Kevalth leek te zweven in de lucht, alsof de tijd stilstond, maar dat was niet helemaal zo. Hij merkte heel goed dat hij dichtbij de grond zweefde, in een soort bubbel.
“Dank je… Denk ik…” zei Kevalth vrij rustig.
Czabock kwam naast hem staan op de grond en liet hem rustig neerdalen.
“Ik denk dat je eerlijk had moeten zijn over hoe jij je voelde… Het had slecht kunnen aflopen.” Kevalth leek even weg te kijken.
“Met jou erbij, nooit…”
Phoebe kwam ook rustig aan, en zat toen naast ze op de grond.
“We kunnen wel even een pauze nemen, en het laatste stukje lopen. Je hebt het lang genoeg volgehouden, Kevalth.” Kevalth reageerde er niet op, en negeerde Phoebe daarbij.
Czabock en Phoebe hielden zich stil voor eventjes, om Kevalth even de tijd te geven om weer wat energy te krijgen.
“Sorry… Ik… Ik wil gewoon net zo goed dingen doen als jij, Czabock, we zijn praktisch even oud, en dan kan ik nog steeds niet normaal een afstandje vliegen.” Hij was teleurgesteld in zichzelf, maar ieder geval minder boos tegenover de rest.
“Niet alle soorten draken kunnen even goed vliegen, en aangezien Czabock een beetje van alles wat lijkt te hebben, zou het mij niet verbazen dat jij dat ook hebt. Aarde draken bijvoorbeeld, zijn geen uitstekende vliegers.” Phoebe probeerde echt om Kevalth beter te laten voelen, maar verder dan hoe hij zojuist voelde werd het niet.
“Aarde draken zijn vaak dik, kijk maar naar D’agon.” Kort nadat hij sprak stond hij weer geïrriteerd op om verder te lopen. Het dorp was al goed te zien in de verte. Onmogelijk om nog te kunnen verdwalen.
Czabock en Phoebe keken elkaar kort even aan voor ze besloten achter Kevalth aan te lopen.
Eenmaal wanneer ze aankwamen was er veel te zien, het was vrij een dichtbevolkt dorpje, met een houtgemaakte muur om het dorp te beschermen van verwilderede wezens.
“Dit dorp werd ooit gesticht door een draak, maar helaas is hij jaren geleden gestorven.” De broers vroegen niet om informatie, maar het was informatie die Phoebe wilde geven.
“Fijn om te horen dat draken ook dingen doen voor het goede.” Phoebe knikte na Czabock’s zin.
“Veel draken worden juist gezien als wijze raadsmannen. Aangezien ze door hun leeftijd veel over de wereld weten, en de tijd hebben gehad al de kennis op te doen die ze konden. Verspreiden ze dat aan wezens die het graag aan willen horen.” Phoebe keek afwezig naar een standbeeld van een draak, aan het midden van het dorp. Een vrij groot wit beeld.
“Die draak was iemand die je goed kende, is het niet?” Czabock keek haar aan en het enige wat Phoebe deed was knikken, en wandelde toen verder.
“We zijn bijna bij mijn thuis, daarna maak ik jullie wel wat te eten. Jullie verdienen wel wat goeds.” Kevalth en Czabock volgde Phoebe verder tot ze bij haar huis aankwamen. Het was redelijk groot voor een huis om in haar eentje te bewonen, maar er kwamen ervan geen gedachtes boven drijven.
Phoebe deed haar deur open en wandelde toen naar binnen, eenmaal binnen wees ze in een hoekje waar redelijke comfortabel uitziende kussens lagen.
“Jullie mogen daar wel lekker rusten, ik maak ondertussen het eten wel klaar.” Ze wandelde zelf verder naar de keuken, en liet de broers in de grote ruimte staan. Alsof ze de broers compleet vertrouwen.
Ze wandelde naar het hoekje en liggen rustig neer op het hoekje vol met kussens.
Ze keken elkaar aan voor ze tegen elkaar begonnen te spreken.
“Gaat het goed met je vleugels?” Kevalth keek even om naar zijn vleugels en bewoog er een op en neer om het zelf even aan te voelen. En knikte toen.
“Ja, op zich wel. Sorry van daarnet… Het frustreert mij gewoon dat… Jij alles beter kan dan ik. Letterlijk alles.” Czabock kijkt lichtelijk weg omdat hij niet wist hoe hij moest beantwoorden.
“Ik wist dat ik wist waarom dat zo is, maar nee.” Czabock schudde lichtelijk zijn kop.
“Het is niet erg, het is altijd al zo geweest, en dat zal altijd wel zo blijven.” Kevalth klonk redelijk vrolijk, ook al was het zo’n hard onderwerp.
Czabock kwam dichterbij liggen, tegen Kevalth aan. Het enige wat Czabock kon doen om Kevalth te troosten, in zijn gedachte. Het liet Kevalth ieder geval wel goed voelen. Er kwam een soort rust overheen en sloot eventjes zijn ogen.
“Het spijt mij dat het zo makkelijk voor mij gaat…” Zei Czabock zachtjes.

“Nu de broers weg zijn is het wel rustiger hier, is het niet.” Qyma keek om naar Noë en kwispelde lichtjes met zijn staart.
“Za’afiel doet nooit wat nuttigs, en D’agon… Hij staat daar maar, hij ligt niet eens meer op de grond.” Noë keek argwanend naar D’agon en besloot maar op hem af te lopen. Eenmaal wanneer hij dichterbij kwam keek D’agon naar hem om, waardoor hij kort verschrikt stil bleef staan.
Hij zette uiteindelijk toch door en ging voor hem zitten.
“Dus… Jij bent een machine nu?” Noë draaide zijn kop vragend scheef terwijl Qyma naast hem kwam zitten.
“Ja, er is geen reden dat te negeren nu.” D’agon keek naar beneden, richting de twee honden.” Het was maar een vreemd aanzicht, aangezien het niet leek alsof D’agon nog enigszins emotie kon laten zien met zijn lichaam. En Noë zei daar maar wat op.
“Hoe moeten we nu weten of jij nog wel leeft? Je lijkt niet blij, of verdrietig, of boos. Er is geen emotie af te lezen, en voor ons heb je geen geur. Net zo geurloos als deze stenen op de grond. Zouden wij allen je kunnen verlaten zonder dat jij daar verdrietig om wordt? Zonder dat jij je eenzaam zou voelen? Of is er nog steeds iets binnen in dit ding.” Noë sloeg met zijn poot tegen D’agon’s poot, wat een dof tikkend geluid maakt vanwege zijn nagels.
In verbazing gaf D’agon in eerste instantie geen antwoord.
“Mijn lichaam is gestorven, maar mijn geest leeft nog in deze harnas. Ik weet dat het niet hetzelfde is, maar iets laat mij toch wat voelen. Misschien omdat ik ooit geleefd heb, voel ik zoals ik toen deed. En misschien is dat het belangrijkst.” Noë keek hem stilletjes aan, en knikt dan.
“Misschien wel.”

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen