hals flitste, het bloed dat eruit spoot – zijn leven dat hem verliet.
      Zijn benen trilden en hij greep naar een boom om zichzelf overeind te kunnen houden. Hij hoorde het geschreeuw dat het paleis had gevuld – zijn eigen geschreeuw. Zijn keel brandde, voelde net zo schor als toen.
      Had hij weer geschreeuwd? De beelden waren zo levensecht, de pijn was nog steeds zo rauw. Hij proefde zout. Tranen.
      Hij moest zichzelf weer bij elkaar rapen, kromde zijn vingers totdat zijn nagels in het vlees van zijn handpalmen sneden. Pijn liet zijn geest altijd helder worden.
      Het is voorbij, Ayan. Laat het niet je hele leven beïnvloeden. Zoek de vrijheid, zoek vreugde.
      Hij knipperde de tranen weg.
      Hoe kon hij de vreugde vinden als hij alleen bleef? Hij bracht zijn dagen door met het verzamelen van voedsel, het oefenen van de vechtkunst en door zijn conditie op peil te houden. Soms was het alsof hij zich klaarmaakte voor een strijd. Voor welke strijd precies wist hij niet, maar de oefeningen herinnerden hem aan zijn verloren liefde en daardoor was het een van de weinige dingen die niet nutteloos voelden.
      Een krijger, dat wilde hij worden.
      Waar anderen naar opkeken, zoals hij naar Ayan had opgekeken. Maar dat was een onbereikbaar doel wanneer hij zich alleen door dieren liet omringen – dieren die uiteindelijk in zijn maag belandden. Als hij zijn volledige potentieel wilde bereiken dan kon hij zich niet in de wildernis blijven verbergen, op een plaats waar hij niemand kon inspireren.
      Dan moest hij een nieuwe plaats vinden om te wonen.

Parallel met de jagers aan de andere kant van het water liep Ayan met hen mee. Niet hier ver vandaan was een oversteekplaats. Daar zou hen kunnen ontmoeten. Maar hoe zouden ze op hem reageren? Zouden ze hem als een bedreiging beschouwen, zelfs al was hij in zijn eentje? Of trok het zien van een eenzame jongeman hun aandacht, wekte het hun nieuwsgierigheid? Zouden ze hem een kans geven om te leven?
      Het is niet erg als ze die kans wegnemen, zei hij tegen zichzelf. Zichzelf uithongeren of van een grote hoogte naar beneden springen was oneervol geweest, en geen manier waarop hij aan zijn einde zou willen komen. Hij wilde niet sterven omdat hij bang was om te leven, maar als ze hem de dood brachten doordat hij wél wilde leven, dan kon hij daarin berusten.
      Misschien dat hij dan herenigd werd met de jongen van wie hij zo veel hield. Die onzekere hoop zorgde ervoor dat hij even later het stroompje overstak. De mannen waren niet ver weg, hij kon hun stemmen horen. Ayan klauterde over de glibberige stenen naar een stroomversnelling. Zijn speer hield hij in de ene hand, de strijdknots die hij van Ayans zusje had gekregen in de andere. Balancerend op een van de stenen zocht hij naar vissen die hij aan zijn speer kon rijgen. Zo wilde hij het laten voorkomen alsof het voor hem de gewoonste zaak van de wereld was dat hij hier vis stond te vangen.
      De stemmen kwamen dichterbij. Ayans greep verstevigde, zijn ogen hield hij echter op het water gericht. Een schaduw schoot voorbij door de stroming en Ayan sloeg zonder aarzeling toe. Met één worp doorboorde hij de vis.
      Terwijl het dier nog aan de punt spartelde, draaide Ayan zich om. De jagers staarden hem aan. Hij hoorde ze met elkaar spreken, al waren ze nog te ver weg om hun woorden te kunnen verstaan. Ayan haalde diep adem en maakte toen een buiging ter begroeting.
      Hij was hun vijand niet.
      Of ze de zijne niet waren, viel nog te bezien.
      Ayan rechtte zijn schouders terwijl hij langzaam in de richting van de jagers liep. De vis trok hij van de speer en hij hield die omhoog bij wijze van geschenk.
      Zenuwen gierden door zijn lichaam, toch bleef hij hen naderen.
      Dat is wat Ayan gedaan zou hebben.
      Op een paar passen afstand bleef hij staan. Hij legde de dikke vis voor zich op de grond, deed een stap naar achteren en boog gewillig door een knie.
      Tussen zijn wimpers door keek hij omhoog. Een deel van de jagers bleef staan, maar de drie met de mooist versierde kostuums maakten zich van de anderen los en traden hem tegemoet.
      ‘Wie ben je?’ sprak de grootste man. Roze en paarse vegen zaten op zijn wangen, alsof hij het patroon van zijn kleding op zijn huid had willen overbrengen.
      ‘Ik ben Ayan, meneer,’ sprak hij. ‘Ik ben alleen. Waar u ook heen gaat – ik hoop dat u mij kunt meenemen. Ik ben een geoefende krijger.’
      Zijn hart bonkte in zijn keel. Net had hij nog stilletjes ingestemd met een snelle dood, maar hij merkte dat hij toch klamme handen kreeg. Hij had zich kwetsbaar opgesteld, iemand kon makkelijk een pijl door zijn bovenlijf schieten. Hij zou nooit op tijd kunnen reageren.
      ‘Waarom ben jij hier in je eentje?’
      Dat was een vraag waar Ayan nog niet over na had gedacht. ‘Ik ben hier opgegroeid,’ verzon hij vlug. ‘Mijn ouders stierven twee jaar geleden, ze waren door de goden geroepen om in het woud te leven. Ik eh… Ik ben al heel lang niet onder de mensen geweest.’
      ‘Tot welk volk behoor je?’
      Ayan haalde zijn schouders op. Onder geen beding wilde hij zich met het koningshuis van zijn ouders identificeren. Hij wist ook niet hoe de onderlinge verhoudingen ondertussen waren.
      ‘Mijn ouders vonden dat ze bij geen enkel volk hoorden. Zij leefden voor de goden. Afgezanten van verschillende clans zochten hen op en lieten hen het orakel raadplegen.’
      Een andere, wat oudere man kwam naast de andere krijger staan. ‘Spreek jij ook de orakeltaal?’
      Ayan schudde zijn hoofd. ‘Ze zeiden dat het mijn bestemming was om een krijger te worden.’
      De twee wisselden een blik. Ayan hield zijn schouders recht, hij wilde laten zien dat hij zelfverzekerd was, dat hij ook geloofde dat hij daartoe uitverkoren was.
      ‘Goed dan. Laten we hem meenemen en zien wat de goden voor pad voor hem hebben uitgestippeld.’
      Opgetogen keek Ayan hen aan. Ging dat echt zo gemakkelijk? Het was alsof er een last van zijn schouders was gevallen. Hij keek omhoog en zijn lippen bogen om in een glimlach terwijl hij aan zijn Ayan dacht.
      Het gaat me lukken, Ayan. Ik word een krijger, net zoals jij was.
      Een andere gedachte schoot door zijn hoofd. Misschien kon hij op een dag wel ten strijde trekken naar zijn geboortegrond en hen zo laten boeten voor wat ze Ayan en hem hadden aangedaan. Terwijl hij die kans op gerechtigheid koesterde, liep hij met de krijgers mee.
      De mannen leidden hem naar een open plek waar meer krijgers zich hadden verzameld. Er stond een grote draagconstructie waarop vruchten en knollen waren opgestapeld. Er waren ook kooien waarin apen of felgekleurde vogels zaten, zag Ayan tot zijn schrik. Zijn ogen verwijdden zich toen zijn blik op een groep mannen viel die ernaast stond. Ayan verstarde. Ze waren naakt, hun lijven smerig en de uitdrukking op hun gezicht verslagen. Hun lichamen waren graatmager.
      Toen hij een duw in zijn rug voelde, kwam er een enorm verzet in hem op. Moest hij daarnaartoe? Nee toch? Hij was een krijger, geen… geen…
      ‘Trek je kleren uit en voeg je bij de anderen,’ sprak de hoofdman. Zijn stem klonk veel strenger dan daarvoor.
      ‘W-wat?’
      Een potige man draaide zich naar hem toe, greep zijn schouder en drukte een mes tegen zijn oor. ‘Als je niet van plan bent om te luisteren, kunnen we die oren van je er net zo goed afsnijden.’
      Ayans ogen puilden uit. De omslag was zo abrupt, hij begreep er niets van.
      ‘Ik – dit is een misvatting. Ik ben een krijger. Ik…’
      ‘Je bent niets,’ antwoordde de man bruusk. ‘Kleed je uit.’
      Een ander greep zijn boog, weer een ander trok zijn knots uit zijn hand.
      ‘Nee!’ schreeuwde Ayan. ‘Niet – niet mijn knots!’
      ‘Een slaaf heeft geen wapens nodig.’ De grote man keek neerbuigend op hem neer. Met een strijdknuppel sloeg hij langzaam in zijn hand. ‘Kleed je uit.’
      Ayan zag het bloed dat aan het wapen gekleefd zat. Een rilling liep langs zijn rug. Hij wilde wegrennen, maar waarheen? Er waren tientallen mannen om hem heen. Uiteindelijk begon hij zich met een hangend hoofd uit te kleden. Stilletjes ging hij bij de andere mannen staan.
      Slaven. Het waren slaven.
      En daardoor wist hij ook wie deze mensen waren. De Mochica. Een oorlogszuchtig volk dat omringende valleien inlijfde. De fortificaties die zijn vader had gebouwd, waren altijd bedoeld geweest om deze dreiging tegen te gaan. Omdat hun eigen vallei veel zuidelijker lag dan die van de Mochica, waren ze tot nu toe de dans ontsprongen.
      En nu was Ayan hen alsnog in de armen gelopen. Het voelde alsof hij het ene monster nu voor een ander had ingeruild.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen