Foto bij Anger -77


Ik klem mijn kiezen op elkaar en wacht het af. Doodstil blijven staan, tot het afgelopen is. Het zou immers veel gevaarlijker worden dan een oppervlakkige snede, als ik me onder zijn greep uit zou proberende worstelen. De branderige pijn is maar onschuldig, het mes veroorzaakt niet echt schade. Als de pijn stopt en alleen nog maar naschrijnt, loopt er iets warms over mijn sleutelbeenderen mijn shirt in. De geur van koper en ijzer verergert.
      ‘Waar ben je mee bézig, Florian?’ Hoewel ik woede in mijn stem had willen leggen, klinken mijn woorden ontzet en gekwetst. En pas nadat de woorden mijn mond hebben verlaten, besef ik pas hoe de ze bij hem zullen overkomen. Alsof ik nooit echt geloofd heb dat hij werkelijk schade aan kan richten. Dat antwoord op de vraag weet ik nou wel. En eerder ook al, hoewel ik het misschien ontkent heb, in de hoop dat hij me een kans zou geven het uit te leggen.
      ‘Wel, wraak smaakt zoet, toch?’ De blauwe ogen van de jongen verduisteren grimmig. ‘Ik ga jou de pijn laten voelen, die je mij hebt laten voelen.’ Ruw trekt de jongen het wapen van de wond vandaan, hoewel hij de dolk vervaarlijk dicht bij mijn nek blijft houden.
      ‘J-je geloofde haar, of niet? Amelia?’ Kan mijn stem me even uitleggen waarom ik aan het hakkelen was, nu opeens? Dat Florian bewezen heeft dat hij die acht van de privé-sessies verdiend had, zou niets uit moeten maken. Ik ben verdorie een Beroeps en ik klink als een bang konijn. Een spottende lach rolt over mijn lippen. Nee, dit ging erg goed.
      ‘We kunnen wel stellen dat ik het grondig verpest heb, niet?’ Wel, in ieder geval heb ik mijn sarcasme weer terug, wat een meevaller.
      De jongen boven me lacht schamper. ‘Dat kun je wel zeggen ja.’ Hij beweegt zijn mes verder bij mijn nek vandaan en draait me in een snelle, onverwachte beweging weer op mijn voeten. Een licht zeurende pijn in mijn rug, vertelt me dat mijn spieren aan het verzuren zijn. Geweldig. De jongen geeft me geen tijd op weer op adem te komen, want gelijk nadat hij me losgelaten heeft, pakt hij me weer vast. Hij grist naar de roestbruin bevlekte stof van mijn shirt, om ervoor te zorgen dat ik hem niet ontglip. Althans, dat vermoed ik, want logischerwijs is het een domme zet. Op deze manier is het een stuk gemakkelijker om me van zijn greep te ontdoen.
      De jongen kijkt kil op me neer, zonder een spoortje van zijn gebruikelijke vriendelijkheid.
      ‘Wat dacht je, Aderyn, die gast uit 9 verpletter ik helemaal? Die doet toch geen ene vlieg kwaad?’
      Het uitdagende antwoord kan ik nog maar net binnenhouden. Op deze manier komen we helemaal nergens en eigenlijk ben ik het goed zat dat die jongen zo ontzettend overdreven doet. In een behendige beweging draai ik me onder zijn arm door, op het moment dat hij is afgeleid door zijn eigen woorden. Ik weet dat de draai hem ertoe zal dwingen mijn shirt los te laten en dat ik me eindelijk buiten de gevarenzone kan begeven.
      Maar Florian reageert sneller dan ik gedacht had.
      In een reflex steekt hij het mes uit en ik zie het te laat. Een felle, withete pijn trekt als een brandend gif door mijn rechterarm, als het wapen zijn doel onverbiddelijk raakt. Het bijt zich een weg naar mijn schouder en de topjes van mijn vingers. Dit is een probleem. Met elke hartslag lijkt er zich een ziekelijk verdovend gevoel door mijn arm te verspreiden, die alles behalve de stekende pijn lijkt uit te schakelen. Wankelend breng ik mezelf op een enigszins veilige afstand, terwijl de tranen van pijn achter mijn ogen branden. Ik klem mijn lippen op elkaar en knijp mijn ogen dicht.
      Niet gillen, niet gillen, niet gillen.
      Krampachtig bal ik mijn linkerhand tot een vuist en dwing mezelf mijn ogen weer open te doen. De wond ziet er angstaanjagend eng uit, met de diepe bijna rechte snee die tot op het bot lijkt te gaan. Ik word een beetje misselijk. De snee loopt vanaf mijn elleboog tot mijn pols en de verse wond vult zich bijna meteen volledig met helderrood bloed. De rode vloeistof glijdt met dikke druppels over mijn bleke huid en contrasteert fel met de bleke kleur van de binnenkant van mijn arm. Gestaag begint het op de grond te druipen.
      ‘Dat,’ begin ik, met een vastere stem dan ik verwacht had, ‘is nou niet heel aardig.’ Woede maakt zich van me meester en onder het spreken laat ik mijn rechterarm langs mijn lichaam vallen. Gelijk word ik beloond met een misselijkmakende schok. De warme stroompjes bloed lopen via mijn vingers naar de grond, maar ik probeer er geen aandacht aan te besteden.
      ‘Je bedreigingen zijn nou niet heel overtuigend, 9.’ Ja, dat zijn ze wel, maar dat ga ik nu echt niet meer toegeven. Een sinistere lach valt op zijn gezicht en verdrijft de bezorgde flikkering die ik even denk te zien.
      ‘Mijn wraak heeft geen haast, Aderyn.’ Ik dacht toch echt dat ik van je hield, Florian, en ik kom mijn fout weer rechtzetten. Dat jij dan meteen een mes in mijn arm steekt, getuigt van jouw moordzucht, niet de mijne waarvan jij schijnt te denken dat het alles is wat ik ben.
      ‘En ik ben niet degene met een wond aan mijn arm,’ voegt de jongen er terloops aan toe. Met ietwat triomf wijst hij naar me en ik moet de impuls onderdrukken om zelf een mes te pakken en het naar zijn hoofd te gooien. Deels ook omdat mijn messen rechts hangen. Daar waar ik er niet bij kan met mijn linkerarm, die wel normaal kan functioneren en waar geen vlammende pijn doorheen vloeit.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen