Foto bij H79: Tavars verraad ~ Halatir

Ik had het moeten weten. Ik had het echt moeten weten. Hijgend kwam ik terug overeind, om dan plots de trol voor mij te zien staan en hij tilde me alweer op, om me dan tegen de andere muur te gooien. Een korte schreeuw kwam uit mijn mond en ik klapte weer op de grond. “Zo is het wel genoeg”, zei een zoete stem en meteen viel de trol op zijn knieën, om dan nederig weg te kruipen. Vijf gedaantes kwamen op mij af en pas na een paar keer knipperen kon ik zien dat het de heerseressen waren. “Halatir toch, je bent heel stout geweest, weet je?” zei de zoete stem, maar ze werd onderbroken door een schelle stem die woedend krijste: “Hoe durf je het kristal van Errdegahr Bru'yuus te stelen! Vertel, waar is het! Vertel!” Een onzichtbare kracht tilde me bij mijn keel omhoog en ik maakte stikkende geluiden. “Kuluina, rustig aan… We willen hem nog niet dood hebben, daar is niets aan”, zei een iets zwaardere stem en ik viel weer op de grond. “Halatir, wil je weten wie je verraden heeft? Wil je weten wie de oorzaak is van jouw lijden? Kaivokalma, breng hem”, zei toen een zachte stem met een sinister kantje en de elfin knipte met haar vingers. Meteen kwam hun dienares aangewandeld en ze trok iemand aan zijn haren mee over de grond. Hoewel ik enkele lichaamsdelen had gebroken, nog veel meer had gekneusd en eigenlijk zwaar verzwakt was, kwam ik woedend overeind en met een rauwe stem zei ik: “Tavar…”

Eén van zijn ogen was uitgestoken en hij hing onder het bloed, maar toch zag ik dat hij mij smekend aankeek. “Het… het spijt me…”, lispelde hij, maar ik liep enkel op hem af en schopte hard tegen zijn kaak. De woede maakte mij krachtiger dan verwacht en zijn hoofd boog extreem ver naar achter terwijl een harde krak door mijn cel galmde. Tavar rochelde en spuwde wat bloed, maar Kaivokalma trok hem gewoon terug omhoog en kermend keek hij ons aan. Huine, de heerseres die ik enkele dagen op haar wenken had moeten bedienen, wandelde naar Tavar toe en zei terwijl ze over zijn wang streelde: “Oh Tavar toch… En je was net zo’n goede ssinssrigg rothe…” Ze zuchtte dramatisch en liet hem los, waarna ze zei: “Stuur ze allebei maar naar de laboratoria, wie het zou overleven word toch vermoord.” Weer knipte de andere elfin in haar vingers en twee trollen kwamen mijn cel binnen, waarvan eentje naar mij kwam en mij vast pakte. Ik zag dat hij bang was van mij, maar hij was nog veel banger van de heerseressen. Kort voelde ik mijn wolveninstict opspelen en ik wou mijn krachten gebruiken, maar een van mijn demonen zei in mijn hoofd: “Halatir, ga mee. Zelfs met die schamele Errdegahr Bru’yuus reikt onze kennis niet ver genoeg om de krachten uit die parel te halen… maar de zwarte elfen weten het wel. Oh ja, hun oudste magiërs kennen de geheimen van die parel en kunnen hem breken… Ga mee Halatir, ga mee.” Ik gromde even, maar liet me toen door de trol meevoeren.

Zodra de zware poort zich achter mij sloot, kokhalsde ik. De geur van dood en verderf was extreem hard aanwezig en waar ik ook keek, overal was wel wat bloed te zien. Aan de wanden hingen in het licht van de fakkels enkele lijken, waarvan zeker de helft open gesneden en hun ingewanden kwijt waren. Hun gezichten waren gruwelijk misvormd en onder hen zag ik een soort ratten rondlopen, maar het was duidelijk dat er met die beesten was geëxperimenteerd… We stonden in een hal waar acht donkere gangen op uitkwamen en waar twee deuren waren: voor en achter ons. “Ah, onze nieuwe proefkonijnen?” klonk opeens een stem en een jonge zwarte elfin kwam uit één van de gangen gelopen. Ze gooide haar laboschort die onder het bloed zat, opzij en liep eerst naar Tavar. Hij keek haar met doodsangst aan en piepend stamelde hij iets, maar de elfin grijnsde slechts en zei: “Mijn labo, ik heb nog enkele giffen die ik wil testen. Hij daar”, en ze wees naar mij, “mag naar de operatieafdeling, ze hebben enkele nieuwe demonen gecreëerd en willen ze uittesten. Hup, opschieten! We zitten al met een groot tekort aan proefpersonen!” Meteen kwamen de trollen in beweging en Tavar werd smekend weggebracht, terwijl ik een andere gang in ging. “Goed gedaan Halatir… Wij zullen de demonen wel voor onze rekening nemen, zorg jij maar dat dit lichaam genoeg energie krijgt om ons te kunnen verdragen”, zei een demon in mijn hoofd en in stilte ging ik akkoord.

“Psst, Halatir!” hoorde ik opeens iemand fluisteren en vermoeid opende ik mijn ogen. Het was donker in mijn cel en ik zag niemand. “Halatir, wat voor een sukkel ben jij! Straks vermoorden ze jou en dan kunnen we het hele plan wel vergeten, oen!” hoorde ik opeens die stem woedend zeggen en ik draaide met mijn ogen. Ik sloot ze weer en antwoordde: “Morchiant, alles verloopt volgens plan. Morgen gaan ze me pas in het labo brengen en tot dan heb ik de tijd om mijn lichaam te sparen… Hou je bezig met jouw deel, ik neem deze labo’s voor mijn rekening.” Even snoof Morchiant nog, maar toen werd het terug stil. “Waarom heb ik het gevoel dat ik dit ken?” vroeg ik me toen zacht af en meteen kwam er antwoord van mijn demonen: “Wil je de herinnering zien?” Iets in mij zei dat er iets niet klopte aan hun vrolijke toon, maar ik knikte en meteen verscheen er een beeld in mijn hoofd.

Een tiental andere personen stonden bij mij tegen de donkere muur. “Halatir, kom maar”, zei een mierzoete stem en ik volgde de vage gestalte. We liepen een lange donkere gang door en via een van de vele deuren betraden we een kamer. Er stond een vuile tafel in het midden en verschillende riemen hingen slap langs de rand. “Ga liggen”, werd bevolen en ik deed wat ze vroeg, waarna de riemen over mij vast werden gemaakt. De gestalte hield een kom boven mijn buik en kapte die opeens om, waardoor de vloeistof erin op mijn buik terecht kwam. Het voelde alsof mijn buik open gescheurd werd en ik schreeuwde het uit, maar dankzij een betovering was er niets te horen. Door de tranen heen zag ik de gestalte weer naar mij komen, maar ze had een soort steen vast. Na een korte grijns duwde ze die steen in mijn buik en weer schreeuwde ik, maar toen verloor ik het bewustzijn.

Hijgend kwam ik met een schok overeind en wreef over mijn buik. “Dat staat je te wachten, Halatir. Dat is wat er al gebeurd is, maar ook wat er morgen zal gebeuren”, zei een van mijn demonen met wat leedvermaak en ik slikte krampachtig. Trillend ging ik weer liggen en zei: “Vernietig het. Sluit het af.” Ik voelde de demonen in mij tevreden grijnzen, waarna mijn doodsangst veranderde in een kille rust. Mijn mondhoeken krulden omhoog tot een duistere grijns, waarna ik zei: “Dus ik heb die vloeistof nodig?” Mijn demonen bevestigden dit en ik ging ontspannen liggen. Binnenkort had ik Davids parel vernietigd en waren al die krachten van mij…

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen