Foto bij H78: In het water ~ Khana

De wind blies mijn haren door elkaar en ik sloot mijn ogen. Het was eindelijk gestopt met regenen en ik had even frisse lucht nodig, want er hing een vrij muffe geur in de kamer. Er was blijkbaar iets gebeurd hier, waardoor het personeel niet fatsoenlijk alle kamers kon onderhouden. Daarom liet ik de kamer wat verluchten en kon ik wat verse lucht inademen. Na nog een vijftal minuutjes zette ik het raam weer op een kiertje en draaide me met een zucht om. Nick lag nog steeds doodstil op bed met gesloten ogen. We waren al heel wat uren verder en hij was nog niet één keer bijgekomen, wat me zorgen baarde. Hij leek amper te leven en hij bewoog totaal niet, maar ik wist niet hoe een kitsune zich überhaupt gedroeg als hij bewusteloos was. Misschien was het normaal? Voorzichtig liep ik naar hem toe en legde weer twee vingers in zijn nek, waar ik gelukkig nog een hartslag voelde. Ik ging aan mijn kant van het bed zitten en ging op mijn rug liggen. Het was een hectische reis geweest, van de Ngorongoro-krater tot hier in Musoma.

James en ik hadden Nick bewusteloos op het terras gevonden nadat we grondig afscheid hadden genomen. Ngorongoro had James gewaarschuwd en was met gevaar voor eigen leven geland bij het balkon. Samen met James had ik Nick naar binnen gebracht en daarna begonnen we te wachten. Nick werd echter niet wakker en zodra het volledig donker was geworden, besloten James en ik dat we sowieso door moesten gaan met de reis. James had een grote kist aan mij gegeven die hij eigenlijk voor zijn studiemateriaal gebruikte, maar hij ging het wel geregeld krijgen om alles terug naar Londen te sturen. Hoewel het niet echt veilig was en waarschijnlijk illegaal en ethisch niet verantwoord, hadden we enkele kleren van Nick en mij erin gestoken en daarna Nick ertussen mee in de kist gelegd. Hij werd maar niet wakker en nadat ik ook de rest van de bagage had beveiligd, hadden James en ik alles op Ngorongoro geladen en ben ik op zijn rug gaan zitten. Het begon te stormen en hoewel dat voor mij levensgevaarlijk ging worden, was het wel perfect om onopgemerkt bij het hotel in Musoma aan te komen. In totaal was ik dertien keer bijna van Ngorongoro’s rug gegleden en we waren een zak met vuile kledij kwijt geraakt, maar al bij al waren we goed bij het New Peninsula-hotel aangekomen. Ik had me in naam van Nick aangemeld en zijn pas getoond, waardoor ik gelukkig werd toegelaten. Tot mijn grote opluchting was Nick nog onbeschadigd en had ik hem met heel veel moeite op bed gekregen. Sindsdien waren er nog twee uren verstreken, waardoor we ondertussen al half tien ‘s ochtends waren. Nick, waarom werd je niet wakker…

“… Mazomba en dingonek? Echt? Wauw…”, hoorde ik opeens vaag en met een ruk schoot ik overeind. Er klonken stemmen op de gang en voorzichtig deed ik de kamerdeur open, om dan twee mensen wat verderop de trap af te dalen. Ik had ze al eerder gezien in de lobby toen we net aan waren gekomen. Hoewel het gespreksonderwerp toeval kon zijn, leek het me wel heel verdacht om exact die twee mythische wezens in één zin te horen. Meteen sloot ik de deur en ging naar Nick toe. Voorzichtig begon ik aan hem te schudden terwijl ik zei: “Nick, word wakker! Er zijn twee mensen hier die het over een mazomba en een dingonek hadden! Nick, alsjeblieft… word wakker…” Hij reageerde echter totaal niet en verslagen liet ik hem los. Ik moest iets doen, want mijn voorgevoel vertelde me dat er iets niet klopte met die twee mensen… Waarschijnlijk was dit het domste idee ooit, maar ik besloot toch hen achterna te gaan en ik pakte mijn jas. Nick lag nog steeds bewegingloos op bed en hoewel ik hem liever niet alleen liet, sloot ik de kamerdeur en liep snel de twee personen achterna.

De donkere wolken bleven maar boven mij hangen en de twee mensen die ik volgde, waren bijna bij de rand van het Victoriameer aangekomen. Het waren een man en een vrouw, maar ik wist niet goed vanwaar ze kwamen. Hun Engels had een vreemd accent dat ik niet meteen herkende, maar ik verstond het nog genoeg om hun af te kunnen luisteren. Ze hadden het over een mazomba die men vers had gevangen in het Matadi-meer van de Ngorongoro-krater, waar wij dus van kwamen. Eén of andere baas had hen de opdracht gegeven om die vis op te sturen, maar ik kon niet verstaan naar waar. Het was praktisch onmogelijk om me te verstoppen, dus slenterde ik zo nonchalant mogelijk achter hen aan terwijl ik naar de omgeving keek. Af en toe stopte ik langs de weg om zogezegd een plant te observeren of een foto te trekken, waardoor de afstand tussen ons wat groeide. Ze keken af en toe wel om naar mij, maar ze gingen niet sneller lopen ofzo. Het leek alsof ze het niet erg vonden dat ik hen volgde… Of waren ze misschien zo naïef dat ze niet door hadden dat ik hen volgde? Mijn buikgevoel zei dat er iets niet klopte, maar ik bleef hen volgen.

Opeens sprongen de mensen van een verhoogd grasstukje af en verdwenen zo uit mijn zicht. Voorzichtig liep ik naar de plek waar ze sprongen, maar tot mijn grote verbazing zag ik ze niet meer. Ik kon heel ver zien en er was geen plek waar ze zich konden verschuilen, maar toch waren ze verdwenen. Als ik niet beter zou weten, zou ik nog denken dat ze in de lucht waren opgelost… Ik sprong ook naar beneden op het zandbankje, maar er gebeurde niets. Het was stil en ik zag niemand. Kort vloekte ik terwijl ik nog eens de omgeving scande, maar ik zag alleen veel water en wat land waar ik op stond. Zouden ze in het water zijn gesprongen? Maar dan zouden ze ondertussen toch wel boven gekomen zijn? Ik zuchtte diep en besloot om terug te gaan naar het hotel, want ik had Nick nu toch wel al een tijdje alleen gelaten en wie weet was hij al ontwaakt…

Net toen ik op het gras wou gaan staan, voelde ik een scherpe pijn in mijn been. Ik werd onderuit getrokken en met een klap viel ik op de grond, mijn hoofd vrij hard stotend. Op snel tempo werd ik mee naar het water gesleurd en hoewel ik hevig spartelde, haalde het niets uit. Toen ik kort even kon kijken naar mijn been, zag ik een stel schubben en scherpe tanden, maar opeens zat ik in het water. Ik had maar net op tijd mijn adem in kunnen houden en wanhopig probeerde ik mijn been los te stampen. Het wezen trok me naar beneden, steeds dieper het meer in en ik voelde de druk rond mij opbouwen. Opeens werd ik los gelaten en zo snel mogelijk probeerde ik omhoog te zwemmen, maar iets zwom tegen mij en duwde mij omlaag. Voordat ik stopte met tollen, werd ik weer geramd door iets en al snel was ik elk besef van boven of onder kwijt. Mijn longen stonden op knappen en opeens voelde ik een sterke slag tegen mijn zijkant. Ongewild ontsnapte de lucht uit mijn longen en het afschuwelijke gevoel van water vulde mijn luchtpijp. Wanhopig begon ik te spartelen, maar het hielp niet tegen het water dat in mijn longen bleef komen en de plaats van lucht in nam. Mijn longen deden enorm veel pijn en hoewel het lijden eeuwig leek te duren, werd het na een tijdje zwart voor mijn ogen en gaf ik me over aan het water.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen