Een aantal dagen gingen voorbij en er veranderde niet veel.
Czabock lag bij D’agon, Phoebe lag bij Czabock, Qyma lag bij Noë en Kevalth lag als enige bij zijn vader in de buurt.
Phoebe wilde heel graag de aandacht van Czabock krijgen, of in ieder geval de vertrouwen. Zij vond dat zoveel talent niet verloren mocht gaan, en het feit dat Czabock zoveel gaf om iemand die hij helemaal niet zolang kende, irriteerde haar. Daarbij, voor haar D’agon was geen levend wezen, maar dat was niet iets wat ze tegen Czabock zei. Misschien door deze unieke situatie, dat zijn vader hem zo verstoten heeft, dat D’agon als eerste vertrouwelijk gezicht zo goed aanvoelde.
Dat was haar enige verklaring, maar zelfs dat zei ze niet tegen Czabock. Ze was heel geduldige met hem, maar er kwam opgegeven moment opnieuw die vraag. De vraag die belangrijk voor haar was, en zij dacht dat het Czabock ook goed zou doen.
“Czabock, jonge draak. Zou jij graag mijn woonplaats willen bezoeken? Ik kan je daar laten zien wat er allemaal te leren valt, je hoeft er niet te blijven, misschien gewoon een klein bezoekje.” Czabock keek op met een vreemd gezicht naar Phoebe.
“Ik moet voor D’agon zorgen, en dan vraag jij mij dit? Voor wie zie jij mij aan?” Ditmaal was D’agon bij om dit gesprek aan te horen en begon toen ook te spreken, hij had misschien voor het eerst door dat Czabock iets te beschermend deed als het om hem ging.
“Wil je niet meer leren over magie?” Czabock keek hem weer aan en wist even niet wat hij moest zeggen.
“Ik wil je niet alleen laten, misschien overkomt je dan wat…” zei hij wat verlegen.
“Oh, jonge draak. Je hoeft echt niet op mij te letten? Ik kan prima voor mijzelf zorgen, niemand zal mij nog wat aandoen, ik ben in goede klauwen.” Czabock keek weer terug naar Phoebe, iets in zijn blik leek alsof hij opgelucht was. Dit waren wel de woorden die hij nodig had om even los te komen van deze ‘taak’.
“Je zou zelfs je broertje mee mogen nemen, als je dat wil.” Czabock keek naar Kevalth die nog te slapen lag, en knikte toen.
“Ik heb hem weggeduwd… Is het niet? Daarom ligt hij nu daar… En niet hier…” Czabock keek een beetje verdrietig, en wandelde toen langzaam op Kevalth af.
Eenmaal daar probeerde hij hem rustig wakker te maken, en met weinig moeite kreeg hij dat ook.
“Hey, Kevalth. Heb je zin om met mij even te gaan reizen? Phoebe wilt haar woonplaats laten zien, misschien kunnen we daar wat oppikken over hoe magie werkt.” Kevalth leek geïnteresseerd aangezien zijn ogen begon te glunderen van nieuwsgierigheid en blijheid, hij knikte flink en stond toen vrij snel op.
Phoebe keek vrolijk bij het aanzien en wandelde op de twee broers af.
“We zouden er wel heen moeten vliegen, weet je zeker dat dit goed zal komen, Kevalth?” Kevalth knikte, hij was er wel zelfverzekerd over dat hij niet weer een vliegongeluk zal meemaken.
“Ik moet gewoon… Iets hoger gaan vliegen,” knikte hij erachteraan. Phoebe moest lachen en knikte zelf toen ook.
“Laten we dan maar onderweg gaan, als we bij mijn thuis zijn, zal ik eens iets heerlijks voor jullie maken. Als beloning voor de vliegtocht.” Dat klonk als muziek in de oren voor de twee broers, en was bereid Phoebe te volgen.
“Hier gaan we dan.” Phoebe keek even kort een paar kanten op om zich te oriënteren en vloog toen op.
Wanneer Phoebe eenmaal in de lucht vloog, volgde de broers haar voorbeeld. Heel kort leek Kevalth moeite te hebben om goed op te stijgen, maar met wat extra gefladder lukte het hem ook om stabiel te blijven.
Zo begonnen ze hun vlucht over het bos, het bos dat oneindig leek te zijn tot aan de horizon. Er was niet veel meer over te vertellen.
Het enige wat Kevalth na een tijdje opviel was een gebouw, midden in het bos. Tussen al die bomen zag het er heel onnatuurlijk uit, alsof het daar niet hoorde te staan. Stiekem was dit hetzelfde gebouw dat Czabock eerder zag, maar hij had er nog nooit over gesproken, en Kevalth ditmaal ook niet.
Kevalth begon moe te worden, hij was het velen vliegen niet gewend, vaak bleef hij maar aan de grond om niet te hoeven te vliegen, maar hij probeerde over zijn limiet heen te gaan. Het duurde niet lang voor Czabock dat opviel.
Eigenlijk was Kevalth niet dat veel jonger dan Czabock, slechts enkele minuten, maar toch leek Kevalth in alles achter te lopen op Czabock. Beide wisten ze ook niet waarom, misschien was er iets aan Kevalth waarbij hij minder snel zich kon ontwikkelen, misschien had het te maken met hun eigen vader, zelf hadden ze niet veel herinneringen over toen ze net uit het ei kwamen.
“Kevalth, als het moet mag je wel op mij leunen? Misschien ben je wel te zwaar om volledig op me te leunen, maar misschien als steun moet het wel lukken.” Kevalth schudde zijn kop tijdens het vliegen, ondanks zijn vleugel hem echt pijn begonnen te doen.
“Ik kan dit wel, echt!” Hij was tenminste zelfverzekerd.
Czabock vloog iets dichterbij Phoebe, en vroeg hoelang het vliegen nog was.
“Niet lang meer, we hoeven alleen die berg over.” Ze wees met een klauw naar een berg dat niet al te hoog leek.
“Hoorde je dat Kevalth? Het duurt niet lang meer.” Kevalth hoorde het wel, maar reageerde niet, in plaats daarvan nam hij alle concentratie om te kunnen vliegen.
De berg kwam langzaam dichterbij, en Kevalth voelde hoe het met elke vleugelslag het lastiger begon te worden, hij wilde het zo graag halen. Hij wilde zo graag bewijzen dat hij net zo goed kon vliegen als zijn broer, maar het lukte niet. Hij redde het niet.
“Kevalth!” In een rotgang storte Kevalth neer richting de berg, Czabock vloog zo snel als hij kon naar beneden in de hoop Kevalth op te kunnen vangen, het laatste wat hij wilde was dat zijn broer tegen een berg terpletter viel.
Czabock kwam vrij snel dichterbij, en dat was ook wel nodig, want de berg deed dat ook, met een klauw richtte hij naar voren en zonder het zelf echt door te hebben kwam er een cirkel om zijn klauw. Een wit lichtgevende cirkel dat vreemde tekens leek te bevatten. Een korte tijd later schoot het een witte straal af op Kevalth. Was dat genoeg om Kevalth te helpen?

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen