Foto bij 252. - Lucien

Ik hoop dat ik ondertussen goed genoeg ben geworden in het verbergen van mijn gezichtsuitdrukkingen als het gaat om kinderen en baby's maken. Het idee dat Emma mogelijk zwanger wordt van me doet mijn hart drie slagen overslaan en beneemt me de adem. Als Emma het doorheeft, doen we allebei goed alsof het niet zo is. Ik kus haar, hongerig en verlangend, en zet een eventuele baby uit mijn hoofd. Ik wil gewoon van mijn vrouw genieten, niet meer en niet minder.

Jehanne en Vincent blijven nog vier dagen na Julien's verjaardag. Bij vertrek laat Vincent tussen neus en lippen door weten dat hij en zijn dochter overwegen om een herberg te starten in Parijs, om een nieuwe omgeving te leren kennen en om dichter bij ons te zijn. Vincent vindt het moeilijk om de plek waar hij zijn hele leven heeft gewoond achter te laten, maar Jehanne is erg enthousiast. We drukken hen op het hart goed over de keuze na te denken en dat we hoe dan ook achter ze staan, al denk ik niet dat we erg goed zijn in het verbergen van ons enthousiasme als ze inderdaad in de buurt komen wonen. Jehanne kust ons gedag en blijft zwaaien tot de koets uit het zicht verdwenen is. Emma wurmt zich in mijn armen en leunt met haar rug tegen mijn borstkas.
"Dat was het beste cadeau dat je me kon geven voor de verjaardag van onze zoon." Ik kus haar slaap. "Dankjewel. Het was fantastisch om ze weer te zien."
Ze glimlacht. "Ik hoop dat ze in de buurt komen wonen."
"Dat hoop ik ook."

Terug in het kasteel gaat het leven weer op volle snelheid door. De kroning is nog twee maanden van ons verwijderd en er moet nog veel geregeld worden. Tientallen uitnodigingen worden verstuurd, besprekingen die elkaar zonder pauze opvolgen. Ik zie Emma maar weinig; ook zij wordt klaargestoomd om koningin te zijn, maar de lessen hebben we apart van elkaar. Pogingen om dat te veranderen worden volledig genegeerd. Maar er is één dag waarop ik weiger naar wat voor bespreking of les dan ook te gaan. Ik vertel niemand waarom, gewoon dat ik weiger.
Ik sta in mijn eentje in het donker, slechts een enkele fakkel brandt. Een wervelwind van emoties gaat door me heen als ik naar de tombe kijk. Ik weet dat moeder hier de hele nacht heeft gewaakt en dat Eschieve vanavond komt. Sebastien komt misschien ook nog kijken, maar met zijn acht jaar vindt hij de catacomben nog spannend. Ik ben hier nu al een uur. Er kwam een punt dat ik besloot om op de grond te gaan zitten, al kan ik het me niet bewust voor de geest halen. Zoals altijd als ik hier kom lijkt mijn geest mijn lichaam te verlaten. Flarden van herinneringen komen boven drijven en ontnemen me het zicht. Het feit dat de tijd snel weg tikt en het nog veertig dagen is tot de kroning doet er even niet meer toe. Niks na zijn overlijden doet er toe.
"Ik vraag me af wat je van Julien had gevonden."
Mijn stem galmt door de donkere gangen. Het is de eerste keer dat ik hardop tegen hem praat; de stem klinkt niet als de mijne.
"Ik durf te wedden dat hij jou fantastisch had gevonden." Ik trek mijn knieën op en rust mijn kin erop, zoals ik vroeger vaak deed als we samen bij het vuur zaten. "Iedereen vond je altijd fantastisch. Nu je er niet meer bent, wordt je geschetst als een held. Ik wil er niet aan denken wat dat met je ego zou doen..."
Er komt geen antwoord. Een deel van me is teleurgesteld, al heb ik nooit met zekerheid durven zeggen of ik in spoken geloof of niet. "Over veertig dagen ben ik koning. Je hebt je vast al twintig keer omgedraaid in je graf..." Ik glimlach bij het idee. "Drie jaar terug was ik ervan overtuigd dat ik een betere koning zou zijn dan jij. Nu... nu weet ik dat niet zo zeker meer. Zoveel verantwoordelijkheid, zoveel ogen die naar je kijken. Ik kreeg de kans om een paar weken te ontsnappen met Emma... Mijn god, wat ik er niet voor over zou hebben om dat leven te mogen vasthouden." Ik schud mijn hoofd. "Al is dat niks nieuws... Ik heb altijd meer tijd buiten het kasteel besteed dan erbinnen. Nu heb ik mijn boog sinds Juliens verjaardag niet meer aangeraakt. Je zou me inmaken."
Nog steeds geen antwoord behalve stilte. Ik voel niets dan melancholie.
"Heb jij dit nooit gehad? Die angst om koning te worden? Je was altijd zo zeker over alles... Was er niks in je dat twijfelde?" Ik snuif. "Ik kan niet geloven dat je daadwerkelijk zo weinig emotie had als je liet zien." Met een zucht leg ik mijn voorhoofd op mijn knieën. De lucht is guur, ik heb te weinig kleren aan, slechts een blouse; het kippenvel staat op mijn hele lijf. "Misschien ook wel. Misschien was je daarom niet bang om koning te worden... Dat lijkt allemaal veel makkelijker zonder emoties."
Dit keer laat ik de stilte hangen. Ik heb niks meer om te zeggen, wil de doden niet bevlekken met mijn geklaag. Dus blijf ik zo zitten, in het licht van een enkele fakkel met mijn gezicht verborgen. Ik weet niet hoeveel tijd er verstrijkt. Pas als iemand een mantel over mijn schouders legt, schiet ik overeind. Naast me staat Emma; met een bezorgde blik kijkt ze op me neer.
"Hoe wist je dat ik hier was?" Mijn stem is schor. Ze zakt door haar knieën en raakt mijn jukbeen aan, heel zachtjes. Haar vingers zijn warm.
"Sebastien liet vallen dat vandaag zijn verjaardag was. Toen ik hoorde dat je al je besprekingen had afgezegd en dat je was verdwenen... Je paard stond nog op stal. Eén en één is altijd twee, Lucien."
Ik glimlach, maar ik voel me leeg. Emma veegt een losse krul uit mijn gezicht. "Je mist hem."
"Ja. Nee. Nee, niet echt." Ik schud mijn hoofd. "Ik mis hém niet. Ik mis..." Ik kom niet op het woord. Emma glimlacht.
"Mij hoef je niks uit te leggen. Ik laat je met rust. Als je klaar bent om naar terug te komen, ik ben in de bibliotheek."
Ze kust mijn voorhoofd, zoals een moeder haar kind doet. Het vult de leegte, zelfs al duurt het maar even. Haar voetstappen galmen door de gangen en verdwijnen. Ik ben weer alleen met de botten van mijn broer, verstopt onder het dikke steen van zijn tombe.

Wetende dat de rest van de familie - en misschien zelfs Emma - ook langs wil komen, sleep ik mezelf uiteindelijk uit de donkere gangen. Ik ben er nog niet klaar voor om me weer sociaal te gedragen, dus ik pak mijn mantel en sluip voor het eerst in maanden weer het kasteel uit. Net zoals vroeger, toen alle verantwoordelijkheid nog op Aleran lag. Ik heb mijn boog bij me, maar schiet geen enkele keer raak. Of het komt omdat ik het verleerd ben of door alle emotie weet ik niet. In mijn achterhoofd hoor ik hoe Aleran me uitlacht, me belachelijk maakt bij het hele hof. Het zorgt voor een scherpe steek door mijn hart. Ik haatte hem. Haatte hem zoals ik de koningin van Portugal haat, en Eailyns vader. Het leven is velen malen beter sinds zijn overlijden. En toch... Ik zou mijn vrijheid er voor overhebben om hem een week terug te hebben.

Emma is waar ze beloofde; ze ligt in de vensterbank van de bibliotheek met een boek te genieten van de zon, haar rug tegen het raamkozijn. Zonder woordenwisseling vlei ik me naast haar en leg mijn hoofd in haar schoot. Ze kijkt amper op van haar boek, maar ik voel haar vingers door mijn krullen woelen en langzaam wordt de leegte vervangen door de pure liefde die ik voor haar voel. Mijn vingers spelen met de versieringen op haar rokken, terwijl zij leest en met mijn haren speelt. We leven in stilte, maar in perfecte harmonie.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen