. . .


Abigail had het ijskoud. Ze had geen flauw idee hoelang ze hier al voor het graf zat. Haar gewrichten staken pijnlijk, maar de pijn was haar welkom. Het was een andere pijn dan de verscheurende leegte in haar borstkas. Doffer. Maar wel aanwezig.
      Een natte vacht kriebelde haar wang en toen ze haar hoofd optilde, gleed er een warme tong langs haar wang. Ze rilde. Toch brak er een beverig glimlachje door op haar gezicht.
      Sneu was het eindelijk, dat het een hond was die haar kwam troosten.
      Haar vader, haar beste vriendin… Niemand wist blijkbaar wat ze tegen haar moesten zeggen en ze bevatten niet dat ze helemaal geen woorden wilde horen. Ze wilde gewoon dat iemand haar vasthield, iets van zijn warmte deelde.
      Deze hond begreep dat, zelfs al was het misschien instinct.
      Moeizaam kwam ze overeind en keek ze om zich heen. Het kerkhof was leeg.
      ‘Waar is je baasje?’ vroeg ze zacht.
      Het dier wreef zijn kop langs haar knie.
      ‘Heb je geen baasje?’
      Het beestje keek haar met intelligente ogen aan. De blik in zijn ogen was warm, meelevend… Het trof haar diep.
      Juice had altijd een hond gewild, dacht ze. Vast zo’n mooi beestje als dit.
      Ze keek weer om zich heen. Het dier was niet mager en het zag er verzorgd uit, dus het was waarschijnlijk geen straathond. Maar wie liet zijn hond nou vrij op een kerkhof rondlopen? Haar vingers streken weer door de zwarte vacht.
      ‘Bedankt voor je steun,’ zei ze zacht, en ze drukte haar lippen tegen de vochtige kop. Daarna draaide ze zich van het dier af en begon in de richting van de parkeerplaats te lopen. Ze wist niet of ze nog ergens werd verwacht – het kon haar niet schelen ook. Het enige wat ze wilde was onder een dekentje op de bank kruipen, naar The Fast and the Furious kijken en zich inbeelden dat Juice zoals vroeger naast haar had gezeten, zijn arm om haar heen.
      Zodra ze de portier opendeed, zag ze dat de puppy haar gevolgd had. Hij bleef op de grond zitten, keek naar haar op en jankte zacht.
      ‘Wil je met me mee?’ vroeg ze verdwaasd.
      Haar ogen sperden zich open. Knikte het dier nou naar haar?!
      Je wordt gek, Abby. Knettergek.
      Maar wat kon het haar schelen. Haar vriend was dood en de hele wereld had haar in de steek gelaten. Waarom zou ze geen troost bij een dier zoeken. Die waren in elk geval niet in staat om iemand in de rug te steken.
      ‘Je mag wel mee,’ zei ze toen, meer tegen zichzelf dan tegen de hond. Ze deed het andere portier open, wetend dat het nergens op sloeg. Dat het dier heus niet –
      Maar dat deed het wel, het huppelde enthousiast om haar auto heen en sprong op de bijrijdersstoel. Met enthousiaste ogen keek het haar aan. Bruine ogen, ogen die haar deden herinneren aan…
      Zou het?
      Bestond er zoiets als reïncarnatie? Was het toeval dat ze het dier juist bij zijn graf was tegengekomen?
      ‘Juice?’ fluisterde ze.
      Het was waanzinnig, idioot, gestoord… en toch gleed haar hand langs zijn kop. Die bruine ogen… de manier waarop ze haar aankeken. Tranen vulden haar ogen bij de gedachte dat hij misschien toch een weg naar haar had teruggevonden. Een heel klein beetje warmte sijpelde het gat in haar borst weer binnen.
      Opeens schraapte er iemand zijn keel. Verstoord keek Abigail om. Het was de man die het afscheid had geleid, de stagiaire. ‘Valt hij u lastig, mevrouw? Timmy wordt altijd aangetrokken door verdrietige mensen.’
      ‘Is het – is het jouw hond?’ vroeg ze verslagen.
      De man knikte. ‘Kom naar buiten, jongen.’
      De pup gromde en drukte zijn kop tegen Abigails bovenarm aan. Zonder erbij na te denken, sloeg ze haar arm om het dier heen. Werd het door zijn baasje mishandeld? Reageerde het daarom zo fel? Weifelend keek ze opzij naar de bleke man. Zijn ogen waren helderblauw en leken te pulseren alsof het energiebronnen waren. Abigail voelde haar huid tintelen.
      Van het ene op het andere moment draaide de hond zich om en glipte de auto uit. Met een hangende kop liep hij naar zijn baasje toe, die door zijn knieën zakte, het dier zachtjes bij zijn kop pakte en er iets tegen fluisterde.
      Abigail sloeg het bizarre schouwspel vol verbijstering gade.
      Toen de man weer overeind kwam, knikte hij even naar haar. Weer was er een onbestendig gevoel in haar buik toen hij haar aankeek. Een rilling liep langs haar rug, ze wilde de hond helemaal niet bij die engerd achterlaten. Zeker toen het dier weg begon te lopen en nog een keer droevig over zijn schouder keek.
      Plotseling voelde ze een scherpe pijn in haar slapen en werd haar beeld zwart. Grommend drukte ze haar hoofd dieper in de hoofdsteun. Toen de pijn weer wegtrok, waren zowel de begrafenisondernemer als de puppy verdwenen.
      Rechts van haar hoorde ze geschuifel. Hoopvol draaide ze haar hoofd opzij, Scarlett zakte op de bijrijdersstoel neer. ‘Gaat het lieverd?’ vroeg ze. ‘Zal ik rijden?’
      ‘Juice…’ fluisterde ze. ‘Ik – ik zag Juice.’
      Meelevend kneep Scarlett in haar knie. ‘Ik snap het, liefje. Ik weet hoe erg je hem mist. Het zal je goed doen om weg te gaan uit dit verstikkende stadje. Je zult merken dat het een stuk beter gaat als je eenmaal in je nieuwe huis bent. Kom, laat mij maar rijden.’
      Als verdoofd wisselden ze van plaatsen. Stilletjes staarde Abigail uit het raam.
      Ze was echt haar verstand aan het verliezen.

Reacties (1)

  • VampireMouse

    Oww arme meid:(ik heb zo met haar te doen!!!
    En aah juice ❤️❤️❤️❤️❤️

    1 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen