Phoebe zette een aantal stappen achteruit, ze had geen idee wat voor soort magie die nou weer was, was het wel magie? Zij was daar niet zeker over.
“Czabock, wat is dit?” Ze keek erg argwanend naar D’agon, niet wetende dat het ooit een levend wezen was geweest.
“’Dit’ is D’agon, ‘hij’ is mijn vriend. En ik ben echt heel blij hem wakker te zien.” Czabock was geïrriteerd om Phoebe, hij dacht eerst dat ze best cool was, maar na die paar opmerkingen had ze het vrij snel voor hem verpest. Als ze hem niet eens kon accepteren als een levend wezen dan was het onmogelijk dat dit ooit tot een vriendschap op kon komen, dat is wat Czabock dacht. De realiteit is, Phoebe had geen idee.
“Hij?” Ze zette opnieuw een paar stappen dichterbij, Czabock leek ‘het’ te vertrouwen. Als het een wapen was dat haar kon vermoorden, of wilde vermoorden, dan was dat al lang gebeurd.
“Je hoeft je geen zorgen om mij te maken, Czabock, alles is weer okay. Alleen, ik voel mij niet hetzelfde.” Czabock keek bezorgt nadat D’agon had gesproken. Hij kon wel inzien waarom D’agon zich anders voelde. D’agon was nu gemaakt van metaal, dat lijkt hem niet normaal voelen.
“Ik weet niet hoe, maar alle biologische componenten lijken verdwenen te zijn, D’agon.” D’agon keek Czabock even aan, en schudde lichtjes zijn kop. Hij kon het niet geloven en wandelde iets dichterbij het water. De afgelopen dagen was dat zijn enige plek. Amper van zijn plek afgekomen.
Terwijl hij een paar stappen naar het meer liep, kwam dat geluid van schuivende metaal weer op.
“Sorry, D’agon, er was niets wat ik voor je kon doen…” Czabock werd stil, en Phoebe ook, zij keek alleen maar toe. Zij begreep niet precies wat er gebeurd was, maar het kwam nu wel binnen dat D’agon niet altijd zo was geweest.
“Wat is er gebeurd?” vroeg Phoebe nu voor het eerst.
“Een paar wezens ontvoerde mij, ze stopte iets in mijn zij dat mij veranderde tot wat ik nu ben. Daarbij, deze wezens spraken in een vreemde taal.” Eerst kwam deze informatie uit als een emotionele explosie. Nu was er amper emotie te horen. Iets wat Czabock opviel, maar hij zei niets.
“In nog geen week, veranderde hij van een Aarde draak tot dit. Mijn magie kon het niet stoppen.” Czabock klonk lichtelijk verdrietig en ging bij D’agon zitten.
Phoebe hield zich stil en zag hoe D’agon naast Czabock ging liggen.
“Het komt goed, ik heb geen pijn meer.” Czabock schudde zijn kop.
“Nooit meer pijn, zul je bedoelen.”
Phoebe nam afstand van dit gesprek en wandelde op Za’afiel af, iets schoot in haar hoofd, iets wat voor haar heel belangrijk was. Ze wandelde op hem af en tikte arrogant op Za’afiel’s kop met haar klauw.
“Alsof dat niet de vogel is,” zei Za’afiel zonder op te kijken, op een of andere manier wist hij meteen wie het was.
“Hoe wist je dat… Laat ook maar,” heel kort veranderde haar persoonlijkheid ook mee. En keek Za’afiel zo streng mogelijk aan. “Heb je het nog steeds?” was haar vraag ineens.
Za’afiel keek op en keek haar emotieloos aan.
“Wat heb ik nog steeds?” Kevalth die in de buurt van zijn vader lag keek ook op, het gesprek af te luisteren.
“Doe niet zo dom! Je weet precies waar ik het over heb!” riep Phoebe boos uit, waarbij Za’afiel een rookwolk uit zijn neus blies.
“Ik heb geen intenties om het je terug te geven.” Phoebe keek boos naar hem toe, wat het ook was, het is schijnbaar belangrijk voor haar.
“Je hebt er toch niets aan, anders had je het allang gebruikt!” Za’afiel stond opeens abrupt op en keek toen naar beneden naar de vogel die nu een stuk kleiner lijkt in verhouding.
“Wie zegt dat ik dat al niet heb gedaan?!” Zijn zin kwam er bijna grommend uit, het liet Phoebe kort schrikken, maar ze hield zich sterk, en keek hem terug boos aan.
“Je weet dus niet eens wat het doet, je gaf mij zojuist genoeg informatie. Als jij eens wijs was, zou je het mij terug geven. Dan is alles vergeten en vergeven.” Ondanks haar boosheid, kwam dat redelijk rustig uit de bek.
Za’afiel ging terug in zijn liggende positie, alsof er niets gebeurd was.
“Laat mij met rust, vogel.” Phoebe zelf maakte nu een korte grom.
“Jij arrogante… Ik ben geen vogel!” De veren op haar kop zette zich uit, uit frustraties en stampte van Za’afiel vandaan.
Kevalth die het hele gesprek gehoord had keek Phoebe kort even na.

“Waarom willen wezens alleen maar vrienden worden met de grote wezens…” Qyma keek opzij naar zijn harige vriend en begon zich eigenlijk af te vragen waarom zij hier verbleven.
Noë staarde naar D’agon voor hij omkeek naar Qyma, hij scheen totaal niet gehoord te hebben wat Qyma tegen hem net zei.
“Soms denk ik dat zelfs jij meer vrienden bent met deze wezens…” Qyma keek weg van Noë, hij voelde zich buitengesloten, en was eigenlijk heel erg verveeld.
“Kom nou, Qyma, ik ben toch nog niet weggelopen van je?” Qyma keek terug naar Noë met een serieuze gezichtsuitdrukking.
“Wat dacht je van een paar dagen terug? Je liep letterlijk ineens het bos in, om daarna te gaan slapen bij een ander meer.” Noë keek bedenkelijk voor hij antwoorde.
“Dat was omdat ik graag wilde slapen, wat niet kon met zijn… geluidmachine.” Qyma begreep hem, maar niet helemaal, het woord ‘machine’ was nieuw voor hem.
“Wat is dat, een machine?” Noë keek naar D’agon een wees met een poot zijn kant uit.
“Dat is een machine, mensen hadden dat ook, voor ze uitgeroeid waren, ik houd hem liever in de gaten, want ik vertrouw hem niet. Machine’s zijn nooit te vertrouwen.” Qyma had met dit gesprek meer vragen dan antwoorden. Hoe meer tijd hier overheen ging, hoe minder goed hij zijn vriend leek te kennen.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen