Foto bij Anger -80



Ik heb het er zelf naar gemaakt, en dat weet ik ook heus wel, maar misschien dat ik ergens toch gehoopt had op iets meer vertrouwen. Dat hij scheen te verwachten dat alles wat ik gezegd had alleen maar was zodat ik hem opnieuw pijn kon doen, voelt haast als verraad.
      ‘Ik- Omdat-’ zoekend naar woorden staar ik hem aan, maar meer dan twee gestamelde stukjes krijg ik er niet uit. ‘Het was niet mijn bedoeling je pijn te doen, Florian.’
      Wel, dat komt niet eens in de buurt van wat ik wel had willen zeggen, en is bovendien ook nog een leugen. Het was toen wel degelijk mijn bedoeling geweest hem pijn te doen, anders had ik dat allemaal niet gezegd. Dat ik er nu anders over denk maakt het nog niet ‘’niet mijn bedoeling’’. Ik heb er spijt van, maar dat geeft me nog niet de toestemming om ronduit te liegen.
      Ik slik, en duw de gedachte weg. Qua inhoud is het dan incorrect, nu is het de waarheid. Ongeveer. Nu is het niet meer mijn bedoeling hem pijn te doen. Telt goed genoeg als de waarheid, en zorgt ervoor dat ik zeer stellig van plan ben niet te vertellen wat ik dan wel had gedacht vanmorgen.
      ‘Wel, dat doet het wel,’ mompelt hij, iets voordat hij door zijn benen zakt en in het gras tussen de bloemen op de grond ploft. Zijn hoofd legt hij op zijn knieën en glazig staart hij voor zich uit.
      Een sissend stemmetje klinkt opeens over de vlakte. Het nare geluid geeft dat er een onaangename rilling over mijn huid trekt en onwillekeurig huiver ik even.
      ‘Hij gelooft je niet.’ De woorden branden dwars door mijn zorgvuldig opgebouwde muur. ‘Waarom zou hij ook, liegen en bedriegen doe je al je hele leven.’ Even blijft het stil. Voorzichtig werp ik een korte blik over mijn schouder, zoekend naar de eigenaar van de stem, maar achter me is niets dan het lege veld en het wuivende hoge gras in de verte.
      ‘Hij weet het ook. Hij is voor jou niet meer dan de zoveelste leugen.’ De snerende worden galmen na door mijn hoofd en ietwat angstig kijk ik naar Florian, bang dat hij het ook gehoord heeft. Maar als dat al zo is, laat de jongen er niets van blijken.
      ‘Ik- ik weet het,’ stamel ik dan, de wanhoop nabij. Ik weet dat het pijn gedaan moet hebben, maar ik weet ook dat ik er nu spijt van heb. Maar achteraf is dat altijd makkelijk praten, niet? ‘En h- het spijt me, Florian,’ fluister ik dan ook. ‘Echt waar. Ik- ik had het niet mogen zeggen, het was gelogen en gemeen.’
      De stem snuift afkeurend. ‘Meen je dat nou? Probeer je met die zielige woorden het recht te breien? Bedenk eens hoe makkelijk het zou zijn om dit niet te menen. Denk je nu echt dat hij gaat geloven dat je geen spel met hem speelt? Je bent een Beroeps. Hij zal je nooit echt vertrouwen.’
      Het is waar. De stem heeft onherroepelijk gelijk. Florian heft voor me abrupt zijn hoofd op en kijkt me stomverbaasd aan. Zie je wel. Hij had het nooit verwacht.
      Florian steekt zijn hand naar me uit.
      Verbaast kijk ik naar het uitnodigende gebaar, terwijl de sissende stem uitblijft. Aarzelend kom ik iets dichterbij. Een zacht briesje blaast mijn haren over mijn schouder en neemt mijn lichaamswarmte met zich mee. Voorzichtig laat ik me naast hem in het gras zakken, zijn gezicht angstvallig in de gaten houdend.
      ‘Zou je dat nou wel doen?’ Sist een nieuwe stem. ‘Misschien is het wel een val. Zo snel kan geen mens vergeven.’
      Met dat de stem bijval krijgt van anderen, slaat Florian kalm zijn arm om mijn schouders. Mijn hart slaat een slag over, om vervolgens zo luid te gaan kloppen dat ik weet dat hij het horen kan. Een warmte verspreid zich vanuit mijn middenrif door mijn lichaam en langzaam ontspan ik dan toch. De jongen trekt me voorzichtig iets dichterbij en ik laat mijn hoofd op zijn schouder rusten. Heel ergens in de verte hoor ik de stem nog, maar het is me ondertussen duidelijk dat dit niet mijn eigen geweten is. Wat dan wel weet ik niet, en op dit moment maakt het me bijzonder weinig uit. Een diepe tevredenheid nestelt zich in me en verdrijft de laatste twijfel.
      ‘En nu?’ vraagt Florian dan, met een kleine glimlach op zijn gezicht. Ik hef mijn hoofd op en kijk wat in de verte.
      ‘Ik weet het niet,’ mompel ik dan. We hadden het nu dan wel zo ongeveer opgelost, maar daarmee waren alle problemen nog niet verdwenen. Florian zit nog steeds aan Samuel vast en ik heb zo het idee dat die er niet zo blij mee gaat zijn dat we het bijgelegd hebben.
      Net op het moment dat ik wil opperen om Samuel gewoon niet naar zijn mening te vragen, doorbreekt een andere stem de stilte. Ik verstijf. Van woede of van ongeloof, of misschien wel van allebei. Nee. Niet nu. Als je me dit nog een keer flikt, ga je naar huis. In stukjes. Met een ruk kijkt de tribuut uit 9 op en zijn arm glijd van mijn schouder af.
      ‘Amy!’ De jongen staat op en kijkt bezorgd om zich heen.
      ‘Ámy?’ Een tintelende woede verspreidt zich door mijn lichaam en doet me evenals opstaan. zonder te kijken grijp ik een mes uit mijn riem en knijp ik zo hard in het heft dat mijn vingers wit wegtrekken. Uit het donker komt het bruinharige meisje ineens opzetten. Ze ziet er verwilderd uit en ik meen sporen van tranen op haar gezicht te kunnen zien. Vlak voordat ze de fout maakt om te dichtbij te komen, blijft ze echter staan. Haar onderlip trilt zelfs van haar huilbui, maar desalniettemin blijft ze achterdochtig even staan. Zelfs in het donker is er geen twijfel mogelijk over het feit dat ze het mes gezien heeft. Mooi zo.
      ‘Amy, het spij..’ De jongen kan zijn zin niet afmaken als het meisje zich plotseling in zijn armen stort.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen